Stilhangen, wenden en versnellen; Eindelijk een nederlandse veldgids libellen

Veldgids Libellen, Frank Bos en Marcel Wasscher, KNNV Uitgeverij (030-2333544), ISBN 90-5011-101-7, ƒ 49,95 (ƒ 42,95 voor leden van de KNNV, IVN en de Vlinderstichting).

'HIJ HAD VAN DIE prachtige, knalblauwe ogen. En dan die zijkant van z'n borst, zo mooi groen. De eerste keer dat ik hem zag, bij Hoek van Holland, vergeet ik nooit. Hij was veel mooier dan op de foto's die ik gezien had.' Frank Bos praat bevlogen over zijn eerste kennismaking met de Zuidelijke glazenmaker (Aeshna affinis), een van de bijna zeventig libellensoorten die Nederland rijk is. Al deze soorten staan opgesomd in de deze week verschenen Veldgids Libellen. Bos verzorgde de eindredacie, samen met Marcel Wasscher.

Het was tijd voor een nieuwe libellengids, meent Bos. “Liefhebbers moesten het tot nu toe doen met nogal onduidelijke gegevens. Ze liepen nog steeds rond met de tabellen die de entomoloog Lieftinck in 1925 opstelde. Er is eind jaren zeventig in Duitsland weliswaar een fotogidsje verschenen, maar veel mensen vinden het onprettig om te determineren aan de hand van een vreemde taal”, zegt Bos die zichzelf een allrounder noemt. Hij is een fervent vogelaar en plantenkenner, maar libellen staan toch boven aan de lijst. “Het zijn zulke vliegkunstenaars. Zweven, stilhangen, cirkelen, achteruit vliegen en op onbegrijpelijke wijze wenden en versnellen. Ze jagen in de lucht, eten in de lucht en copuleren zelfs in de lucht.”

De veldgids begint met algemene informatie over onder andere lichaamsbouw, levenscyclus en biotoop van libellen. Libellen bevolken de aarde al vele miljoenen jaren. De oudste fossielen zijn zo'n 275 miljoen jaar oud. Op het moment zijn er wereldwijd 6.000 soorten libellen. Europa telt er 140. De Europese libellenfauna bestaat hoofdzakelijk uit soorten die na de laatste ijstijd uit Afrika en Azië migreerden.

Het hoofdstukje over bedreigingen stemt somber. De libellen zijn de laatste decennia hard in aantal achteruit gegaan. De veldgids somt 70 soorten op die in Nederland voorkomen. Maar daarvan zijn er inmiddels 8 uitgestorven, 7 ernstig bedreigd, 4 bedreigd en 16 min of meer kwetsbaar. Bos: “Dat aantal uitgestorven soorten kan trouwens snel veranderen. Door de warme zomers van de laatste jaren zie je sommige soorten weer oprukken vanuit bijvoorbeeld Midden-Duitsland. De Zuidelijke oeverlibel is daarvan een voorbeeld.”

ROOFVIJANDEN

De achteruitgang is vooral te wijten aan veranderingen in het milieu, met name het water. Daar zetten de libellen hun eieren af en groeien de larven op. Verzuring, verdroging, het uitzetten van vissen (de belangrijkste roofvijanden van libellen), eutrofiëring en kanalisatie van meanderende beekjes zijn allemaal oorzaken van achteruitgang. Libellen zijn inmiddels erkend als belangrijke indicatoren van de waterkwaliteit.

Na de algemene inleiding volgen, vaak prachtige, kleurenfoto's van de in Nederland (en nog een handjevol in Zuid-Europa) voorkomende libellensoorten. Libellen, ofwel de orde der Odonata, laten zich makkelijk verdelen in de twee onderorden, de juffers en de echte libellen. Een blik op ogen en achterlijf is daarvoor voldoende. Juffers (ook wel gelijkvleugeligen of Zygoptera) hebben de ogen ver uit elkaarstaan, aan de zijkant van hun kop. Bij echte libellen (ongelijkvleugeligen of Anisoptera) zitten de ogen vaak tegen elkaar aan. Bovendien hebben juffers een beduidend slanker achterlijf, vergeleken met echte libellen. Als juffers op een tak rusten, houden ze de vleugels meestal tegen het achterlijf, echte libellen houden hun vleugels in rust meestal horizontaal uitgespreid.

Libellen benoemen is volgens Bos snel geleerd. “Beekjuffers herken je bijvoorbeeld aan hun gekleurde vleugels, Breedscheenjuffers hebben opvallend licht gekleurde poten. Je hebt het snel door, als je maar de kans krijgt om die prachtige insecten een tijdje te bekijken.”