Onthullingen luiden 'Winniegate' in; De koningin van Afrika

De aanwijzingen over de moorddadige inslag van Winnie Mandela stapelen zich op. Eind deze maand moet ze verschijnen voor de Zuid-Afrikaanse Waarheids- en verzoeningscommissie om te getuigen in de zaak van de verdwenen en gedode kinderen. Als aanvoerder van de Mandela United Football Club zou ze onder meer eind jaren tachtig medeplichtig zijn geweest aan tientallen 'halsbandmoorden'. Hoe de moeder der natie in haar strijd tegen de blanke regering veranderde in een moordenares.

In Soweto staat een huis. En in dat huis daar woont een vrouw. Ze noemt zichzelf 'de moeder van de natie', anderen noemen haar 'de moordenares van de natie'. Haar naam is Nomzamo Winnifred Madikizela, beter bekend als Winnie Mandela, ex-echtgenote van president Nelson Mandela. Nomzamo betekent 'zij die wordt beproefd'. De beproevingen zijn zwaar dezer dagen voor de 62-jarige Winnie. Deze week verscheen een boek dat een vernietigend oordeel velt over haar handel en wandel in de jaren tachtig. Er gebeurden mysterieuze dingen in die dagen, dingen die nu stukje bij beetje aan het licht komen. Zuid-Afrika heeft zijn 'Winniegate'.

Tussen de goudmijnen ten zuidwesten van Johannesburg ligt Soweto (de South-Western Townships), een cluster van zwarte woonwijken, met ruim een miljoen inwoners. Er zijn kampen met alleen maar hutjes en krotten, straten met keurige kleine duplexwoninkjes, maar er zijn ook villabuurten, zoals het heuvelachtige Orlando West, plaatselijk spottend 'Beverly Hills' genoemd. Op nummer 11884 Maseli Street staat het riante landhuis van Winnie Mandela, omgeven door hekken afgezet met prikkeldraad en bewaakt door camera's. De bungalow is van alle gemakken voorzien. Vanaf een heuvel erboven kan men het buitenzwembad zien liggen. Deze locatie was eind jaren tachtig een van de uitvalsbases van de Mandela United Football Club, Winnie's persoonlijke bende van vigilantes. Hier werd gemarteld en gemoord, hier bracht Winnie lange nachten door met haar vele geliefden.

Die gegevens treft men niet aan in Soweto, waar krampachtig het beeld van de heldin Winnie in leven wordt gehouden. In de Vilikazistraat staat het huis dat sinds hun huwelijk in 1958 eigendom was van Winnie en Nelson Mandela. Na hun scheiding in 1992 schonk Nelson de woning aan zijn ex, die er een klein 'Winnie-museum' van heeft gemaakt. Men kan er onder meer stopflesjes aarde kopen, voor vijftig rand (22 gulden), met het opschrift 'heldengrond'. Volgens haar medewerkers gaat de opbrengst naar 'de kinderen van Soweto'. “Laat me niet lachen', schampert een man buiten de toegangspoort van het huis, “ze steekt het in haar eigen zak.” Een bijpassend certificaat 'garandeert' de echtheid van de aarde en steekt de loftrompet over Winnie. “Vanuit dit huis leidde zij de verzetsstrijd die uiteindelijk het hele land bevrijdde. In haar eigen woorden: 'dit is waar alles gebeurde', zo staat er ondermeer. Wàt gebeurde hier?

In Soweto stichtte Winnie Mandela begin jaren zestig haar eigen koninkrijkje. Ze was de vrouw van de man die zou uitgroeien tot de meest beroemde politieke gevangene ter wereld: Nelson Mandela. Na de veroordeling van Nelson tot levenslang, in 1963, wegens hoogverraad van de apartheid, was ze overgeleverd aan het leven met hun beider dochters Zenani en Zinzi in Orlando West. Winnie, net als Nelson geboren uit de trotse, koppige Xhosa-stam, stortte zich volop in de strijd tegen de apartheid, zat regelmatig achter de tralies wegens overtreding van de pasjeswet en andere beperkingen voor niet-blanken. Een van haar vriendinnen beeldde na de zoveelste arrestatie het fenomeen Winnie ten voeten uit met de zinsnede: “Winnie schreed op de gevangenis af als de koningin van Afrika”.

De autoriteiten zagen in haar een van de belangrijkste aanstichters van de scholierenopstand in Soweto van 1976 en besloten tot een binnenlandse verbanning. Winnie werd een jaar later gedeporteerd naar het Boerenstadje Brandfort op 300 kilometer afstand van Johannesburg. 'Mijn klein Siberië', noemde ze het zelf. Daar, in het hart van Oranjevrijstaat, te midden van conservatieve Afrikaners, was het gevaar Winnie bezworen, zo redeneerde het blanke minderheidsbewind. Dat was aan grote misrekening.

Vanuit de township bij Brandfort waar ze acht jaar moest wonen, bouwde ze met gedurfde acties gestaag aan haar status van 'levende martelaar van de zwarte bevrijdingsstrijd'. Ze walste tot verbijstering van de Boereninwoners van het stadje blanke winkels binnen en ging in 'blanke rijen' van het postkantoor staan, trok zich niets aan van uitgaansverboden, leerde de zwarte kinderen de 'black-power-groet'. Winnie werd even beroemd zo niet beroemder dan echtgenoot Nelson, met dit verschil dat zij (in beperkte mate) buitenlandse gasten mocht ontvangen en via hen de wereld kond deed van haar saga.

In 1985 mocht Winnie terugkeren naar haar huis in Soweto nadat een rechtbank haar banning order nietig had verklaard. De cesuur in het leven van Winnie Mandela ligt hier. Tijdens haar afwezigheid had de oppositie tegen de apartheid bepaald niet stilgestaan. Honderden actiegroepen hadden gezamenlijk het Verenigd Democratisch Front (UDF) opgericht, een soort surrogaat voor het verboden ANC. Winnie, die zichzelf zag als de 'First Lady' was in de besluitvorming over de nieuwe politieke formatie niet gekend en voelde zich gegriefd. Ze riep haar eigen organisatie in het leven, onder de illustere naam Mandela United Football Club.

De leden van de voetbalclub, die opereerden als haar persoonlijke lijfwachten, recruteerde ze onder straatjongeren in Soweto. Hoewel de jongens en een enkele meid glimmende trainingspakken droegen, in goud, groen en zwarte, de kleuren van het ANC was het trappen van een balletje er niet bij, de echte sport was het geweld. De 'voetballers' (nooit meer dan een paar dozijn) werden door Winnie onderwezen in de leer van de agressie. Niet alleen de blanke regering moest worden bestreden, ook de 'vijand' binnenin.

Een gruwelijk fenomeen deed zijn intrede in de zwarte townships: de halsbandmoord. Een ieder die ervan werd verdacht banden te hebben met het apartheidsbewind liep het gevaar een autoband gevuld met benzine om zich heen geworpen te krijgen, waarna deze in brand werd gestoken. In de loop van de jaren tachtig kwamen enige honderden door deze vorm van lynchen om het leven. De vermoedens die toen al bestonden, werden dit jaar tijdens hoorzittingen van de Waarheids-en Verzoeningscommissie bevestigd: de executies hadden plaats in een sfeer van volstrekte willekeur. Tegen veel slachtoffers bestond slechts een vage verdenking; verscheidene van hen waren zelfs volkomen onschuldig, maar stierven als gevolg van vetes.

Winnie Mandela was in die dagen een warm pleitbezorger van de halsbandmoord. Op een rally in 1986 zei ze: “Wij hebben geen geweren. Wij hebben alleen stenen, doosjes met lucifers en benzine. Samen, hand in hand, met onze lucifers en onze halsbanden zullen we ons land bevrijden.”

Wat Winnie naar buiten toe propageerde bracht ze in haar voetbalclub in praktijk: de terreur tegen 'verdachte elementen'.

Zweep

Katiza Cebekhulu, een Zoeloe van 18 jaar, sloot zich in de winter (juli) van 1988 aan bij Mandela United. En het was hij die deze week in het door de Britse journalist Fred Bridgland geschreven boek Katiza's journey, beneath the surface of South Africa's shame een tijdbom liet afgaan. In november 1988 was Katiza betrokken bij de 'arrestatie' van Lolo Sono, lid van de voetbalclub. Hij en andere 'voetballers' sloegen op last van Winnie Lolo in elkaar, zelf hanteerde ze de sjambok (zweep). De 21-jarige Lolo was 'ontmaskerd' als een politiespion en zou 'zijn verdiende straf' niet ontlopen. Lolo 'bekende' dat er in het huis van zijn ouders een document lag waaruit zijn werk voor de politie zou blijken. “Mevrouw Mandela nam Lolo in een minibusje mee naar zijn ouderlijk huis. Ik ging mee. Lolo's vader smeekte Winnie zijn zoon te laten gaan en zei dat er geen documenten waren. Maar Winnie zei: 'Nee, de beweging zal besluiten wat we met hem zullen doen'. We gingen terug naar Winnie's huis. Omdat er geen bewijsstukken voor Lolo's schuld waren gevonden, gaf Winnie de opdracht hem te doden. 'Breng hem weg' was haar commando. Hij is nooit weer gezien”, aldus de verklaring van Katiza. Een ander lid van de voetbalclub, Sibosino Shabalala onderging hetzelfde lot. De ouders van Lolo Sono bevestigden deze week de lezing van Katiza Cebekhulu. De moeder van Sibosino gaf Winnie nog het voordeel van de twijfel: “De duivel nam bezit van Winnie's hart. Ik wil dat ze ons als vrouw, als moeder uitlegt wat er is gebeurd. Wij zijn ook vrouwen. Ze moet ons vertellen of ze het met opzet heeft gedaan of dat het niet haar bedoeling was. Ik geloof nog steeds dat het niet haar bedoeling was.” Maar de moeder van Lolo zei bitter: “Ik weet dat mijn zoon dood is. Ik wil weten waar zijn beenderen zijn, zodat we hem fatsoenlijk kunnen begraven en zijn geest bij ons zal zijn. En Winnie moet haar excuses maken. Ze is niet de moeder van de natie, ze is de moordenares van de natie.”

Paul Verryn diende eind jaren tachtig als (blanke) dominee in de Methodistische kerk van Johannesburg en Soweto. Hij was een van de weinige geestelijken die het openlijk aandurfde de apartheid te weerstaan. In Soweto had hij vijf gemeentes, waaronder één in Orlando West, vlakbij Winnie Mandela. Winnie moest niets van Verryn hebben, ze zag hem als een concurrent in het winnen van sympathie. Volgens Katiza Cebekhulu beraamde ze daarom een complot om de dominee uit te schakelen. Katiza werd op hem af gestuurd met de opdracht met hem te slapen, waarna Verryn van verkrachting zou worden beschuldigd. Het plan om Verryn te 'verleiden' werd tot in de puntjes uitgevoerd, maar faalde op één punt: de vertrouwensarts van Winnie Mandela, de Indiër Abu-Baker Asvat, weigerde een verklaring af te geven dat Katiza was verkracht, om de simpele reden dat hij daarvoor geen bewijs vond.

Waarheid en verdichtsel liepen daarna samen in een dodelijke lijn, niet voor Paul Verryn, hij overleefde, maar voor dokter Asvat en voor een jong lid van Winnie's 'voetbalclub': Stompie Moeketsi Seipei.

Stompie was een baasje van veertien jaar, dat door Winnie werd ontdekt in de stad Parys, 150 kilometer ten zuiden van Johannesburg. Hij blonk uit in acties tegen de apartheid. Stompie genoot in 1987 de eer te worden opgenomen in Winnie's persoonlijke legertje. Stompie kwam ook wel over de vloer bij Verryn. Op 29 december 1988, de avond nadat Katiza zogenaamd was verkracht door Verryn, kreeg Stompie, die met drie andere jongens in de kerk bij Verryn was geweest, ineens de volle laag van Winnie in haar huis aan de Maselistraat. Katiza gaf hierover de volgende getuigenverklaring: “Winnie zei tegen hen: 'Jullie honden, slapen jullie met die blanke dominee. Laten jullie je door hem neuken, honden?' Ze zeiden van nee, maar Winnie zei dat ze logen. Ze richtte zich tegen mij en zei: 'Vertel hen wat Paul met je heeft gedaan.' Ik was bang, dus ik zei dat Paul Verryn me had verkracht.”

Winnie Mandela beval haar een sjambok te brengen en begon op de vier jongens in te slaan. “Alle leden van de 'voetbalclub' namen deel aan het afranselen van de vier jongens. We zongen strijdliederen, zodat de buren ons niet konden horen.”De aantijging dat Stompie en de anderen 'het' met Paul Verryn hadden gedaan, bleek de inleiding te vormen op Winnie's werkelijke bedoeling: ze beschuldigde Stompie ervan een politiespion te zijn. Stompie werd daarna tot moes geslagen, door Winnie Mandela, Katiza en andere lijfwachten. Hij zou nog twee dagen leven. De volgende dag bezocht Winnie met Katiza de kliniek van Abu-Baker Asvat in de veronderstelling dat de dokter, die per slot van rekening de 'goede zaak' een warm hart was toegedaan, wel een 'verklaring van verkrachting' zou opstellen. Toen Asvat dat weigerde ontstak Winnie in grote toorn en verliet de kliniek. De relatie tussen Asvat en Winnie werd nog ernstiger verstoord toen de arts op Oudejaarsdag '88 bij een routinebezoek aan Winnie's huis het overgebleven hoopje mens Stompie aantrof. Hij drong er bij Winnie (of iemand anders, dat is niet duidelijk) op aan Stompie ogenblikkelijk naar het ziekenhuis te vervoeren.

Dat gebeurde niet, die nacht werd Stompie afgemaakt. Katiza zag het gebeuren: “Winnie had iets scherps in haar hand. Ik weet niet of het een schaar was of een mes. Ze hief haar hand en stak Stompie twee keer. Daarna hielden ze hem in de jacuzzi. Ik geloof dat Stompie toen stierf.”

In september 1990 begon het proces tegen de moordenaars van Stompie. Winnie Mandela kwam met een alibi: ze was al die dagen in Brandfort geweest. De rechter geloofde haar, maar achtte Winnie wel schuldig aan betrokkenheid bij de mishandeling van Stompie. Ze kreeg aanvankelijk 6 jaar cel, wat later werd omgezet in een boete van 15.000 rand. Het hoofd van de Mandela United, Jerry Richardson, had weliswaar jarenlang als politie-informant gewerkt, maar draaide toch voor de moord op en verdween voor lange tijd achter de tralies. Van verscheidene kanten is het alibi van Winnie deze week ontkracht. De meest overtuigende aanwijzing dat Winnie haar afwezigheid verzon, kwam van Albertina Sisulu, de vrouw van Nelson Mandela's boezemvriend, Walter Sisulu - beide mannen zaten meer dan 20 jaar samen gevangen op het Robben Eiland. Albertina was destijds de assistente van dokter Abu-Baker Asvat. Zij herinnerde zich in een op dinsdag uitgezonden televisie-programma dat Winnie Mandela op 30 december 1988 bij Asvat op bezoek kwam. De medische gegevens van dat 'consult' bestaan nog en leveren het ondubbelzinnige bewijs van Winnie's aanwezigheid in die dagen. Het vooraanstaande weekblad Mail & Gardian kwam gisteren met een volgende onthulling: Jerry Richardson werkte in de jaren tachtig voor de politie en ontving op een zeker moment 10.000 rand voor zijn diensten. Het feit dat Winnie er voor de rechtbank zo genadig vanaf kwam, brengt het blad tot de conclusie dat er sprake is van een 'Winniegate'. “Er bestaan sterke aanwijzingen dat er een cover-up was op het allerhoogste niveau en dat er samenwerking bestond tussen Winnie, het ANC en de veiligheidstroepen ten tijde van de apartheid”, aldus het blad.

Ook Katiza Cebekhulu verdacht Winnie van contacten met de politie. Katiza heeft verklaard dat hij op 21 januari 1991 in Soweto werd gearresteerd. Hij ging ervan uit te zullen worden vastgehouden tot het proces van de moord op Stompie, begonnen in 1990, op 4 februari zou worden hervat. In plaats daarvan bracht de politie hem naar het huis van Winnie. “Ik dacht dat ze haar ook zouden aanhouden, maar ze begonnen in het Afrikaans tegen haar te praten en wilden mij toen aan haar uitleveren. Ik kon het niet geloven en verzette me, maar ze trokken me uit de wagen. Ik begreep toen voor het eerst dat Winnie voor de politie werkte.”

Winnie was ook betrokken bij een andere moord. Op 27 januari 1989 werd dokter Abu-Baker Asvat in zijn kliniek in Soweto door 2 jongens doodgeschoten. Roof heette naderhand het motief. Maar volgens Katiza ging het om een regelrechte afrekening, omdat de dokter Winnie had tegengewerkt. Eén van de twee mannen die in 1989 voor de moord werd veroordeeld, Thulani Dlamini, zei vorige week in een vraaggesprek met de Mail & Gardian vanuit de gevangenis in Durban dat Winnie hen destijds voor een bedrag van 20.000 rand had ingehuurd om Asvat te vermoorden. De broer van Asvat, Ebrahim, liet zich deze week voor het eerst uit over de dood van Abu-Baker. Ebrahim verklaarde dat zijn broer hem destijds per telefoon had uitgelegd dat hij bang was, voor Winnie. Van roof was geen sprake, aldus Ebrahim, de moordenaars namen 135 rand mee uit een bureaula, 300 rand die er ook lagen lieten ze liggen. Ook Albertina Sisulu, die in een belendende kamer was ten tijde van de moord op haar baas, zei niet te geloven dat het om roofmoord ging. Kort voor de moord had Winnie de praktijk van dokter Asvat nog bezocht. Winnie Mandela is door de Zuid-Afrikaanse justitie over de moord op Asvat nimmer aan de tand gevoeld.

French lover

Naast haar 'politieke' werkzaamheden had Winnie Mandela een hobby: het bedrijven van de liefde met jonge mannen. “Ik ben de ongetrouwdste getrouwde vrouw ter wereld', zei ze in 1984, in haar waarschijnlijk oprechte verlangen naar echtgenoot Nelson. Na haar terugkeer in Soweto, een jaar later, sloeg ze de advocaat Dali Mpofu, die de helft jonger was dan zij, aan de haak. De vriendin van Mpofu op dat moment, Teresa Oakley-Smith, een docent aan de Universiteit van Witwatersrand, werd blijkens haar eigen verklaring door Winnie bedreigd.

Winnie had eind jaren tachtig ook een affaire met de Fransman Alain Guenon, 'my French lover' noemde ze hem. De geheimzinnige figuur Guenon werkte volgens berichten in de Franse pers eerst voor het apartheidsbewind, maar schakelde daarna net zo makkelijk over naar het andere kamp. Via Guenon verkreeg Winnie Mandela grote hoeveelheden geld, afkomstig uit Parijs. Officieel was dit geld bedoeld voor de 'beweging', maar Winnie benutte het om haar dure levensstijl te bekostigen. In maart 1990 kreeg Winnie voor het laatst geld van Guenon: 200.000 Franse francs (66.000 gulden).

De bewijzen dat Winnie buitenlandse hulp voor eigen doeleinden gebruikte, hadden eerder al letterlijk op straat gelegen; op 28 juli 1988 brandde het kleinste van haar twee huizen in Soweto af. Een bende van de Daliwonga High School, die een vete had met 'Mandela United' was er voor verantwoordelijk. En als dat al niet pijnlijk genoeg was (zwarte groeperingen die elkaar bevochten paste niet in het beeld van 'rechtvaardige strijd' tegen de apartheid) ontdekte Albertina Sisulu tussen de smeulende resten talloze cheques van buitenlandse liefdadigheidsinstellingen.

Op 11 februari 1990 kwam Nelson Mandela vrij, na een gevangenschap van meer dan 27 jaar, waarvan het grootste deel op het Robben Eiland voor de kust van Kaapstad. Mandela was in de gevangenis niet op de hoogte gehouden van de praktijken van zijn vrouw. Wie had dat moeten doen? De enige regelmatige bezoeker die hij in de gevangenis over de vloer kreeg, was Winnie zelf.

De oude man - 71 op het moment van vrijlating - schrok zich wezenloos. Winnie had er politiek, financieel en privé een potje van gemaakt. Hij kwam al snel achter de affaires, liet haar uitgaven nauwgezet controleren en kapittelde haar op politiek terrein. De Mandela United liet hij een zachte dood sterven. Maar Nelson Mandela bleef haar nog trouw. Toen het echtpaar eerst van tafel en bed scheidde en daarna, op 13 april 1992, definitief uit elkaar ging, zei Mandela dat hij “blind” was geweest voor bepaalde dingen.

Van Nelson Mandela, die in 1994 het presidentschap op zich nam, is altijd aangenomen dat hij ondanks het feit dat hij Winnie in bescherming nam tegen het kwaad van buiten, de waarheid over zijn (ex-) vrouw geen geweld aan zou doen. Maar ook daar rees deze week twijfel over. In het boek van Bridgland staat dat Mandela in 1991, toen hij nog ANC-voorman was, er voor heeft gezorgd dat Katiza Cebekhulu bij kop en kont werd gepakt om na een kriskras tocht door Afrika in de gevangenis in Zambia te belanden. Katiza zou bij het proces over Stompie een belangrijke getuige tegen Winnie kunnen zijn.

Nelson Mandela benaderde zijn 'goede vriend', president Kenneth Kaunda, met de vraag of hij Katiza zou kunnen opsluiten. Volgens een verklaring van Kaunda in het boek, en hij bevestigde dat tijdens een deze week uitgezonden televisie-documentaire, stelde hij verder geen vragen en ging op het verzoek in. Katiza zat tot 1994 in Zambia gevangen. Door tussenkomst van het Britse Hogerhuislid Emma Nicholson kwam hij vrij. Sindsdien verblijft Katiza in buitenlandse ballingschap, eerst in Sierra Leone, momenteel in Groot-Brittannië. President Mandela ontkende begin deze week dat hij ook maar iets van de zaak Katiza afweet. “Ik lees het boek', zei hij donderdag.

Winnie zou Winnie niet zijn als ze niet op furieuze wijze de jongste beschuldigingen aan haar adres van de hand zou wijzen. Dinsdag gaf ze een persconferentie in het ANC-hoofdkwartier: het Shell House in het centrum van Johannesburg, geflankeerd door Matthews Phosa, hoofd van de juridische afdeling van de partij.

Daar zat ze dan: ontkroesd haar, modieuze bril, behangen met gouden sieraden en in een stijlvol mantelpakje. Ze las een verklaring voor waarin vooral de pers de schuld kreeg: “Ik heb op pijnlijke wijze moeten aanschouwen hoe de media mijn persoon door het slijk hebben gehaald. Mijn naam is als vuilnis verspreid over het land. Wanneer krijg ik mijn verdiende respect.” Maar ook vrienden kregen een veeg uit de pan. “Ik ben verbijsterd door de dodelijke stilte van vrienden die slechts met sadistisch plezier staan te kijken.” Winnie had een ijzersterke manoeuvre achter de hand: ze troonde Paul Erasmus, een voormalig lid van de blanke veiligheidsdienst mee naar het Shell House. Erasmus wist te melden dat hij en anderen eind jaren tachtig in opdracht van de regering bewust valse informatie verspreidden over Winnie Mandela.

Over een kleine twee weken, op 25 en 26 september (haar 63ste verjaardag), moet Winnie verschijnen voor de Waarheids- en Verzoeningscommissie, die al enige tijd bezig is met het onderzoeken van de praktijken van haar Mandela United Football Club. De commissie maakte deze week ook de weg vrij voor de komst van Katiza Cebekhulu om te getuigen; het tegen hem gerichte arrestatiebevel van de Zuid-Afrikaanse justitie is opgeschort.

Zijn de jongste onthullingen over Winnie de nagel in haar politieke doodskist? Of zal ze zich tijdens de zitting van de Waarheidscommissie er opnieuw uit weten te praten? Dat laatste is niet uitgesloten. Winnie Madikizela Mandela is een overlever en een straatvechter. Ondanks de enorme averij die ze begin jaren negentig opliep, stond ze wel op de verkiezingslijst, werd ze verkozen als volksvertegenwoordiger voor het ANC en zat ze zelfs een tijdje als staatssecretaris in het kabinet (daaruit verwijderd door de president nadat ze haar eigen portemonnee en die van de staat door elkaar had gehaald...).

Ze is nu weer gewoon parlementslid, bekleedt het voorzitterschap van de invloedrijke vrouwenliga van het ANC en weet vooral volkssentimenten te bespelen. “Kan mij wat schelen dat ze dingen fout doet”, zegt Tsepo, een inwoner van Johannesburg, “alle politici maken fouten, maar als het er op aan komt, zegt ze de juiste dingen. Als ze zou meedoen aan presidentsverkiezingen zou ik op haar stemmen. Winnie is een wijf met kloten.”