Loeren mag niet, bij niemand

Hoeveel roem kan geruild worden tegen hoeveel recht op privacy? De toch werkelijk niet onbekende schrijver J.D. Salinger (The catcher in the rye) wilde wel boeken schrijven, hoewel niet al te veel, maar hij wilde beslist niet in ruil daarvoor met journalisten praten, gefotografeerd worden of op welke manier dan ook in de publiciteit komen.

Hij leeft teruggetrokken, er bestaan geen foto's van hem en zijn vrienden hebben een spreekverbod - wie zich er niet aan houdt is vriend-af. Salinger drijft daarmee verlangende biografen tot wanhoop, zoals alweer jaren geleden bleek uit de komische, voortdurend doodlopende speurtocht van biograaf-in-spe Ian Hamilton. Het is, blijkbaar, heel moeilijk voor fans om zich neer te leggen bij de diepste wens van iemand die zij bewonderen. Zo iemand willen ze ook hébben.

Onlangs overleed de dichteres Ida Gerhardt. Zij leefde teruggetrokken. Ze had ook niet echt last van om het huis heensluipende journalisten, jarenlang werd haar poëzie maar door weinigen gewaardeerd. Gerhardt was een strenge vrouw die het decorum hooghield en die ook, blijkens haar gedichten, brieven, openbare optredens, hechtte aan vormen.

Het was dan ook nogal schokkend om een paar jaar geleden in de HP/De Tijd ineens te lezen hoe een journalist was binnengedrongen in het verpleeghuis waar ze zat, om een blik te werpen op de zwaar demente dichteres en ons daarover te berichten. Zoiets doe je niet.

Of wel? Dezer dagen verscheen het boekje Uren uit het leven van Ida Gerhardt van literair criticus (van het Nederlands Dagblad) en Willem de Mérode-biograaf Hans Werkman. Ze leed aan paranoïa weet hij te melden. Haar handschrift was door haar blindheid onzeker en kinderlijk geworden - hij drukt een voorbeeld af. Ook hij is nog even in het verpleeghuis wezen kijken: “Ik verlaat een omhulsel. De geest van al die prachtige gedichten is dood. Of weg. Of waar dan ook.”Werkman is er zeker niet op uit geweest om Gerhardt kort na haar dood te bekladden. Hij bewondert het werk van Gerhardt, maar tegelijkertijd lijkt hij toch niet te kunnen ontsnappen aan twee maar al te menselijke aandrangen: de wens om zelf iets in aanzien te stijgen door op intieme voet verkeerd te hebben met een beroemd iemand (vergelijk Jeroen Krabbé die gek van ijdelheid met zijn Diana-plakboeken op de televisie gaat zitten pronken); en de wens om iemand die om een of andere reden op grote hoogte staat toch vooral tot bescheiden menselijke proporties terug te brengen.

De onthullingen die Werkman doet halen het natuurlijk niet bij wat we zoal weten van de Britse koninklijke familie. Maar toch. Dat het in haar huis niet helemaal fris schoongemaakt was, dat ze zeker wist dat ze belaagd werd door een jeugdbende, ja zelfs dat ze gehoord meende te hebben dat 'ze' van plan waren haar met huis en al in brand te steken en dat de politie dat als spookbeelden van de hand wees - waarom wil iemand dat allemaal opschrijven? Wat tegen hem gezegd is, werd in vertrouwen gezegd, in het vertrouwen dat deze meneer Werkman te vertrouwen wás. Erg goed kenden ze elkaar niet. En nu is ze dood en typt Werkman de aantekeningen die hij destijds gemaakt heeft maar eens even uit voor een boekje. Vond hij dat het nu wel kon, en niet toen ze nog leefde? Of vond hij het moment geschikt, nu de belangstelling voor haar tijdelijk iets groter is? In zijn boekje staan, eerlijk is eerlijk, ook aardige dingen, vooral in de twee passages waarin Gerhardt, heel kort, iets zegt over haar eigen gedichten. Tenslotte zijn die gedichten de reden dat we ons voor haar interesseren. Zo vertelt Werkman haar dat hij van plan is in de klas haar gedicht 'Pasen' te bespreken, dat begint met de regels: “ Een diep verdriet dat ons is aangedaan/ kan soms, na bittere tranen, onverwacht/ gelenigd zijn.” In dat gedicht ziet de dichteres in een moestuintje een kind staan, dat stralend wijst op “zijn doopnaam, in sterkers gezaaid.” Gerhardt zegt: “Dat kind, dat ben ikzelf.” En vervolgens: “Dat was míjn naam daar in sterkers. Mijn moeder had gezegd: 'Je had er niet moeten zijn'. (-) Dan ziet dat kind zijn naam, dus die mag er tóch zijn.”

Dat is een biografisch detail, niet van de daken geschreeuwd, maar tijdens de intimiteit van een autoritje verteld. Het is een roerend detail, het werpt een licht op haar werkwijze, op de enorme afstand die ze in het gedicht legt tussen zichzelf en het kind dat ze ooit was, zodat ze alle sentimentaliteit en zelfmedelijden vermijdt.

Is het daarom dat het van dit gesprekje niet schandelijk maar juist waardevol lijkt dat Werkman het opgeschreven heeft? Misschien komt het vooral omdat dit haar niet in een ongunstig daglicht stelt. Het laat haar grootheid intact. Praten over werk mag. Loeren, gluren en doorrebbelen in boekjes mag niet.

Er wordt nu weer over journalistieke codes gesproken en over privacy. Dat is een recht - behalve soms voor sommigen. Maar als we nu gewoon afspreken dat iederéén er recht op heeft. Prinsessen, filmsterren, verkeerslachtoffers en ook een pas overleden dichteres.