Mistig in de bergen

In Bosnische steden moet je - als je het deprimerende hotel wilt vermijden - op zoek naar een 'weduwe in een groot huis'. In Konjic, halverwege Mostar en Sarajevo en vertrekpunt voor mijn volgende wandeling, heet de weduwe Hajrija. Ze is 60 jaar en heeft iets guitigs in haar blik.

“Kao skakavac” (als een sprinkhaan) springt ze door het huis, zoals ze zelf zegt met dat vonkje levensvreugde in haar ogen, sinds ze is uitgegleden en niet meer op haar rechterbeen kan staan.

Haar linkerhand hangt er verkrampt bij, als de klauw van een kraai. De botten van haar linkeronderarm zijn in de winter van 1994 door een snajper (sluipschutter) kapotgeschoten - tijdens de oorlog bleef zij zoveel mogelijk binnen, maar een mens moet soms naar buiten, bijvoorbeeld om hout voor de allesbrander te pakken. De huid van de arm is genezen, maar de botten zijn niet meer aan elkaar gegroeid. Hajrija toont ons welke bewegingen nu allemaal mogelijk zijn, met die verkrampte hand met nog tien centimeter onderarm daaraan vast. Ze gebruikt de hand alleen nog als sigarettenhouder - tussen de gekromde vingers blijft een sigaret goed zitten.

Tegen een achtergrond van Duitssprekende indianen op televisie ('Was ist jetzt los?') vertelt Hajrija ons dat ze twee keer getrouwd is geweest, eerst met een dronkelap, een Tsjech, die ze 'een Kroaat' noemt (want katholiek), daarna met een moslim, die tijdens de oorlog aan een hartaanval is overleden. Nu is ze alleen, en daarom heeft ze een satellietschotel gekocht à DM 300. Ze kijkt vooral naar cowboy- en indianenfilms. “Die kan ik volgen zonder de woorden te begrijpen”.

Aan het eind van de middag verkennen wij Konjic en zoeken de plek vanwaar wij door de bergen naar het dorp Vrdolje - richting Sarajevo - kunnen lopen. Er blijkt een breed pad te bestaan dat tot Vrdoje leidt, zelfs nog verder. De volgende ochtend nemen we afscheid van Hajrija en beloven haar bij aankomst in Sarajevo van ons te laten horen.

Het is mistig in de bergen, en koel. Goed wandelweer, zo lang het niet gaat regenen. Een zwarte eekhoorn, die in een boom hazelnoten zit te eten, vlucht niet weg als wij dichterbij komen. Een oude man, die benen heeft zo krom als een hoepel en met twee krukken loopt, begroet ons. “Sprechen Sie Deutsch? Ich spreche Deutsch.” En: “Ich nicht arbeiten Sonntag. Ich Christian. Ich nicht Moslimann.” Zijn Duits heeft hij tijdens de Tweede Wereldoorlog in een concentratiekamp geleerd. Met een van zijn stokken zwaait hij ons nog lang na.

Bij een tweesprong vragen we de weg aan een troosteloze vrouw die daar met gebogen hoofd loopt. Naar links of naar rechts voor Vrdolje? Ze wijst naar rechts en zegt dat we 'de grote weg' moeten blijven volgen - dit pad van klei en steen, juist breed genoeg voor een auto.

Tegen enen begint het te miezeren. Aan de overzijde van het dal zien we Dpe, enkele tientallen huizen, wit met rode daken, tegen de bergwand aan. En een moskee, de spitse minaret boven de huizen uit. In het winkeltje waar we pinda's en cola kopen, bekijken twee jongens die voor het winkeltje aan een auto aan het sleutelen waren, nieuwsgierig onze kaart.

“Hoe lang is Vrdolje nog lopen?” vragen we.

“Voor ons een half uur, als we doorlopen, maar met rugzak twee uur”, zeggen ze lachend. Ik vraag of we nog bang moeten zijn voor mijnen. Maar die liggen hier volgens de jongens nergens.

“Hoe weten jullie dat zo zeker?”

Weer lachen de jongens: “Hoe zouden we het niet kunnen weten na hier vier jaar gevochten te hebben.” En ze wijzen op de kaart: daar bij de berg Bjelaica, achter Sarajevo, bekend wintersportgebied, daar liggen nog mijnen. Maar hier niet.”

Inderdaad bereiken we na twee uur lopen Vrdolje, ons doel voor vandaag. Nu nog een slaapplaats. Het kost moeite in het dorp een mens te vinden. Nergens doet iemand open. Woont hier nog wel iemand? Dan zien we een man op een erf naar ons staan kijken. We lopen naar hem toe. Zouden we bij hem mogen overnachten?

“Ik moet naar het land,” zegt hij. Zijn vrouw, zoon en dochter zijn daar al, een uur lopen hier vandaan, om het gras te maaien, de koeien te melken, hout te hakken. Ze blijven er overnachten. “Het hele dorp is nu op het land.”

We laten ons hoofd hangen. De man bekijkt ons nog eens. “Ach, blijf ook maar”. Dan blijft hij ook nog wel een nacht. “Ten slotte hebben wij hier geen hotel, dan rust op het dorp de plicht reizigers op te vangen. Kom binnen.”