In Calcutta is iets van vooruitgang te bespeuren

Moeder Teresa heeft er meer dan wie ook voor gezorgd dat de wereld te horen kreeg over de deprimerende armoede in Calcutta.

CALCUTTA, 13 SEPT. Een avondlijke wandeling door Calcutta is een enigszins hachelijke onderneming. Niet dat er overal rovers op de loer liggen, in de schaars verlichte straten met hun pokdalige wegdek. Het gevaar is vooral dat je in een moment van onoplettendheid stapt op slapende mensen, die zich bij tienduizenden hebben uitgestrekt op trottoirs, vluchtheuvels, en waar het uitkomt.

Eenzame zwervers, maar ook complete families uit afgelegen straatarme dorpen die hun geluk in de grote stad komen beproeven, zoeken hier enige nachtrust om energie op te doen voor een nieuwe, moeizame en meestal tamelijk voedselarme dag. De fortuinlijken weten zich na verloop van tijd op te werken tot een krotje in een bustee van de talloze naargeestige sloppenwijken van de reuzenstad met zijn circa twaalf miljoen inwoners. Anderen blijven op straat en slagen er nooit in aan de wurgende armoede te ontsnappen. De wandelende skeletten, waaraan Calcutta zo rijk is, vormen daarvan het levende bewijs.

Een plaatselijke krant meldde onlangs in een kort berichtje over een vrouw met twee jonge kinderen, die het niet meer kon opbrengen dag in dag uit naar een beetje voedsel voor hun drieën te moeten zoeken, dat toch nooit genoeg was. Teneinde raad had zij haar twee kindertjes van een hoge brug in de machtige rivier de Hooghly gegduwd. Beiden verdronken.

Al tientallen jaren wordt Calcutta met twee begrippen in verband gebracht, die rechtstreeks met elkaar te maken hebben: armoede en Moeder Teresa. De tengere non, die vandaag wordt begraven in de stad waar zij 68 jaar lang heeft gewerkt, heeft er meer dan wie ook voor gezorgd dat de wereld te horen kreeg over de deprimerende armoede van de stad. Ook Jyoti Basu, de hoog bejaarde communistische leider uit Calcutta met wie de streng katholieke non het altijd opmerkelijk goed kon vinden, gaf dat vorige week bij het nieuws van haar dood volmondig toe. De critici van Moeder Teresa, waaraan het ondanks haar 'heilige' status nooit heeft ontbroken, beschuldigen haar er van de stad ten onrechte te hebben afgeschilderd als een zwart gat, een plaats die geen toekomst heeft zonder tussenkomst van bovennatuurlijke machten.

Inderdaad was dit niet de eeuw van Calcutta. In 1911 verplaatsten de Britten hun koloniale hoofdstad naar New Delhi, waardoor Calcutta - tot dan na Londen fier de tweede stad van het immense Britse rijk - een gevoelige klap opliep. In 1947 verloor Calcutta een groot deel van zijn oostelijke achterland door het ontstaan van Oost-Pakistan, het latere Bangladesh.

Terwijl de economische perspectieven van de stad versomberden, bleef de bevolking explosief groeien door enorme aantallen Hindoe-vluchtelingen uit het nieuwe buurland en door de aanhoudende stroom gelukzoekers van het straatarme platteland in de wijde omtrek. Een groot deel van de nieuwkomers bleef permanent worstelen om het hoofd boven water te houden. Een klein deel van hen, in zekere zin de gelukkigen, belandden in de tehuizen die door de Zusters van Barmhartigheid van Moeder Teresa en andere organisaties werden opgericht.

Na lange jaren van malaise, die echter nimmer de algehele ondergang hebben gebracht die als zo vaak voor de stad is voorspeld, zijn er aanwijzingen dat er iets van vooruitgang is te bespeuren. De stroomvoorziening en de telefoons zijn hier dankzij enkele drastische hervormingen van het communistische bestuur inmiddels betrouwbaarder dan elders in India. Het vliegveld is het modernste van heel India.