Toverhanden en flexibele polsen

Het Nederlandse volleybal heeft veel te danken aan de magische handen van Peter Blangé. Hij kan er dingen mee doen die andere spelverdelers niet kunnen. “Wat mij betreft kunnen alle instructieboekjes de prullenbak in.”

EINDHOVEN, 13 SEPT. Peter Blangé kijkt naar zijn handen en zegt: “Het lijkt wel of ze zijn gemaakt om dat balletje lekker te strelen.” De 'toverhanden' van de spelverdeler van Nederland zijn beroemd in het volleybal. Ze zien er heel normaal uit, maar hij kan er bijzondere dingen mee doen. “Toen ik Blangé voor het eerst meemaakte, dacht ik bij sommige ballen: die krijgt hij nooit meer achterover”, zegt bondscoach Toon Gerbrands. “En dan lukte het hem toch. Ongelooflijk!”

De snelle bal achterover is dé specialiteit van Blangé. De 32-jarige aanvoerder van het Nederlands team, dat vanmiddag in de halve finale van het EK tegen Italië speelt, is zo snel door zijn handen en vooral zijn polsen. Gerbrands: “Het is ongelooflijk hoe ver hij zijn polsen naar achteren kan drukken. Ik kan het niet. Niemand kan dat!”

Volgens Blangé is hij geboren met flexibele polsen. “Vroeger op school won ik altijd met handje-drukken omdat ik mijn tegenstanders eerst met mijn pols naar beneden drukte en het daarna met mijn arm afmaakte. Ik heb heel dunne polsen, net zoals ik voor iemand van mijn lengte kleine handen heb. Als ik mijn handen in die van Jan Posthuma zou leggen, verdwijnen ze volledig.”

Blangé is voor een spelverdeler opvallend lang (2,05 meter). Door zijn lengte en zijn bijzondere techniek is hij een volleyballer van wereldniveau. Hij is misschien wel de beste in zijn soort. Niemand kan sneller spelen dan Blangé. Hij zet de tegenstanders vaak op het verkeerde been. “Dat komt omdat ik de ballen niet vanuit mijn armen aangeef, zoals het in de instructieboekjes staat, maar alleen vanuit mijn polsen. Daar win ik tijd mee.” Aanvallers die nog nooit eerder met Blangé hebben gespeeld, moeten wennen aan zijn ballen. Richard Schuil, dit seizoen voor eerst basisspeler bij Nederland: “Het tempo ligt soms zó hoog dat je in het begin iets hebt van: wat gebeurt hier?”

Spelverdeler Blangé vertelt slechts drie vingers per hand te gebruiken: wijsvinger, middelvinger en duim. “Ik draai veel met mijn duimen. Daar geef ik de richting mee aan. Die techniek heb ik zelf ontwikkeld. Hoewel Jan Clardeij vroeger bij Starlift ook een heel zuivere bal kon geven. Ik houd de bal soms redelijk lang vast. Dat is dan op de grens. Toch word ik nooit afgefloten. Maar ik geef toe dat het weleens in de buurt van gooi- en smijtwerk komt.”

Zoals elke jonge volleyballer wilde Blangé de ballen vroeger lekker smashen. Hij was van oorsprong aanvaller. “Ik vond het heerlijk een goede dreun tegen die bal te geven. Ik had op rechts-voor ook best een aardige klap. Maar voor een aanvaller had ik een te slap bovenlichaam. Ik speelde bij Starlift altijd met ouderen. Dus moest je de vervelende klusjes doen. 'Ga jij die ballen maar opzetten', zeiden ze dan tegen mij. Tijdens wedstrijden begon ik achter in het veld op te zetten. Dat was in de tijd dat er nog met twee spelverdelers werd gespeeld. Als ik dan voorin stond, kon ik gewoon aanvallen. Ik werd pas in 1985 een pure spelverdeler. Dat was in het begin best moeilijk.”

De laatste jaren voelt Blangé geen drang meer om de bal een lekkere lel te geven. “Mijn tijd is wat dat betreft geweest. Ik heb ook het idee dat mijn schouder op de grond zal vallen als ik nog eens een bal zou moeten slaan.” Hij vindt zijn voldoening tegenwoordig in een goed lopende aanval of door een bal subtiel over het net te tikken, een andere specialiteit van Blangé.“Maar het geeft vooral een kick om een onmogelijke bal toch nog bij de aanvaller te krijgen. Hoe moeilijker de bal, hoe leuker. Ze moeten ook niet roepen dat ik iets niet kan met de bal. Dat is mijn uitdaging. Ik leer nog steeds. Ik stop pas als alle boeken over volleybal de prullenbak in kunnen.”

Blangé heeft zijn handen niet speciaal laten verzekeren. “Ik ben voor mijn hele lichaam verzekerd, bij Lloyd's. Een gewone sportverzekering. Want als je ernstig geblesseerd raakt en niet meer kunt volleyballen, maakt het niet uit of het je handen, knieën of voeten zijn. Elke schakel die uitvalt, is funest”, zegt hij. Volleyballers hebben verrassend genoeg niet zo vaak problemen met hun handen. “Knieën en enkels lopen meer gevaar”, zegt Blangé. “Zware blessures komen trouwens niet vaak voor in het volleybal. Er is geen sprake van lichamelijk contact. Zo'n geval met Brecht Rodenburg die zijn been brak, is een extreem geval.”

Volgens Blangé kunnen zijn handen tegen een stootje. “Ik speel honderden ballen per dag en dan veren de banden en pezen lekker mee. Natuurlijk heb ik wel eens een nagel in tweeën gehad. Wie van ons niet? En er is ook weleens, in mijn tijd bij Parma, een vinger uit de kom geschoten. Die schoot toen meteen weer terug. Dat deed behoorlijk pijn, maar ik heb de tanden op elkaar gedaan en doorgespeeld.”

Hij zal zijn handen na een wedstrijd nooit belonen voor gedane arbeid. Hij zal ze nooit liefdevol in een emmer ijs leggen of insmeren met een crème. En hij zal zeker niet naar een manicure gaan. Peter Blangé moet er om lachen. “Ben je gek! Ik kan echt mijn eigen nagels nog wel knippen, hoor.”