Partenheimer gebruikt zelden groen

Tentoonstelling: Jürgen Partenheimer: Cantos. Stedelijk Museum, Paulus Potterstraat 13, Amsterdam. T/m 19 oktober. Ander werk van Partenheimer in Galerie Onrust, Planciusstraat 9b, Amsterdam.

Niemand heeft ooit een hekel aan het muurbloempje. Daar is ook geen reden toe: meestal zit ze rustig in een hoekje, terwijl de anderen op het feest dansen en lonken. Als ze al opvalt is het door haar kleren die iets te ouwelijk zijn en doordat ze voor zich uitstaart met een blik die duidelijk maakt dat ze liever ergens anders zou zijn. Wie langer naar haar kijkt, kan een wereld van romantische gedachten in haar hoofd vermoeden, over muziek en poëzie en literatuur - maar dan lokken die meiden op de dansvloer alweer.

Wie dezer dagen de tentoonstelling van Jürgen Partenheimer (1947) in het Amsterdamse Stedelijk wil bezoeken, wordt na het beklimmen van de trap onmiddellijk weer weggelokt. Door de deuren, als in een enfilade, flikkert in de verte Bruce Naumans veelkleurige neon-installatie Seven Figures. En of je dat werk nu mooi vindt of niet: je móét er naartoe en dan wordt je al snel het World Wide Video-festival ingetrokken - naar de knipperende televisieschermen van Gary Hill, naar het dobberende bootje van Douglas Gordon en voor je het weet duurt het wel een uur voordat je Partenheimer terugvindt.

Toch heeft het Stedelijk voor de Duitse kunstenaar de ere-zaal gereserveerd, maar erg toepasselijk is dat niet. Partenheimer lijkt zich weinig thuis te voelen in deze grote, open ruimte, al is het maar omdat zijn werk in alles het tegenovergestelde is van groots en meeslepend. Zijn schilderijen zijn klein, subtiel en abstract, typische kunst-over-kunst ook, met referenties naar het modernisme, naar Brice Marden en Robert Ryman. Maar waar bijvoorbeeld Rymans schilderijen door hun witte eenvormigheid iets manisch en bedreigends krijgen, blijft Partenheimer steken in lievige schilderijen die over 'de rand' gaan, over gelaagdheid, over de manier waarop kleuren op elkaar kunnen inwerken of over reductie - de kleur groen is in een stuk of vijftig schilderijen maar één keer te vinden.

Zoals je van een dromer als Partenheimer mag verwachten schuilt er natuurlijk meer achter - hij heeft de tentoonstelling niet voor niets Canto's genoemd. Dat slaat mede op een 'denkbeeldige dialoog' die Partenheimer aangaat met Wolfgang Rihm, de Duitse componist die het stuk De Coloribus componeerde op basis van Partenheimers serie 'Farbgedichte'. Partenheimer mag zijn kleuren ook graag met klanken vergelijken, en bovendien vertoont hij een hang naar literatuur - hij schrijft zelf ook gedichten. Maar wat je daarvan in zijn beeldende werk terugziet wordt op deze tentoonstelling niet erg duidelijk, als je de titel tenminste buiten beschouwing laat.

Toch levert Partenheimers priegelarij soms een spannend schilderij op, zoals een van de werken uit de Canto's I-serie: een groot wolkengrijs oppervlak, waar aarzelend rood onderdoor schemert, met daarop vier diepblauwe sneden. Een mooi schilderij is het, dat tegelijk aan Yves Klein en Lucio Fontana doet denken, en dat zo verleidelijk en lekker is dat je daar weer achterdochtig van wordt - de term Schönmalerei dringt zich onweerstaanbaar op.

Wat blijft is de vraag wat het Stedelijk heeft bewogen om Partenheimer in zo'n ongemakkelijke positie te manoeuvreren. Want juist door zijn misplaatstheid krijgt de keuze voor Canto's iets van een Fuchsiaans statement: we geven het grootste deel van de verdieping weliswaar aan de videokunst, maar de belangrijkste plek, de ere-zaal, gaat gewoon naar een schilder.

Met Lüpertz of Baselitz kun je met zo'n houding nog een eind komen, maar Partenheimer is er meer kwaad dan goed mee gedaan. Zijn werk is een en al oprechtheid, in z'n kleinheid, in z'n niet-met-de-deuren-slaan mentaliteit, maar in het Stedelijk ziet het eruit alsof het muurbloempje plotseling in een enorme spotlight is komen te staan. En daar kan het niet tegen. Partenheimers schilderijen worstelen en verzuipen en dat valt de kunstenaar nauwelijks kwalijk te nemen. Het is vooral zielig.