Kohl zet door met de euro

Toen eerder dit jaar de media kanselier Kohl alvast afschreven, hielden niettemin de financiële markten duidelijk vast aan de voorspelling dat zijn laatste grote project, de euro, op tijd van start zou gaan. Rentestanden in alle kandidaat-deelnemende landen, inclusief Italië en Spanje, gingen steeds meer op elkaar lijken, en ook de termijnmarkten en de 'swap'-koersen weerspiegelden het vertrouwen van de markt.

Nu lijkt het erop alsof ook de sceptici moeten toegeven dat de kanselier nog steeds de grootste staatsman van Europa is. Deze week werd bekend dat het Duitse financieringstekort afkoerst op een waarde van 3,1 procent voor 1997, alleszins acceptabel volgens de norm van het Verdrag van Maastricht. De economische groei ligt nu op 2,9 procent, en dat is een tempo waarin de werkloosheid wel moet gaan dalen.

Met zulke robuuste cijfers komt de euro heel dichtbij. Een goed moment om nog eens met respect stil te staan bij de politieke visie van kanselier Kohl op Europa en de rol van de ene munt daarbij. Het begon allemaal ten tijde van de Duitse hereniging. Tot schrik van de Duitsers reageerden zowel president Mitterrand als premier Thatcher koel op de creatie van een Verenigd Duitsland, met 80 miljoen inwoners veel sterker dan hun eigen landen met ieder slechts 55 miljoen burgers. Zou Duitsland opnieuw een plaats opeisen als het machtigste land van Europa? De staatsman Kohl had het historisch inlevingsvermogen om zich te kunnen verplaatsen in hun zorgen en deed een royaal aanbod: Duitsland was bereid haar sterke D-mark in te ruilen voor een gemeenschappelijke Europese munt. Een genereus aanbod en een serieus offer: na de verschrikkingen van twee wereldoorlogen hebben de Duitsers nauwelijks nationale symbolen om onbezorgd trots op te zijn, behalve dan 'unsere D-mark', en die werd nu geofferd op het altaar van de Europese eenwording.

In de visie van kanselier Kohl hoorde bij de Economische Unie een politieke unie. Hier in Nederland is bijvoorbeeld VVD-leider Bolkestein daar - in de anglofiele traditie van Stikker - helemaal niet voor, maar ik zou wensen dat Bolkestein nog eens nauwkeurig inging op het historische bewijsmateriaal daarvoor. De geschiedenis laat zien dat een politieke unie bijvoorbeeld in de vorm van een federatieve staat, een beter recept is tegen oorlog dan een collectie politiek onafhankelijke staten en staatjes. Was er niet méér oorlog tussen de stadstaten van het antieke Griekenland dan in het grote Perzische rijk? Werd Italië tijdens de Renaissance niet méér geteisterd door gewapende conflicten dan het Verenigde Frankrijk in diezelfde periode? Leven de Verenigde Staten van Amerika de laatste honderd jaar niet vrediger dan wij in Europa? Ik ontleen deze drie historische vergelijkingen aan een nieuwe studie van prof. Peter Bernholz uit Bazel die de stelling onderbouwt dat een politieke federatie de kans op conflict tussen de deelnemende staten vermindert.

Een tweede argument vóór een politieke unie volgt uit het falen van het democratisch proces op nationaal niveau. De auteurs van de Amerikaanse grondwet zagen tweehonderd jaar geleden al dat een los verband tussen onafhankelijke staten zou leiden tot restricties op de internationale handel. Zwakke staten zouden tariefmuren optrekken en zich kortzichtig afschermen van de voordelen van een vrije markt. De moderne geschiedenis heeft dat inzicht van Alexander Hamilton bevestigd. Democratieën hebben een natuurlijke neiging tot tarieven of quota op de internationale handel, tot subsidies voor noodlijdende industrieën en tot een al maar actievere, uitdijende overheid.

Een sterke EU is de beste garantie dat Nederland het niet te gek maakt met technolease-constructies, dat Frankrijk geen zware restricties plaatst op de invoer van Japanse videorecorders, en dat de Italianen niet verplicht zijn om uitsluitend bij Fiat hun nieuwe auto te kopen. Bij al het gemopper op de bureaucraten in Brussel blijft toch de EU een essentiële factor vóór vrijhandel en de afbouw van industriële subsidies. En dat alles voor de bescheiden prijs van 1,3 procent van de nationale economie die wij af moeten dragen aan Brussel.

Als bondskanselier Kohl moet wachten tot de regering van Noordrijn-Westfalen de subsidies afschaft voor de Duitse kolenmijnen, gaat dat zelfs voor hem te lang duren. Veel groter is de kans dat Brussel zulke subsidies op een goede dag verbiedt. Daar praten immers ook landen mee die al lang geen eigen mijnbouw meer bezitten en politiek dus veel vrijer staan om vanuit het belang van de consumenten én van het milieu de resterende kolenmijnen te saneren.

Zo kan een sterke politieke unie bijdragen tot duurzame vrede in Europa en tot een hogere welvaart door het bevorderen van de vrijhandel en het afbouwen van subsidies. Misschien komt de politieke unie in Europa straks in een stroomversnelling door de introductie van de ene munt. Kanselier Kohl is dan zeker van zijn plaats in de geschiedenisboeken als architect, eerst van de Duitse hereniging en daarna van de glorende Politieke Unie van Europa.

Ons Nederlands belang ligt bij een nieuw Europees elan, geheel in de geest van de oprichters van de EU: Monnet, Spaak en Schuman, veertig jaar geleden. Voor geneuzel over de cijfers achter de komma in het Italiaanse of Duitse financieringstekort is dan geen plaats meer. Het gaat om het versterken van de Europese instituties en het bouwen aan een sterker parlement in Straatsburg en een slagvaardiger bestuur in Brussel met meer ruimte voor stemmen bij meerderheid in plaats van unanimiteit. Ik hoop daarom dat Bolkestein c.s. zich niet langer blindstaren achter de komma van het financieringstekort, maar bijdragen aan het debat over een politiek verenigd, vredig en welvarend Europa.