Iraanse wetenschapper, dichter en balling Afshin Ellian: 'Dichters zijn niet te vertrouwen'

In Nederland, zegt de Iraniër Afshin Ellian, heerst de naïeve gedachte dat we gelukkig zijn. Sinds 1989 leeft hij als politieke vluchteling in ballingschap in Tilburg, waar hij drie studies heeft gevolgd en nu aan zijn promotie- onderzoek werkt. Binnenkort verschijnt zijn poëziedebuut in zijn nieuwe taal. 'Het is zinloos om over gevaar te spreken. Aan de grens ben ik al een keer gestorven.'

Ik ben gaan studeren om te laten zien dat een vluchteling geen nutteloze lastpak is, zoals hier vaak wordt gedacht. Het parlement is bereid voor vreemdelingen geld uit te trekken. Voor de politicus geldt niet een dichtbundel, maar een wetenschappelijke titel als een prestatie. Ik wilde laten zien dat Nederland met het vluchtelingenbeleid vrijwel gratis waardevolle mensen binnen krijgt. En ik kon het Iraanse regime tonen dat het niet alleen het schuim der natie is dat het land ontvlucht.''

Afshin Ellian (31) baarde vorig jaar enig opzien aan de Katholieke Universiteit Brabant, door tegelijkertijd in drie richtingen af te studeren: staatsrecht, strafrecht en filosofie. Zijn prestatie was temeer bijzonder, omdat hij in 1989 als politiek vluchteling - hij was lid van een linkse oppositiebeweging die kort na de revolutie van 1978 werd verboden - uit Iran in het hem volkomen onbekende Nederland aankwam. Na zijn onderduik en vlucht in 1983 woonde hij in Pakistan en Afghanistan, waar hij medicijnen studeerde en zijn vrouw Zarminah leerde kennen. Ellian werkt als nu als AIO op de KUB aan zijn proefschrift en schrijft daarnaast gedichten. Dinsdag 23 september wordt het eerste exemplaar van zijn debuut Verrijzenis van woorden aangeboden aan Adriaan van Dis als vertegenwoordiger van het Rushdie Comité.

“Ik was ook zonder studies een gelukkig mens geworden”, zegt hij. “ Maar ik wilde niet het beeld van decadent levende mensen bevestigen, dat het regime graag van ballingen schetst. Ik beschouw mij als de drager van de herinneringen van de vele vrienden en generatiegenoten die zijn doodgeschoten, gek geworden of omgekomen in de oorlog. Ook in ballingschap zijn veel mensen gestorven. In Pakistan of Afghanistan, anoniem, aan de rand van de samenleving. Dood in ballingschap is triest.

“Ballingschap is een wonderlijke manier van leven: je moet ervoor waken dat je niet wordt gebroken. Ik wil niet sterven, omdat ik voor mijn kinderen wil zorgen. Die hebben hier geen geschiedenis; hun vader en moeder zijn hier hun enige oorsprong. 's Nachts denk ik vaak: dat kind zal niet door mijn fouten vallen. Ons leven is gruwelijk moeilijk. Het is als in Papillon: je moet nooit degene die je heeft veroordeeld, zijn zin geven. Wat mij overeind houdt, is het leven in de Nederlandse taal, de cultuur, de mensen die op straat lopen. Die cultuur moet ik accepteren als een gelijkwaardige vriend.”

In zijn flat in Tilburg komen Juliette (2) en Ulysse (9) af en toe nieuwsgierig op hun vaders schoot zitten. We spreken over vluchtelingen in Nederland naar aanleiding van het debat dat de Iraanse hongerstaker Nasseri en het Turkse gezin Gümüs hebben uitgelokt. “De familie Gümüs heeft deze democratie tot nadenken aangezet, heeft de grenzen van de humanitaire werkelijkheid afgetast. En heeft de politiek wind uit de zeilen genomen: een illegaal is geen rare persoon, maar gewoon iemand die werkt voor zijn gezin. Het heeft de problematiek een menselijk gezicht gegeven. Zoals de gruwelijkheid van de Tweede Wereldoorlog als optelsom van miljoenen doden niet te bevatten is, maar door het lezen van Anne Frank wel.

“Het begrip 'illegaal' roept in het onderbewustzijn van de meeste westerlingen het beeld op van een ondergrondse, pedofiele, drugsverslaafde engerd. Ze moeten in de marge van de rechtsorde functioneren. Illegalen uit India en Pakistan bieden in Amsterdam voor vijf gulden rozen te koop aan. Dat bedrag staat in geen verhouding tot de kosten van die roos; het is een solidariteitsbedrag. Een treffende metafoor: het schrijnende contrast tussen die 'enge' illegaal en de roos als symbool van de liefde. Wij zijn hier bang voor vreemdelingen. Het verhaal van Roodkapje, het idee dat vreemdelingen wolven kunnen zijn, is ons met de paplepel ingegoten. Die angst vind je terug in het juridische predikaat 'illegaal'. In Iran en Afghanistan wemelt het van de vreemdelingen, maar de status van illegaal wordt er niet gebruikt.

“Westerse intellectuelen bezitten nauwelijks een politiek bewustzijn. Dat komt de kwaliteit van hun werk niet ten goede. Tijdens de Spaanse burgeroorlog vochten veel schrijvers tegen de facisten. Waar waren de intellectuelen in Sarajevo? Neem schrijvers als Octavio Paz en Carlos Fuentes, die als ambassadeur van hun land voor de mensenrechten opkwamen. Hier worden mensen voor zo'n taak niet uit het culturele, maar uit het bedrijfsleven gerecruteerd. In een interview gaf Octavio Paz aan jonge schrijvers het advies eerst te beleven en te ervaren. Voor de meeste Nederlandse intellectuelen is de studeerkamer het werkterrein.

“Het is geen toeval dat de Westeuropese intelligentsia zo sterk beïnvloed is door de beperkte rationaliteit van wetenschap en economie. Het is een zeer abstracte, mechanische denkwijze die in onze westerse maatschappij besloten ligt en het geestelijk leven beïnvloedt. Ik kan morgen een doorwrocht artikel over Cambodja schrijven, zonder er ooit te zijn geweest. Maar dat is werk wat ik óók kan uitbesteden.”

In zijn werkkamer aan de universiteit wijdt hij zich aan een studie die nauw aansluit bij de onderwerpen van zijn doctoraalscripties: “Het gaat over verzoening en strafrecht in politieke overgangsperiodes. Hoe rekent een nieuw regime af met oude leiders die de mensenrechten schonden? Denk aan Zuid-Afrika, de voormalige Sovjet-Unie en de Oostbloklanden. Ik bestudeer de relatie tussen berechting en verzoening in het kader van het strafrecht en de plaats van de mensenrechten - het internationale recht - in de nog te vormen politieke orde. Wat moet er gebeuren met voormalige machthebbers die de mensenrechten op grove wijze hebben geschonden?”

Vijftigduizend verzen

“In Nederland worden rijmpjes verward met poëzie. In Iran maakte ik kennis met gedichten meteen nadat ik het alfabet had geleerd. Geen kinderrijmpjes, maar Perzische dichters vergelijkbaar met Goethe. Ferdosi, de Homerus van Perzië, schreef in de tiende eeuw vijftigduizend verzen waarvan ik hele stukken uit het hoofd ken. Met poëzie en literatuur leerde ik in Iran de taal. In de tweede klas van de basisschool leerde ik al de betekenis van woorden op verschillende manieren uit te leggen. Daar heb ik nog steeds profijt van. Voorlezen hoort bij poëzie. Als je dat niet kunt, kan je ook geen poëzie lezen.” Hij pakt een deel Ferdosi uit de kast en leest voor. Gutterale klanken in een meeslepend metrum. Verrukt legt hij uit: “God wordt hier gelijk gesteld aan het denken. Als je dat toen in Europa had gezegd, was je op de brandstapel gegooid. In Perzië zijn God en de rede even belangrijk.”

In een cultuur die zo zorgvuldig met teksten omgaat, moest De Duivelsverzen wel hard aankomen. “Het boek heeft eeuwigheidswaarde, want Salman Rushdie confronteert de moslim met essentiële vragen. Hij speelt een spel met de tijd, probeert de oude en nieuwe geschiedenis te verenigen, verweeft verzonnen en echte verhalen. Wij Iraniërs zijn allemaal even schuldig aan het doodvonnis tegen Salman Rushdie. Allen die op de avond van het vonnis in februari 1989 rustig aten en niet de straat op gingen, zijn schuldig.

“De barmhartigheid en vergevingsgezindheid van Mohamed staat haaks op de radicale revolutie die het Iraanse regime nu predikt. Mohamed zou met twee groepen nooit een verbond aangaan: dichters en hoeren. Poëta en puta horen bij elkaar, geen van beiden gaan intieme relaties aan. Een dichter die zich verbindt aan een politiek of religieus systeem, kan, zoals de Rus Majakovski, alleen maar zelfmoord plegen. Wij moeten aanklagen, ervaringen weergeven, zelfs in een democratische rechtstaat laten zien dat er armoede en onderdrukking is. Dichters zijn niet te vertrouwen. In die zin heeft de Ajatollah gelijk.”

Hij pakt een klein gebonden boekje met een verweerde kaft. Daaruit komt een pasfoto tevoorschijn: een donkerharige, streng kijkende jongeman met snor in een militair uniform. “Dat is mijn vader. Dit boekje droeg hij altijd bij zich. Het is een dichtbundel van Hafiz, ook uit de tiende eeuw. Goethe had Perzisch geleerd om Hafiz te lezen. Hij vond het Perzisch de meest zoete taal die hij kende.” Hij toont me de gekleurde afbeeldingen in het boek, onveranderlijk taferelen met minaretten, wijnkruiken en gesluierde vrouwen. “Mijn vader zei: als je moet kiezen, neem dan niet de moskee, want daar zitten de leugenaars. Kies wat je hart je ingeeft: de vrouwen of de wijn. Mijn vader, een beroepsmilitair, was anti-institutioneel. Hij had moeite met de kerk en met het leger. Hij had een hekel aan de moskee. Hij zei dat daar mensen tot fanatisme werden aangezet. Dat had hij goed gezien. Mijn vader beschouwde zelfbeheersing en discipline als grote deugden. Hij maakte me 's ochtends om zes uur wakker, want op dat uur kon ik mijn lessen beter onthouden. Kort na de revolutie is hij bij een verkeersongeluk omgekomen.” Waar het ongeluk plaats vond wil Afshin Ellian niet zeggen, om zijn famile ontraceerbaar te houden; hij volstaat met de mededeling dat het gezin met zes kinderen, waarvan hij de jongste is, gewoond heeft in Teheran en in noordelijk Iran.

Met zijn moeder had hij vaak conflicten. “Ik las Staat en Revolutie van Lenin. 'Als je dat uit je hooft leert en bij de groenteboer declameert, krijg je in ruil nog geen een kilo spinazie', zei ze. Een verschrikkelijke opmerking. Zij rationaliseerde alles. Ik moest arts of ingenieur worden. Mensen waren nooit te vertrouwen. Opkomen voor anderen was een misdaad. De mens was nu eenmaal een wolf. Na mijn vlucht hoorde ik dat ze ernstig onder mijn vertrek leed. Last van wroeging. Ik probeerde haar hierheen te krijgen. Haar dood heeft aan die pogingen een eind gemaakt.”

Ambtsberichten

Hij verwerpt de 'ambtsberichten' aan de hand waarvan de Nederlandse regering besloot dat Iran weer veilig was. “Hadden degenen die die berichten opstelden toegang tot de gevangenis? Tot onderdrukte schrijvers en dichters? Gingen zij de huizen binnen? Die ambtsberichten zijn louter bedoeld om het politieke geweten te sussen. En uiteindelijk om de economische betrekkingen met Iran weer aan te halen. Toen Nasseri hier in hongerstaking was, werd in vier gevangenissen in Iran ook gehongerd. Daar zijn mensen gestorven en geëxecuteerd. Het is daar niet veilig.

“Iran staat aan de rand van de afgrond. De tegenstellingen, met Koerden en andere groeperingen, zijn ongelofelijk verscherpt. De onderlinge wraakgevoelens kunnen tot een burgeroorlog leiden. Het Westen moet de executies, de schendingen van de mensenrechten en de verbreiding van het fundamentalisme in Iran heel serieus nemen. Er ontstaat een ontwaarding van alle waarden. Als de ajatollahs op deze manier hun religie blijven presenteren, vrees ik dat daar op den duur geen enkel woord meer waarde heeft. Mensen worden in het openbaar aan hijskranen opgehangen. Ik had nooit gedacht dat dit in oorsprong humane geloof tot zoiets in staat was.

“In mijn jeugd waren de geestelijken buitenmaatschappelijke figuren. Ajatollahs waren vaak nog respectabele filosofen, theologen, maar imams zagen we als als verachtelijke mensen. Een soort kosters, die je nooit zou uitnodigen op serieuze bijeenkomsten. Intellectuelen in de steden lachten om de geestelijkheid, die bestond uit arme boerenzonen. Maar ineens, na de revolutie, maakten honderdduizenden van die mensen de dienst uit! Zij gaven de bevelen en maakten de wetten. Het was de omgekeerde wereld.

“Khamenei, een lage geestelijke, was binnen een nacht na de dood van Khomeini ajatollah, hoewel hij volstrekt niet aan de eisen voldeed. Als zulke sukkelige boeren en bedelaars plotseling politieke macht krijgen, dan ontstaat een wraakoefening op de stedelingen. Zij bevelen nu het leger en de intelligentsia, waar ze vroeger altijd bang voor waren. Ze zeggen hoe de mensen zich moeten kleden, hun kinderen opvoeden...”

Een jeugd in vrijheid heeft hij niet gekend. “Ik stond als kind van acht met liedjes van de Sjah op en ik ging ermee naar bed. Toen ik hoorde dat in de stad een standbeeld van de Sjah was opgeblazen, kwam er een einde aan de eeuwige rust. Ik voelde me aangetrokken tot een links-radicale beweging, geïnspireerd door de ideeën van Che Guevara. Op het bezit van teksten van Brecht, Gorki en Marx stond vijftien jaar gevangenisstraf, die zouden aanzetten tot burgerlijke ongehoorzaamheid. We lazen de gedichten van de radicale dichter Samad Behrangie, die de scherpe tegenstelling tussen arm en rijk in Perzië aan de kaak stelde. Op een dag vond hij op mysterieuze wijze de dood in een riviertje. Behrangie werd het symbool van het linkse protest.”

Hij was een jaar of twaalf toen de revolutie uitbrak. “Ik nam deel aan felle demonstraties, als de Palestijnse intifadah. We werden in elkaar geslagen en beschoten. Veel kinderen die niet op tijd wegkwamen, werden doodgeschoten. Ik heb in die tijd tien, twaalf kinderbegrafenissen bijgewoond. Tienduizenden vonden de dood. Ik had het idee aan iets groots mee te doen. Ik verspreidde pamfletten en verdiepte me in het historisch materialisme. Ons doel was volledige vrijheid van spreken en schrijven en een einde aan de onrechtvaardigheid en corruptie onder leiding van de koninklijke familie: 'Dood aan de Shah'.

“De herdenkingen voor de doden op scholen en universiteiten werden plotseling overgenomen door de moskeeën. De ajatollahs spraken ons steeds vaker toe. De protestbeweging was bijna ongemerkt religieus geworden. Mijn moeder verweet me altijd dat ik naar de demonstraties ging om naar de meisjes te kijken - waar een kern van waarheid in zat. Maar ineens demonstreerden de jongens en de meisjes apart! Een maand later hadden die meisjes plotsklaps hoofddoekjes op! Zó snel is dat gegaan. Vlak voor februari 1979 zag ik nog erotische films in de bioscoop. Daarna was dat verboden. Nu denk ik: waarom hebben we toen niets tegen die beperkingen gedaan? Het is een overrompeling geweest.”

Hij laat een Iraanse popster horen, een melancholisch liedje vult de flatwoning. “Niet alleen westerse, maar ook veel eigen muziek was verboden. Ik moest al mijn cassettebandjes verbergen. Ondertussen leidde ik een fulltime politiek leven. Iemand die inmiddels is geëxecuteerd zei tegen mij: je hebt schrijftalent. Ik heb reportages geschreven voor linkse jongerenkranten. Bij het verspreiden stuitten we op Hezbollah-ploegen, Gestapo-achtige boeren zonder werk uit de marge van de steden. Lompe terreurgroepen die niet discussieerden. Ze sloegen ons in elkaar, gingen ons met messen te lijf. Of je werd meegenomen naar de veiligheidsdienst, waar je pamfletten werden verbrand.

“De Amerikaanse journalist John Reed, die ooggetuige was van de Russische Revolutie, heeft gezegd dat een dag tijdens een revolutie de verandering van een eeuw kan inluiden. Die dag moet ik hebben meegemaakt, maar ik herkende hem niet. Op de muren in de stad stonden ineens allemaal leuzen: 'Dood aan Amerika' of 'Amerika = de Grote Duivel', ondertekend met 'Imam Khomeini'. Wij waren in feite ondemocratisch, politiek onopgevoed. We wisten niet wat vrijheid was.”

Hij besloot te vluchten toen de groepering waar hij lid van was, verboden werd. “Alle leden en sympathisanten kregen een maand de tijd om zich aan te geven bij de veiligheidsdienst. Daar moest je de namen en adressen van al je vrienden opgeven en een verklaring ondertekenen dat je trouw bleef aan de islamitische wet en constitutie. Ik weigerde zo het regime te erkennen en dook onder. Toen stond ik op de arrestatielijst, een levensgevaarlijke toestand. Ik had geen onderdak. Een gezochte huisvesten was een strafbaar feit. Ik had vroeger veel vrienden, in de illegaliteit bleven daar weinig van over. Van de circa duizend leden van de lokale afdeling bleken er maar twaalf zich niet te hebben gemeld. Verre familieleden die ik belde, weigerden mij te ontvangen. Ik heb nog een paar nachten op een christelijk kerkhof geslapen.

“Mijn beslissing was onherroepelijk; ik moest zo snel mogelijk wegwezen. Buiten de dierentuin had ik nooit een kameel gezien. Nu werd ik door een ondergronds netwerk in de woestijn aan grensbewoners op kamelen overgeleverd. Ze hadden al honderden mensen over de grens gesmokkeld. Een regen van tranen was in dat zand geplengd. Dat vertrek was een mystieke ervaring. Ik keek naar de vreemde gezichten van de smokkelaars en kuste de aarde. Ik liet in tranen mijn land, mijn grond achter zonder te weten in welke aarde ik ooit zou worden begraven. Ik wist niet of de mensen aan de andere kant mij zouden begrijpen, of ze daar mijn vreugde en verdriet zouden delen. Als ik op dat moment was gearresteerd, zou ik me nauwelijks hebben verzet. Diep in mijn hart ging ik dood.”

Statenloos

Een paar jaar geleden, toen hij nog de vreemdelingen-'A-status' had, hield hij een lezing in Hongarije. De terugtocht strandde onverwacht in het niemandsland tussen Hongarije en Oostenrijk: de douaniers van beide landen eisten van Ellian een visum. “Even leek het erop dat ik binnen 24 uur op het vliegtuig naar mijn geboorteland zou worden gezet. Uiteindelijk kon ik, na een eindeloze reis via Boedapest en Wenen, terug naar Nederland. Op dat moment heb ik heel doordringend ervaren hoe het is om 'statenloos' te zijn. Ik stond daar in de rij tussen de zigeuners en sloebers, in de hoop op een stempeltje. Dan ben je niks, volkomen vogelvrij.

“Ik had me al heel serieus voorbereid op de terugkeer naar Iran. Ik zou mijn naam geven en verder zwijgen. Van contacten met de oppositie weet ik weet ik wat er met me zou zijn gebeurd. Eerst word je gemarteld, dan opgelapt om voor de televisie te vertellen dat je spion van het westen bent en olie-installaties wilde opblazen. Dan krijg je de belofte van levenslang en word je geëxecuteerd. Precies als in de Sovjet-Unie in de jaren dertig.”

Hij leest een gedicht voor, een ode aan de overwinning van Het Woord in plechtige cadans. Zal dit ooit in zijn geboorteland in vrijheid worden uitgesproken? “Ja, maar ik denk niet dat ik dan nog leef. Ik ben al tevreden dat het bestaat, dat het blijft. Dat het niet wordt vernietigd door terreurgroepen.” De tweede helft van Verrijzenis van woorden is in het Perzisch; niet een letterlijke vertaling, maar een vergelijkbare tekst. “Dit boek heeft een dubbele oorsprong; er zitten invloeden in van zowel Perzische als Europese dichters. Ik beschouw het als symbool voor Oost en West, die in harmonie naast elkaar moeten bestaan.

“Aanvankelijk stond ik ambivalent tegenover de poëzie. Ik had een jaar na Saddam Hoesseins inval in Iran een gedicht gepubliceerd. Toen dacht ik: zo ga ik de wereld niet veranderen, de wereld is een serieuze zaak. Er waren veel dichters geëxecuteerd, die in feite niets hadden gedaan. Ik wilde iets doen. Dat werd een zware studie naar de rationaliteit van de mensenrechten. Daarna dacht ik: kan ik zo overleven? Ik raakte in een crisis en besloot weer te dichten. Als wetenschapper of dichter alléén ben ik niet in balans. Poëzie is zo losbandig dat machthebbers die als godslasterlijk beschouwen. Terwijl het juist een stichtende en diep-religieuze schepping is. Er zijn voldoende redenen om te haten, maar wie de pen gebruikt, gelooft dat de mensen het waard zijn om te beminnen. Schrijven doe je voor de wereld. Dat is mijn geloof in de literatuur. ”

Verscheidene dissidente Iraniërs zijn in het buitenland door de veiligheidsdienst vermoord. Afshin Ellian is er van overtuigd dat alles wat hij doet en schrijft nauwkeurig wordt nagetrokken en vertaald, maar de lange arm vreest hij niet: “Aan de grens ben ik al een keer gestorven, dus wie doet mij nog wat? Nee, het is zinloos om over gevaar te spreken. Als ik zou collaboreren, bleef er geestelijk niets van me over. Ik zou niets goeds aan mijn kinderen kunnen overbrengen. Er is geen keuze. Als je wil blijven zoals je bent, als je niet kunt zwijgen, word je misschien geëxecuteerd. Dat risico is nu eenmaal mijn noodlot.”