Japanse historici halen de oorlog uit de doofpot; Masochisme of berouw

Wat mogen Japanse schoolkinderen over de oorlog leren? Al meer dan dertig jaar heeft de hoogleraar geschiedenis Ienaga geprocedeerd tegen de censuur van het ministerie van Onderwijs. De conservatieven eisen juist dat pijnlijke zaken als het bestaan van 'troostmeisjes' worden verzwegen. Het verleden als twistappel van een bitter heden.

Tweeëndertig jaar lang heeft de Japanse hoogleraar geschiedenis Saburo Ienaga (84) processen gevoerd tegen censuur van de overheid op zijn leerboeken voor middelbare scholieren. Onlangs deed het Japanse Hooggerechtshof zijn laatste uitspraak. Steunend op een wandelstok liep de breekbare Ienaga enkele dagen later voor het laatst een zaal met wachtende journalisten binnen. “Ik heb nooit gedacht te winnen”, zegt Ienaga op zijn persconferentie, “en winnen is ook niet het doel geweest. De reden om deze rechtszaken aan te spannen was dat er geen vrijheid en recht bestaan zonder ervoor te strijden.”

Tijdens Ienaga's procesgang is achter hem een organisatie ontstaan die nu ruim 22.000 leden telt. Daarnaast zijn er nog eens zo'n tweeduizend organisaties bij aangesloten, van lokale burgergroepen tot landelijke vakbonden. Drijfveer van deze mensen is “zorgen dat het onderwijs nooit meer wordt zoals voor de oorlog”, zegt woordvoerder Junji Arai op het landelijke kantoor in Tokio. “In het militaristische, vooroorlogse onderwijs waren mensen slechts voorwerpen in handen van de staat. Wij streven naar democratisering van het onderwijs.”

Ienaga's drijfveer, zegt hij, was zijn schuldgevoel over het feit dat hij tijdens de oorlog, in het allesoverheersende militarisme, niets tegen de gebeurtenissen heeft kunnen ondernemen. Terwijl zijn studenten een voor een naar de slagvelden verdwenen en zelden terugkeerden, bestudeerde Ienaga in zijn werkkamer de bloeiperiode van de Japanse hofcultuur rond de tiende eeuw.

De discussie over de oorlog is in Japan enerzijds een strijd over de interne politiek, over de grondslagen waarop het land is gevestigd. Anderzijds houdt de interpretatie van de oorlog en het koloniaal verleden ook nauw verband met Japans rol en positie nu in Azië en in de wereld. Japan koloniseerde geen verre eilanden aan de andere kant van de wereld, maar z'n buurlanden, met name Korea - waar het nu dagelijks op voet van gelijkheid mee om moet gaan.

Zo debatteren deze maand een Japanner en een Koreaan in het tijdschrift Gendai Shiso (Hedendaags Denken) over de betekenis van de Japanse kolonisering voor de modernisering en ontwikkeling van Zuid-Korea. Maar duidelijker zichtbaar voor het grote publiek is de brandende discussie over de inhoud van de schoolboeken. Een groep conservatieve wetenschappers heeft recentelijk nieuwe olie op dit vuur gegooid door scherp te protesteren tegen het vermelden in schoolboeken van het bestaan van 'troostmeisjes' tijdens de oorlog. Dat resulteerde dit jaar in een reeks felle televisiedebatten, waaronder een vijf uur durende marathonzitting.

Deze discussie over het verleden is nu ook in stripvorm te volgen: een van de populairste striptekenaars, Yoshinori Kobayashi, heeft zich aan conservatieve zijde geschaard. In zijn stripverslag geeft hij tevens zijn versie van de oorlog: “Na driehonderd jaar kolonialisme versloeg het Japanse leger de Hollanders in Indonesië in slechts negen dagen. (-) Na de Japanse nederlaag besloten zelfs tweeduizend Japanse soldaten om te blijven en met de Indonesiërs tegen het teruggekeerde Hollandse leger te vechten.”

Alle Japanse kranten hebben het proces van Ienaga met aandacht gevolgd, maar alleen Sankei, spreekbuis van de conservatieven, neemt een scherpe positie in. Daartegenover schreef de linkse krant Asahi beheerst dat “de kwesties die dit proces aan de orde heeft gesteld, zoals vrijheid van onderwijs, historisch bewustzijn en de voortgang van democratie, taken zijn die ons ook nu voor ogen moeten blijven staan”.

Professor Ienaga richtte zich na de oorlog op het schrijven van schoolboeken. Dit bracht hem begin jaren zestig in botsing met de autoriteiten. Ienaga moest verwijzingen naar Japanse wandaden in de oorlog schrappen, wilde hij zijn boek goedgekeurd zien voor gebruik op scholen. De uitgeverij heeft het boek, waarvan Ienaga co-auteur was, destijds mèt de correcties van het ministerie op de markt gebracht. Tot drie keer toe stapte de hoogleraar naar de rechter om het oordeel van het ministerie van Onderwijs aan te vechten. De laatste zaak begon in 1984 en met de uitspraak van het Hooggerechtshof op 29 augustus is de procesgang eindelijk voorbij.

Centraal stond de vraag of het ministerie het recht heeft zich met de inhoud van schoolboeken te bemoeien. Volgens Ienaga druist deze bemoeienis van het ministerie in tegen de academische vrijheid en tegen de vrijheid van meningsuiting. Op dit fundamentele punt heeft hij echter geen gelijk gekregen: het Hooggerechtshof vindt dat het ministerie het recht heeft schoolboeken op pedagogische en wetenschappelijke criteria te controleren. Wel noemde de rechter een aantal specifieke correcties van het ministerie onterecht, bijvoorbeeld de kwestie rond 'Eenheid 731'. Deze eenheid voerde tijdens de oorlog in het Chinese Mantsjoerije medische experimenten uit op krijgsgevangen, van wie velen op gruwelijke wijze omkwamen. Toch was er “onvoldoende wetenschappelijk bewijs”, meende het ministerie in 1980, om vermelding in schoolboeken te rechtvaardigen.

Inmiddels wordt '731' in verscheidene schoolboeken vermeld. De ironie wil tevens dat het juist de VS zijn geweest die het bestaan van '731' in 1945 in de doofpot stopten in ruil voor de onderzoeksresultaten. De Amerikaanse journalist John Powell bracht deze zaak in 1981 in de openbaarheid, nadat hij er in Amerikaanse archieven op was gestuit.

Het Japanse eiland Okinawa heeft pijnlijke ervaringen met de oorlog en het vooroorlogse, militaristische onderwijs. Het proces van Ienaga is daar dan ook met grote aandacht gevolgd. Het eiland is het enige deel van Japan zelf waar in de oorlog is gevochten en bij deze strijd zijn extreem veel burgerslachtoffers gevallen. Ienaga schreef: “Okinawa werd een slagveld en zo'n 160.000 burgers, jong en oud, kwamen om. Niet weinig onder hen werden gedood door het Japanse leger.” Het ministerie greep in en wilde toegevoegd zien dat een deel van de burgers “collectieve zelfmoord” had verkozen.

De slag op Okinawa in de lente van 1945 was een orgie van bloed. Het leger had veel burgers, zelfs scholieren, ingeschakeld als hulptroepen. Zo werden leerlingen van meisjesscholen ingelijfd als verpleegsters in eenheden met poëtische namen als de Lelie-eenheid. De meisjes gingen mee het slagveld op en velen hebben dit niet overleefd. Op school hadden ze geleerd dat “de dood een parel is”, en dat sterven voor de keizer beter was dan in handen vallen van barbaren. Dus liet men zich afslachten.

Toen de orgie voorbij was bleken de Amerikanen geen barbaren en gaf de rest van Japan zich over zonder tot het einde te vechten. Bovendien deelde de keizer via de radio mee dat hij eigenlijk geen god was. Velen op Okinawa voelden zich slachtoffer van het eigen, op hol geslagen leger. Bovendien zuchtte Okinawa tot 1972 onder Amerikaans bestuur, en tot op de dag van vandaag is een kwart van het eiland als militaire bases in Amerikaans bezit.

Over de zaak-Ienaga schreef daarom de lokale krant Ryukyu Shinpo: “'Collectieve zelfmoord' wekt de indruk dat volk en leger gezamenlijk streden en stierven.” Het was echter “de dwang van het Japanse leger” die de burgerbevolking de dood in dreef, aldus de krant. Toch moest Ienaga op last van het ministerie toevoegen dat een deel “collectieve zelfmoord” pleegde, en de rechter gaf het ministerie daarin gelijk. Gouverneur Ohta van Okinawa - die de afgelopen twee jaar strijd heeft gevoerd tegen de Amerikaanse bases - zei na de uitspraak van het Hooggerechtshof: “Mijn hart doet zeer. Verder weet ik niets meer te zeggen.”

Zo controleert het ministerie van Onderwijs nauwgezet de inhoud van schoolboeken, zonder enige verantwoordelijkheid voor de inhoud te nemen. De boeken, vindt het ministerie, geven slechts de heersende opinie in de wetenschappelijk wereld weer. Hoogleraar geschiedenis op Okinawa Nobuyoshi Takashima noemt dit standpunt van het ministerie echter een “pose”. Ook Takashima is in een rechtszaak met het ministerie verwikkeld. “Het ministerie doet politieke uitspraken”, zegt hij tijdens een telefonisch onderhoud.

Bij de controle hanteert het ministerie een zogenaamde 'buurlanden-clausule'. Begin jaren tachtig berichtte de pers dat in Japan het woord 'invasie' uit de schoolboeken moest worden geschrapt, waarop de buren China en Zuid-Korea scherp reageerden. China en Zuid-Korea menen dat de Japanse agressie wel degelijk een invasie van hun grondgebied was en beschuldigden de Japanse regering van vergoelijkend woordgebruik. Om dergelijke conflicten te voorkomen moeten schoolboeken nu worden geschreven met “de noodzakelijke consideratie” voor de buurlanden.

Bij de Japanse conservatieven roept deze clausule verzet op. Over het vermelden in de schoolboeken van omstreden kwesties als 'Eenheid 731', de massamoord van Nanking in 1937 en de troostmeisjes schreef de conservatieve krant Sankei onlangs: “Zonder aan ons eigen volk te denken, nemen we anti-Japanse, masochistische teksten op om China en Zuid-Korea te plezieren”. Volgens de conservatieven hebben alle landen in de Tweede Wereldoorlog bloed aan hun handen, en is Japan niet verplicht een extra boetekleed aan te trekken.

“Maar je moet ook kijken hoe het zover heeft kunnen komen”, zegt historicus Takashima. “Ofwel: waarom is Japan zich in de negentiende eeuw ook als imperialistische macht gaan gedragen en andere Aziatische landen gaan onderwerpen.” Op dit punt kwam hij zelf enige jaren terug in aanvaring met het ministerie van Onderwijs. Takashima wilde licht werpen op de Japanse houding van superioriteit tegenover de Aziatische volkeren die zich hadden laten kolonialiseren door het Westen. Daarom haalde hij in een schoolboek de 'Vertrek-uit-Azië' theorie van Yukichi Fukuzawa aan.

Fukuzawa (1835-1901) is een van de geestelijke vaders van modern Japan. Hij ging in zijn moderniseringsdrang zo ver dat Japan zich moest afkeren van de Aziatische buurlanden - “slechte vrienden” - en deel moest worden van het Westen. Japan moest als het ware de zeilen aanspannen en Azië verlaten. Takashima vond dat deze tekst van Fukuzawa aan de jonge generatie duidelijk maakt waarom de Japanners destijds neerkeken op de overige Aziaten, en nam die in zijn boek op. Het ministerie echter vond Fukuzawa's woorden ongepast en eiste dat de zinsnede over “slechte vrienden” werd geschrapt.

Deze actie is begrijpelijk nu Japan zich steeds meer opwerpt als leider met 'Aziatische waarden' in een regio die zich economisch rap ontwikkelt - maar heeft niets te maken met controle van schoolboeken op feitelijke onjuistheden. Dus noemt Takashima het oordeel van het ministerie “politiek”.

Japanners stierven in naam van de keizer en daarom blijft de vraag spelen wat nu precies de persoonlijke rol van de keizer was. De jonge hoogleraar Akira Yamada (40) aan Tokio's Meiji-universiteit publiceerde hierover drie jaar geleden het boek Opperbevelhebber: Keizer Showa ('Showa' is de posthume naam van de in 1989 overleden keizer Hirohito).

“Het verhaal dat de keizer persoonlijk geen echte macht had, is een mythe”, zegt Yamada. “Voor de Amerikaanse bezetters was het een probleem dat de Japanners de keizer zelfs na de nederlaag bleven vereren.” De Amerikanen creëerden de mythe van een 'neutrale' keizer om aan het thuisfront te kunnen verkopen dat de keizer werd gehandhaafd, meent Yamada. Zo kon Japan zonder grote moeite worden bestuurd en omgezet in een bondgenoot in de Koude Oorlog - Amerika's onzinkbare vliegdekschip in de Stille Oceaan.

Elk Japans schoolboek vermeldt dat bij de vorming van de moderne Japanse staat in de negentiende eeuw het opperbevel over het leger was voorbehouden aan de keizer. In de boekjes staat echter niet wat dit concreet voorstelde. Yamada is daarom gaan speuren in de archieven van het ministerie van Defensie. Toen Hirohito in 1989 overleed werden ook diverse dagboeken en notities gepubliceerd uit privé-verzamelingen van mensen die dichtbij hem hadden gestaan. Tot dat moment was dit onderzoek onmogelijk geweest, zegt Yamada. Zijn conclusie: de betrokkenheid van de keizer was veel groter dan tot dusver aangenomen.

In Opperbevelhebber: Keizer Showa schrijft Yamada over de bloedige slag op Okinawa die op 1 april 1945 was begonnen: “Op 3 april zei de keizer: 'Als deze slag onvoordelig verloopt, zal het leger het vertrouwen van de bevolking verliezen en moeten we vrezen voor het verdere verloop van de oorlog. Waarom gaat het leger ter plaatse niet in de tegenaanval?' (-) Het was standaard om de te volgen tactiek aan het leger ter plaatse over te laten, maar de woorden van de keizer konden niet worden genegeerd. (-) De volgende dag verstuurde het hoofdkwartier de 'keizerlijke zorgen' per telegram naar het 32e leger op Okinawa.”

In de memoires van stafofficier Hiromichi Yahara is te lezen hoe hij op Okinawa de woorden van de keizer interpreteerde: “Toen de slag op Okinawa begon, verklaarde de keizer dat de uitkomst van deze strijd de toekomst van het land zou bepalen.” Kolonel Yahara was op Okinawa verantwoordelijk voor de gevoerde 'tactiek van de verschroeide aarde', waarbij iedere man tot de dood zou doorvechten. Zelf overleefde hij de slag overigens wel.

De 'mythe' rond de keizer heeft een zuiver omgaan met het verleden lang onmogelijk gemaakt, zegt Yamada. Hij besluit zijn boek met de zin: “Vaagheid over de verantwoordelijkheid van de keizer staat gelijk aan het verbergen van de verantwoordelijkheid van het land. Dat komt overeen met het vervalsen van de geschiedenis, en zal via media en onderwijs het historisch bewustzijn van alle Japanners vervormen. Uiteindelijk zal dit een internationale reactie uitlokken en terugslaan op de Japanners zelf.”

Yamada's boek speelt niet alleen een rol in de discussie over de interpretatie en verwerking van het verleden, maar ook in de discussie rond Japans toekomst. Een recensent schrijft in een historisch vaktijdschrift: “Ik hoop dat dit onderzoek over de oorlog en het keizerlijk systeem zich voortzet. En dat vervolgens de samenzweerders die historische feiten trachten te verbergen en een heropleving van het militarisme beogen zullen worden verpulverd.”

Met 'samenzwering' doelt hij op de conservatieven die zich tegen de nadruk op Japànse wandaden keren. De zinsnede over de heropleving van het militarisme verwijst naar de discussie over artikel 9 van de grondwet die de Amerikanen na de oorlog aan Japan hebben opgelegd. Artikel 9, dat bepaalt dat Japan geen leger zal hebben en oorlog afzweert, is ter linkerzijde van het politieke spectrum een heilig artikel. Toen de Koude Oorlog op gang kwam, zagen de Amerikanen dit echter al snel als vergissing en zetten Japan tot herbewapening aan. Een leger heeft Japan zodoende allang, en de afzwering van oorlog is volgens velen nu ook in gevaar. Links ziet een verband tussen de huidige uitbreiding van militaire samenwerking met de VS, de recente luidruchtigheid van de conservatieve wetenschappers, en de discussie over artikel 9 van de grondwet. Velen klampen zich vast aan het behoud van dit artikel 9 als bezwering van een 'duistere macht'.

In de discussie over het verleden spelen niet alleen historici en intellectuelen een rol. Georganiseerde groepen ultra-nationalisten trachten de discussie niet met argumenten, maar met intimidatie of erger te beïnvloeden. Deze mannen rijden rond in zwartgeschilderde bussen en brengen via luidsprekers oude marsmuziek en leuzen ten gehore. Ze zijn verbonden met de onderwereld - yakuza - en met politici van de regerende Liberaal Democratische Partij. Tijdens het leven van keizer Hirohito bracht de toenmalige burgemeester van Nagasaki al eens diens oorlogsverantwoordelijkheid ter sprake. Het resultaat was een kogel die hem bijna het leven kostte.

Kort na het overlijden van Hirohito bracht Yamada een eerste boek uit over diens rol tijdens de oorlog. Uit angst voor represailles weigerden expediteurs het boek te vervoeren, en het bereikte nimmer de boekhandel. Met het verstrijken van de jaren lijkt de stemming iets verzacht, maar ook nu nog krijgt Yamada op feestdagen van het keizerlijk huis faxen waarmee de ultra-nationalisten “willen laten zien dat ze me in de gaten houden”, zegt hij. “Maar ik heb me nooit echt bedreigd gevoeld en in mijn werk laten beïnvloeden. Het zijn eerder de uitgeverijen die onder druk worden gezet.”

Op zijn laatste persconferentie zei professor Ienaga te vrezen dat het in de toekomst de slechte kant op zal gaan met de beschrijving van de oorlogsgeschiedenis in de schoolboeken. Hij wees met name op de opkomst van de revisionistisch wetenschappers. Zijn jongere collegae Takashima (55) en Yamada (40) zijn echter positiever. Vanuit de conservatieve regeringspartij, de Liberaal Democratische Partij, is het afgelopen jaar al eens geopperd dat het zo langzamerhand tijd wordt met de controle te stoppen. Het parlementslid werd direct tot de orde geroepen, maar Yamada en Takashima zien het als teken van verandering.

Het ministerie wordt nu van drie kanten beschoten. Hoogleraren als Ienaga en Takashima attaqueren het ministerie omdat het zaken wil versluieren, daartegenover staan revisionistische wetenschappers - die nu bezig zijn hun eigen, patriottische schoolboek te schrijven - die klagen over masochistisch onderwijs. En dan is er nog het ministerie van Buitenlandse Zaken dat geen heibel over schoolboekjes wil met buurlanden als China en Zuid-Korea. “De hele controle van schoolboeken zit inmiddels vol gaten”, zegt Yamada, “en ik vermoed dat ze er bij het ministerie genoeg van krijgen.”