Ongelijkheid is slecht voor groei

De economische wereldkaart is de afgelopen decennia al drastisch veranderd. En ook de komende 25 jaar zullen de meeste ontwikkelingslanden een veel grotere economische groei laten zien dan de traditionele industrielanden.

In het deze maand verschenen rapport 'Global economic prospects and the developing countries' spreekt de Wereldbank zelfs van een ontwikkeling “zonder precedent”, waardoor ontwikkelingslanden prominenter dan ooit op de kaart zullen staan.

Door economische hervormingen, groeiende particuliere kapitaalstromen, internationale handel en een gunstig economisch klimaat kunnen deze landen tussen nu en 2020 met gemiddeld 5 tot 6 procent groeien. Dat is ongeveer het dubbele van de groei die de industrielanden op dit moment te zien geven. De Oostaziatische landen springen eruit, ondanks de huidige financie crisis in de regio, met een te verwachten groei in de eerstvolgende jaren van ruim 7,5 procent.

De toenemende prominentie van ontwikkelingslanden in de wereldeconomie straalt vooral af op de 'Grote Vijf': Brazilië, China, India, Indonesië en Rusland. De helft van de wereldberoepsbevolking komt uit deze landen. Toch is hun aandeel in de wereldproductie en de wereldhandel nu slechts 8 tot 10 procent. De Wereldbank verwacht dat het aandeel de komende 25 jaar verdubbelt.

Zullen ook de armsten in de ontwikkelingslanden van de groei “zonder precedent” profiteren? De internationale hulporganisatie Oxfam, waarbij ook de Nederlandse Novib is aangesloten, probeert in haar recente studie 'Growth with equity: an agenda for poverty reduction' enige lessen uit het verleden te trekken. De Wereldbank gaat het vraagstuk evenmin uit de weg. Vorige maand nog publiceerde zij 'Everyone's Miracle? - Revisiting Poverty and Inequality in East Asia'.

Wie nog de illusie mocht hebben dat economische groei vanzelf de armen bereikt - het zogenoemde trickle down effect - wordt door Oxfam definitief uit de droom geholpen. De meeste Oostaziatische landen zijn er betrekkelijk goed in geslaagd hun extreme economische groei aan te wenden voor armoedebestrijding.

Volgens berekeningen van Oxfam resulteerde elk procent economische groei in Oost-Azië in een daling van het aantal mensen in armoede met drie procent. Het equivalent voor de meeste landen in Subsahara-Afrika lag op één procent en in Latijns-Amerika op minder dan één procent.

De gevolgen laten zich raden. Tussen 1990 en 1995 groeide de Latijns-Amerikaanse economie met nauwelijks twee procent per jaar. Het aantal armen steeg dan ook van 197 miljoen tot 209 miljoen mensen. Volgens de Wereldbank leeft zelfs een kwart van de 458 miljoen Latijns-Amerikanen van minder dan een dollar per dag, wat als de absolute armoedegrens wordt beschouwd.

De verschillen tussen de werelddelen laten zich ook anders vertalen. Van elke dollar economische groei in Brazilië gaat minder dan een cent naar de armste tien procent van de bevolking, tegen zeven cent in landen als Vietnam en Indonesië. Bij zulke verhoudingen zou de economie van Brazilië dus zeven keer zo hard moeten groeien als die van Indonesië om een zelfde armoedereductie te bereiken.

De vergelijking laat zich ook in meer menselijke termen vatten. Vietnam heeft een gemiddeld inkomen dat vergelijkbaar is met dat in Nigeria, maar de levensverwachting is er vijftien jaar hoger, kinderen hebben een twee keer zo grote kans hun vijfde levensjaar te halen en het aantal mensen dat kan lezen en schrijven is ook twee keer zo groot. China heeft een half zo groot inkomen per hoofd als Brazilië, maar de levensverwachting is er vier jaar hoger. Pregnant zijn in dit verband ook de verschillen tussen China en India.

Dat meer economische en sociale gelijkheid de groei in de weg zou staan is simpelweg een mythe. Economen hebben met hun talrijke studies nu wel genoegzaam aangetoond dat economische groei in de ontwikkelingslanden zelfs gebaat is bij een rechtvaardiger verdeling.

Zo kan volgens gegevens van de Inter Amerikaanse Ontwikkelingsbank bijna de helft (!) van het verschil in groeiprestaties tussen Oost-Azië en Latijns Amerika worden verklaard uit ongelijkheid in toegang tot scholing en grondbezit. Kortom: wat in het jargon tegenwoordig wordt aangeduid als human development (onderwijs, primaire gezondheidszorg) is een essentieel ingrediënt voor economische groei. De Latijns-Amerikaanse landen liberaliseerden hun economieën wel, maar hun hervormingen gingen niet gepaard met een evenwichtig sociaal beleid.

Oxfam noemt de relatief gunstige ontwikkelingen in Oost-Azië niet ten onrechte een “aanklacht” tegen het beleid van regeringen in Subsahara-Afrika, Latijns Amerika en India. Onderwijs- en gezondheidsuitgaven blijven hier veelal geconcentreerd op universiteiten en geavanceerde ziekenhuizen, die voor de armen niet toegankelijk zijn. Het is een kwestie van politieke keuzes.

Begin dit jaar publiceerde de Wereldbank in haar serie 'Development in practice' een uitgebreide studie naar lager onderwijs in India, waar nog altijd ongeveer de helft van de bevolking analfabeet is. Investeringen in dit onderwijssegment blijken het meest op te brengen voor de samenleving. In 1981 had de Indiase bevolking gemiddeld slechts 1,9 jaar onderwijs genoten. Uit de analyse van de Wereldbank over de periode 1971-1981 bleek dat door een jaar meer onderwijs het bruto binnenlands product met niet minder dan 13 procent groeide.

Zolang armen worden uitgesloten, kunnen zij nauwelijks een bijdrage leveren aan de economie. Dat is niet alleen uit moreel oogpunt verwerpelijk.