Trendgevoelige bedrijven investeren in menselijk kapitaal; Wakkere werkers

De kenniswerker beschikt over feiten, maar ook over inzicht en een schier eindeloze hoeveelheid elektronische hulpmiddelen. Hij is jong, werkt lange uren volgens een zelfontworpen productieschema, verdient veel en verandert snel van werkgever. Bedrijven koesteren een nieuwe, kleine toplaag van innoverende werknemers.

Michiel van Dam (32) bedenkt als general manager van een Amsterdams marketingadviesbureau digitale simulatiespelen. Voor de houders van een Postbankrekening ontwikkelde hij een beleggingswedstrijd en de lezeressen van Libelle kunnen meedoen aan een competitie in huishoudelijk budgetteren.

Van Dam is kennismakelaar. Hij handelt in 'diverterende ideeën' en kan zich rekenen tot de ruim zeshonderdduizend kenniswerkers die het Centraal Bureau voor de Statistiek in 1995 in Nederland telde. Zijn concepten slaat hij op in het geheugen van zijn AST Pentium notebook met cd-rom en modem om ze vervolgens door te sturen naar zijn medewerkers. Dagelijks zendt hij 25 e-mails de wereld over en ontvangt er gemiddeld vijftien terug. Van de vijftig arbeidsuren die hij wekelijks maakt, zit hij er tien in de auto. Dan kan hij tenminste even rustig 'wat zakelijke belletjes doen'. Alleen als hij slaapt of als hij zich met een klant onderhoudt, is Michiel niet bereikbaar via zijn gsm. Dan kan de beller een bericht achterlaten op zijn voicemail.

Michiel van Dam kan niet zonder de informatietechnologie die hem ter beschikking staat. Zijn bedrijf bestaat bij de gratie van het Internet, omdat veel van zijn consumenten via e-mail hun scores doorgeven en digitaal handelen in fictieve opties en aandelen. Maar als het systeem op de zaak eens crasht, raakt hij niet in paniek. “Nadenken doe ik met mijn hoofd.”

Nederlandse bedrijven besteden meer dan de helft van hun onderzoeksbudget aan personele kosten. Ze geven jaarlijks gemiddeld honderdduizend gulden uit aan elke hooggekwalificeerde werknemer. Dat blijkt uit het vandaag verschenen CBS het rapport Kennis en economie 1997.

Twee jaar geleden verscheen Kennis in beweging, een dramatisch getoonzette nota waarin de ministeries van Economische Zaken, Onderwijs en Landbouw waarschuwden voor de 'dalende kennisintensiteit' van de Nederlandse economie. Het bedrijfsleven had zich - weliswaar met succes - te veel gericht op loonmatiging en kostprijsverlaging, waardoor er gebrek was ontstaan aan gekwalificeerd personeel. Bedrijven investeerden wel in automatiseringssystemen waarin klantenbestanden en andere data konden worden opgeslagen, maar voor hoogwaardig technologisch onderzoek moesten ze steeds vaker uitwijken naar het buitenland. Het werd tijd voor 'slimme' investeringen in human capital. Minister Weijers (Economische Zaken) besloot eerder dit jaar tot de oprichting van vier technologische topinstituten en wil volgend jaar enkele miljoenen 'tweeweg-aansluitingen' aanleggen om een grootschalig gebruik van het Internet mogelijk te maken.

Hoe conserveer je vakmanschap en inzichten in een computerprogramma? Economen en bedrijfskundigen probeerden in verhandelingen over 'leren leren' en 'kenniscreatie' de vinger op het begrip kennis te leggen, maar de definities blijven oppervlakkig. “Kennis is een vermogen dat iemand in staat stelt een bepaalde taak uit te voeren”, verklaart organisatiedeskundige Mathieu Weggeman in zijn pas verschenen boek Kennismanagement.

En zo ontstond er een nieuwe innoverende werknemer: de kenniswerker, als personificatie van het economische abstractum. Hij was natuurlijk al lang te vinden in het top- en middenkader van softwarebedrijven of als commercieel dienstverlener, in de marketing, de communicatie, bij organisatie- en adviesbureaus, reclamebureaus en ingenieursbureaus. Maar nu kreeg hij - slechts in een derde van de gevallen een vrouw - een duidelijk profiel: snel, slim, hoog opgeleid, ambitieus en alleen afhankelijk van zijn computersysteem. Een maakbare mens.

Oogsten

In zijn laatste studiejaar kiest de kenniswerker voor het bedrijf dat hem voldoende vrijheid en een Rover 612 I belooft. Hij is empowered, ofwel zelf verantwoordelijk voor zijn toegewezen taken. Zoals bedrijfskundige Eric (26). Toen hij vorig jaar in dienst kwam bij een groot organisatie-adviesbureau dacht hij: 'de wereld is er voor mij, ik hoef alleen maar te oogsten'. Maar hij vergiste zich: “Ik moet elke dag overwerken om me verdienstelijk te maken. Ik ben er voor de wereld.”

Volgens econoom Dany Jacobs is de kenniswerker een kleine ondernemer die zijn projecten aan de man moet brengen. Hij managet zijn eigen carrière en ontwikkelt een portefeuille van kennis en vaardigheden die hij meeneemt naar een volgende werkgever. “Wie niet meer superproductief is of achter begint te lopen bij de laatste ontwikkelingen, dreigt naar de buitenste schil van de onderneming te worden gedrongen.”

Het resultaat telt en de kenniswerker heeft in veel gevallen de traditionele 36-urige werkweek al verruild voor een zelfontworpen productieschema. Eric neemt vakantie als zijn schema dat toelaat. Afgelopen zomer kon hij eindelijk een weekje naar Portugal. Hij heeft met vlag en wimpel zijn afgesproken prestatiequotum gehaald, maar dat geldt voor alle adviseurs die gelijk met hem zijn aangesteld. “Ik hoor het mijn chef nog zeggen: 'Als je klaar bent met je opdracht, mag je van mij naar Zandvoort'. Dat heb ik hier nog nooit iemand zien doen.”

Niet alleen de 36-urige werkweek, ook het sociaal-democratische principe 'gelijk loon voor gelijk werk' verdwijnt in de hogere echelons van de arbeidsmarkt. Vorige maand voorspelde Joep Bolweg, directeur van organisatie-adviesbureau Berenschot en hoogleraar mens, arbeid en organisatie aan de Vrije Universiteit dat er een einde komt aan de collectieve loonsverhogingen. Berenschot ontwerpt in opdracht van bedrijven nieuwe beloningssystemen. Daarbij is zestig procent van het inkomen verbonden aan de functie en de resterende veertig procent variabel. Ofwel, afhankelijk van de persoonlijke inzet, de groepsprestatie en de resultaten van de onderneming.

Kenniswerkers vinden beloning naar prestatie alleszins redelijk, zegt futuroloog Paul Ostendorf van het business consultancy-bedrijf Cap Gemini (5.300 werknemers in Nederland). “In de industriële sector lag er lange tijd een taboe op prestatieloon, omdat een sterkere metaalbewerker meer ijzerstaven kon buigen dan zijn minder gespierde collega. Maar als het om denkwerk gaat, kan het inkomen best wat flexibeler worden samengesteld.”

Volgens Ostendorf mag echter nooit het hele salaris afhankelijk worden van de verdiensten van de werknemer. “Hij heeft een basiszekerheid nodig, omdat onze samenleving nu eenmaal stoelt op zekerheid. Je kunt geen hypotheek afsluiten als je inkomen voor tachtig procent bonusafhankelijk is.” Ostendorf pleit voor loonmatiging in zijn bedrijfstak. Kenniswerkers worden nog te gemakkelijk gepaaid met astronomische startsalarissen, terwijl ze hun kansen in het bedrijf en employee benefits als extra onderwijs, technologische faciliteiten en vrijheid in vakantiedagen ook de moeite waard vinden. “Als werkgevers steeds hoger belonen, komen we in een inflatiespiraal. Straks hebben we hier de duurst betaalde kenniswerkers ter wereld.”

Blakend zelfvertrouwen

Het blakende zelfvertrouwen dat de kenniswerker uitstraalt, blijkt bij nader inzien dikwijls een pose te zijn. De actuele en dynamische inzichten die een softwarehuis als Cap Gemini nodig heeft, zijn aan slijtage onderhevig. Kennis veroudert veel sneller dan fysieke arbeid. Die wetenschap zet de werknemer onder druk. Paul Ostendorf: “Als je niets onderneemt om up to date te blijven, is je kennis in tien jaar tijd gehalveerd. De wakkere kennis die wij nodig hebben voor de ontwikkeling van software en computersystemen verandert per minuut.”

Jaarlijks studeren er zo'n 1.300 informatici en bedrijfskundigen af in Nederland. Ze kampen dikwijls met een magere vooropleiding. Elk software- en consultancybedrijf probeert zoveel mogelijk studenten binnen te halen en leidt ze zelf op. “Bijna elke contractant is een mismatch”, klaagt Ostendorf. Er is haast bij geboden, de young executives moeten hun verse kennis onmiddellijk te gelde maken. Alles wat ze bijleren wordt opgeslagen op het Intranet - een intern communicatiesysteem - zodat collega's er gebruik van kunnen maken. De futuroloog noemt dat: het klonen van kennis.

Het gemiddelde arbeidsverloop bij Cap Gemini is tussen de vier en de zes jaar. Daarna vertrekt een jonge consultant naar een bank of verzekeringsmaatschappij die hem met een comfortabeler lease-auto een aantrekkelijker carrièreperspectief biedt. Of hij begint een eigen bureau. Steeds meer bedrijven laten een nieuwe werknemer een concurrentiebeding ondertekenen. Zo probeert de werkgever te voorkomen dat de kenniswerker in zijn volgende baan concurrent wordt.

Die vier tot zes jaar zijn te kort om de investering in menselijk kapitaal terug te verdienen, vindt Ostendorf. Maar als een werknemer te lang in dienst blijft van het bedrijf en niet meer in staat is zijn kennis te innoveren, daalt zijn waarde. Het consultancybedrijf voert een even actief uitstroom- als aannamebeleid.

Bedrijven die zich hebben gespecialiseerd in conceptuele producten bouwen hun interne hiërarchie dikwijls op volgens het Amerikaanse managementsysteem van de drie d's. In het topechelon figureren de discoverers. Zij bezitten de meest actuele kennis, beschikken over fijnmazige netwerken en communicatieve vaardigheden. Volgens Hans van der Loo, als socioloog verbonden aan het Utrechtse marketingdienstbureau Arends en Samhoud, hebben de discoverers bijna altijd de status van managementgoeroe bereikt. “Ze laten zich voor tienduizenden guldens per uur invliegen als iemand hun verlichte geest nodig heeft en proberen zoveel mogelijk mensen deelgenoot te maken van hun ideeën. Zij zijn de untouchables van de kenniseconomie.” Van der Loo rekent Paul Ostendorf tot de Nederlandse goeroes, net als Maurice de Hondt (Wegener) en Francisco van Jole (tot voor kort Planet Internet).

De discoverers worden gekoesterd door de hofhouding van developers, een categorie kenniswerkers die de stellingen van hun leermeester verdedigt en toepassingen ontwikkelt om de nieuwe inzichten binnen de bedrijfstak rendabel te maken. De derde managementschil bestaat uit do'ers, die de directe contacten met klanten onderhouden. Van der Loo: “Vroeger heetten ze vertegenwoordigers, maar in de nieuwe wereld krijgen ze bij binnenkomst een auto onder hun kont en een portable. Hup, de A2 op.”

Digitale nomaden

De kenniswerker is bijzonder mobiel. Hij werkt gemiddeld een of twee dagen thuis, stalt zijn elektronische uitrusting (laptop, mobiele telefoon, elektronische zakagenda) uit in een rustige hoek en gaat tikken. Als hij zowel op kantoor als thuis werkt, wordt hij door de Nederlandse afdeling van het automatiseringsonderzoeksbureau IDC tot de 138.000 formele tele-thuiswerkers gerekend. Werkt hij op wisselende locaties, dan hoort hij tot de 366.000 mobiele werkers. Managementgoeroes speculeren over de komst van de digitale nomade, de werknemer die met behulp van informatie- en telecommunicatietechnologie vanaf elke plaats en op elk moment de benodigde informatie kan vergaren. Futuroloog Paul Ostendorf spreekt van de volledige ontkoppeling van tijd, ruimte en arbeid. “De werknemer bepaalt zelf hoe, wanneer en waar hij werkt. Als hij zich die levensstijl gemakkelijk eigen maakt, maakt hij razendsnel carrière. Een beginner kan hier jaarlijks dertig procent opslag krijgen. In de hogere echelons stijgt een salaris hooguit nog vijf procent per jaar.”

Volgens Gerda Casimir, als huishoudkundige betrokken bij het IDC-onderzoek, is de gemiddelde Nederlander nu al zo gewend aan de modularisering van het dagelijks leven, dat we weinig moeite zullen hebben met een bestaan als digitale nomade. Veertig procent van de Nederlandse huishoudens beschikt inmiddels over een personal computer. “Vroeger ontleende je je sociale status aan de wijk waarin je woonde, de school waarop de kinderen zaten en de vereniging waarvan je lid was. Het leven was overzichtelijk en constant. Nu is het openbare leven binnengedrongen in het privéleven. De kenniswerker zit de ene dag achter zijn bureau op kantoor tussen de familiekiekjes en plugt de volgende dag zijn laptop in het stopcontact van een hotelkamer.”

Het prettigst vindt de mobiele werker dat hij zelf zijn tijd kan indelen. Hij spendeert meer tijd aan zijn gezin - ziet zijn kinderen ook eens buiten quality time - hij verliest minder tijd in de spitsuren en levert doorgaans een hogere productie. Mits hij gedisciplineerd - volgens de kantooruren - werkt. Hij zou echter nooit full time thuis willen werken, omdat hij het creatieve debat met zijn collega's mist. Noodgedwongen thuiswerkers (freelancers) zijn wel eens bang interessante opdrachten mis te lopen omdat ze niet op het juiste moment in het vizier zijn van hun opdrachtgever. Enkele bij het onderzoek betrokken bedrijven zijn om die reden een wekelijkse vrijdagmiddagborrel gaan organiseren.

Gerda Casimir interviewde vorig jaar tientallen mobiele kenniswerkers en kwam tot de conclusie dat mannen meer baat hebben bij thuis werken dan vrouwen. Ze sluiten zich af voor hun omgeving, terwijl vrouwen geneigd zijn huishoudelijke klussen te verrichten. Moeders draaien vaker op voor de verzorging van zieke kinderen en doen in hun lunchpauze de (af)was. “Hun mannen laten rustig een takenlijstje achter. 'Haal je even mijn pak op bij de stomerij?', 'laat je de honden even uit?'. Vrouwen blijken het zelf vaak ook heerlijk te vinden om hun kinderen tussen de middag van school te halen.”

Thuiswerkers föhnen hun haar niet, tutten zich niet op en hoeven geen stropdas te strikken. Ze boeken een behoorlijke tijdwinst op hun lichamelijke verzorging, ten gunste van de arbeidsproductiviteit. Casimir ziet echter het schrikbeeld van de onzichtbare verslonzing opdoemen. Hele families in pyjama achter de computer. “Het uiterlijk heeft een sociale functie. Daarom moeten werknemers regelmatig in het openbaar verschijnen. Ze functioneren beter in een werkcultuur waarin ze gewaardeerd worden om hun nieuwe pak of haarcoupe.”

Ratelbandmolen

Zolang het om jonge kenniswerkers gaat, zegt socioloog Hans van der Loo, zijn de effecten van de modularisering en het digitale nomadenbestaan niet zo dramatisch. Zij kicken op de dynamiek en een beter resultaat. “Maar in elke enquête keert dezelfde klacht terug: stress. Veertigers zitten regelmatig twee maanden thuis om bij te komen. Het lijkt wel of we in een soort ratelbandmolen zitten en de hele dag tegen elkaar roepen hoe fantastisch het gaat en hoe goed we bezig zijn. Er hoeft maar dít te gebeuren en we gaan met zijn allen tegen de vlakte.”

Volgens Van der Loo zijn ondernemingen in hoog tempo mensen aan het verslinden. Niet alleen de verbruiksduur van producten vermindert, ook die van mensen. Mannen tussen de 35 en 48 jaar leveren steeds meer vrije tijd in, blijkt uit de statistieken van het Sociaal en Cultureel Planbureau. “En als zo'n hoogopgeleide organisatie-adviseur total loss is, wordt hij drie dagen op reis gestuurd naar een exotisch eiland. Dan kan hij er weer even tegenaan. De kenniswerker gaat surfend door het leven, want werken is leuk, leerzaam en gezellig. Het is een cultureel ideaal geworden.”

Slechts acht procent van de Nederlandse beroepsbevolking (6,6 miljoen mensen) verricht nog fysieke arbeid. Honderd jaar geleden was dat nog vijftig procent. Desondanks is futuroloog Paul Ostendorf bezorgd over de kloof die ontstaat tussen de hoog- en laaggeschoolden. Het onderscheid dat bestond tussen de haves en de have nots was nog te ondervangen door de heffing van inkomensevenredige belasting. Nu voorziet hij een splitsing tussen de knows en de know nots. De waardering voor - digitale - kennis en ervaring is enorm toegenomen. Iemand die daar weinig van bezit, kan echter niet gecompenseerd worden. “Kennis kun je niet afpakken en naar andermans hoofd transformeren. Alleen als je vanaf de basisschool ontvankelijk bent gemaakt voor levenslang leren, kun je tot de knows van de toekomst gaan behoren.”

Minister Ritzen (onderwijs) beloofde in april van dit jaar 275 duizend computers aan twaalfduizend basis- en middelbare scholen. Samen moeten die computers een landelijk netwerk vormen dat de leerlingen toegang geeft tot Internet. Gisteren maakten installatiebedrijven bekend dat het net grote kans loopt te mislukken, omdat de overheid er te weinig geld voor uittrekt.

Ostendorf: “De discussie beperkt zich tot welke computer dat moet worden, terwijl het echte probleem is: wie gaat die kinderen inwijden in het digitale leven? De gemiddelde IT-kennis van leerkrachten kan op de achterkant van een postzegel. Die kinderen weten vaak beter hoe ze zo'n apparaat moeten bedienen.”

Het traditionele onderwijs is in zijn ogen veel te analytisch. Scholieren hoeven de maatschappij niet te begrijpen, ze hoeven niet te leren waarom een klok tikt of hoe een plastic bekertje wordt gemaakt. Ze moeten bekend worden gemaakt met de synthese. Hoe combineer ik al bestaande kennis snel tot een nieuw inzicht? De kenniswerkers van de volgende eeuw moeten de methodologie nu al beheersen om niet met een hopeloze achterstand op de arbeidsmarkt te komen.''