Het cultuurbeleid kan best wat zakelijker

De overheid laat in toenemende mate de bedrijfsvoering van instellingen en de publieke belangstelling een rol spelen bij het steunen van cultuur. Daar is niets op tegen, vindt Melle Daamen. Als het Van Gogh-museum of het Rijksmuseum door een nieuw creatief tentoonstellingsbeleid erin slagen weer meer Nederlanders te trekken, verdient dat beloning, zolang de kwaliteit maar voorop blijft staan.

Richt de PvdA zich in haar cultuurbeleid te veel op de markt en gaat zij meer uit van rendement dan van kwaliteit? In NRC Handelsblad van 9 augustus bepleitten Piet Zelissen en Hans van Dulken dat de PvdA de cultuur een prominentere rol in het beleid geeft. Bij het lezen van dit artikel maakt zich een merkwaardige dubbelheid van mij meester. Iemand die meer politieke aandacht wil voor cultuur en cultuurbeleid kan rekenen op mijn, haast primaire, sympathie. Maar de argumenten van Zelissen en Van Dulken zijn op drijfzand gebaseerd en hun verwijten worden niet gestaafd. Nergens in hun artikel maken zij hard dat de PvdA het cultuurbeleid ondergeschikt maakt aan het marktdenken. Ieder bewijs, in de vorm van uitlatingen of verkiezingsprogramma's, ontbreekt. Het is opmerkelijk dat zelfs de liberale cultuurideoloog mr. drs. Atzo Nicolaï het in een reactie op het artikel van Zelissen en Van Dulken opneemt voor de PvdA (NRC Handelsblad, 30 augustus).

Dat een liberaal het opneemt voor de sociaal democratie heeft ongetwijfeld te maken met de vrij grote politieke concensus die in Nederland over cultuurpolitiek bestaat. Het wordt in het algemeen nodig en nuttig geacht dat de overheid een deel van het cultuuraanbod ondersteunt en stimuleert. Het gaat om een cultuuraanbod dat op de vrije markt niet of niet voldoende gedijt, maar om redenen van kwaliteit, ontwikkeling, historie of opvoeding toch steun verdient uit publieke middelen. Kunst als een merit good, zoals de sociaal democraat Tinbergen het eens beschreef. Over wat die 'merit' is bestaat nog wel enig verschil van mening, maar het is in dat verband opvallend dat de punten die Zelissen en Van Dulken noemen (emancipatie, mogelijkheden om te kiezen, educatie) grote gelijkenissen vertonen met de punten die naar voren kwamen in het cultuurdebat in liberale kring dat enige tijd geleden in deze krant werd gevoerd.

Ideologisch zijn de liberalen en sociaal-democraten dicht naar elkaar geschoven. De liberalen hebben niet langer bezwaar tegen overheidsinterventie omdat cultuurbeleid de mogelijkheid van mensen om te kiezen en (kwaliteit) te onderscheiden vergroot. De sociaal-democraten hebben de collectieve verheffingsidealen ingeruild voor veel individueler waarden, en kwamen daarmee dichter bij het liberale gedachtengoed.

Deze de-ideologisering legt een politiek stevige basis voor de legitimatie van het cultuurbeleid. Er zijn dan ook in Nederland geen serieuze politieke krachten die pleiten voor minder overheidsaandacht voor cultuur, anders dan in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, België en de VS. Economen als Arjo Klamer van de Erasmus Universiteit, de Amerikaanse econoom Grampp (Pricing the Priceless) en de Belgische econoom De Grauwe (De Nachtwacht in het donker) blijven in Nederland roependen in de woestijn met hun opvatting dat de overheid zich geheel zou moeten terugtrekken uit de markt en het mechanisme van vraag en aanbod zijn werkzaamheid zou moeten laten uitoefenen.

Anders dan Zelissen en Van Dulken schrijven, is er dan ook geen sprake van dat de overheid de cultuur over zou willen leveren aan de markt. Staatssecretaris Nuis van OCW zegt in zijn beleidsnotitie Pantser of Ruggegraat uit 1995 bijvoorbeeld: “Overgelaten aan het vrije spel van de markt, komen verschillende vitale onderdelen van onze cultuur onvoldoende aan bod. Daarom intervenieert de overheid, onder meer met subsidies.”

In het cultuurbeleid vormt kwaliteit nog steeds het leidend beginsel. Bij het verdelingsvraagstuk, bij de beoordeling welke culturele initiatieven subsidie verdienen, staat kwaliteit voorop en niet commercieel succes of een grote publieke belangstelling. Toneelgezelschappen, beeldend kunstenaars of musea die door de Raad voor Cultuur of de publieke cultuurfondsen artistiek onder de maat worden bevonden krijgen geen subsidie, ook al trekken zij veel publiek of hebben zij relatief hoge eigen inkomsten. Recent verdwenen zo het Haarlems Toneel en Tender van de culturele kaart, en was dat bijna gebeurd met De Appel, theatergezelschappen die over publieke belangstelling niets te klagen hadden. Omgekeerd worden veel kunstenaars ondersteund wier werk amper buiten het atelier komt, en zijn er talloze werkplaatsen en experimenteerplekken die zich richten op een zeer beperkt semi-professioneel vakpubliek. De overheid ondersteunt ook een Architectuurinstituut in Rotterdam en een Museum Boerhaave in Leiden: musea met unieke collecties, maar met een door de aard van collectie en presentatie beperkte publieke belangstelling.

Dit alles past binnen het bestaande cultuurbeleid. Dat neemt niet weg dat de overheid en de fondsen in tweede instantie wel degelijk en in toenemende mate bedrijfsvoering en publieke belangstelling mee laten wegen bij de uiteindelijke afwegingen. Essentieel daarbij is dat het om een afweging in tweede instantie gaat: niet in plaats van een beoordeling van de artistieke of cultuurhistorische kwaliteit, maar eraan ondergeschikt.

Ook bij cultuurbeleid en cultuurpolitiek gaat het om kiezen, er is immers een schaarste aan publieke middelen en bij die keuze mogen naast kwalitatieve ook zakelijke overwegingen een rol spelen. Waarom zou de overheid bij de toedeling van middelen een gezelschap als het Zuidelijk Toneel dat, vanuit een moeilijke startpositie, met een consequent artistiek beleid en veel aandacht voor de afnemers (schouwburgen en publiek), furore maakt niet wat mogen 'belonen' en bevoordelen ten opzichte van minder presterende toneelgezelschappen? Als het Rijksmuseum en het Van Gogh-museum door een nieuw creatief tentoonstellingsbeleid erin slagen om naast buitenlandse toeristen ook weer Nederlanders naar hun musea te trekken, dan verdient dat 'beloning' door een overheid. De overheid zou in die zin meer moeten subsidiëren om een gewenste ontwikkeling mogelijk te maken in plaats van te subsidiëren om een tekort op de begroting te dekken.

Het laatste kan ertoe leiden dat bedrijfsmatig wanbeheer wordt beloond (immers een groter tekort), terwijl het verwerven van meer eigen inkomsten (uit sponsoring en publieksinkomsten) wordt gestraft. Het Concertgebouw in Amsterdam dreigde hier onlangs de dupe van te worden, terwijl toch niemand zal ontkennen dat dit muziekpodium de laatste tien jaar een opmerkelijke ontwikkeling heeft gekend en ook in artistiek opzicht tot de beste muziekhuizen ter wereld is gaan behoren. De overheid zou dergelijk cultureel ondernemerschap moeten stimuleren. Succesvolle kunstinstellingen moeten de vrijheid krijgen met eigen inkomsten nieuwe initiatieven te ontwikkelen binnen een cultuurbeleid waarin het stimuleren van kwaliteit centraal staat.

Zelissen en Van Dulken hebben een wat ouderwets beeld van de rol van de overheid in relatie tot de markt. Hun artikel is niet ontbloot van een hang naar vroeger. Nostalgisch wordt verhaald over de jaren zestig toen politici als Willy Brand, Olaf Palme en Joop den Uyl bereid waren om naar kunstenaars te luisteren, en de tijd namen om een gesprek met hen op gang te brengen: “Met hun verscheiden is de aandacht voor cultuurpolitiek naar de achtergrond verdwenen en resten ons 'uitwisselbare pragmatische politici.”

Wat een onzin! Ik moet bekennen dat ik door mijn leeftijd Joop den Uyl slechts uit de jaren zeventig ken, maar van echte culturele bevlogenheid herinner ik mij weinig. Zijn veelgeroemde Paradiso-lezing vond ik ook toen al een gedateerd wollig verhaal. En na Brandt en Palme waren er toch ook politici als François Mitterand en Jacques Lang. In eigen land is voor het eerst een schrijver bewindspersoon voor cultuur, die in deze functie een ex-cabaretiere opvolgde. Deze nam onlangs het initiatief om een aantal kunstenaars en intellectuelen in Maastricht te laten debatteren over Europese integratie. En was niet Felix Rottenberg tot voor kort voorzitter van de PvdA? Ook lijkt het Zelissen en Van Dulken te zijn ontgaan dat de financieel specialist van hun partij, Rick van der Ploeg, zich actief in het cultuurdebat mengt. Zij zien dat wellicht als een slecht teken, ik zie het als een positieve ontwikkeling.

Voor zover ik weet heeft de PvdA, behalve onder literatoren, nooit enige aanhang onder kunstenaars gehad. Het was juist de laatste tijd, vooral onder invloed van Felix Rottenberg, dat er een gesprek met hen op gang kwam. Voor de suggestie dat de PvdA ooit een kunstenaarspartij is geweest, bestaat dan ook geen grond. De samenstelling van de groep 'De Mei' binnen de PvdA vormt daarvan een bevestiging.

Toch zitten er wel positieve elementen in het appèl van Zelissen en Van Dulken. Ik heb het dan over het brede cultuurbegrip en over het idee van een persoonlijke kleuring van de besluitvorming. Nicolaï keert zich tegen het idee dat gedurende een beperkte periode één of meer personen een deelverantwoordelijkheid krijgen bij de oordeels- en besluitvorming. Ik ben er positiever over, mede door de ervaringen bij het beeldend kunstbeleid in Oostenrijk. Daar krijgen iedere twee jaar een tweetal nieuwe Kuratoren een budget ter beschikking waarmee zij projecten kunnen initiëren, subsidiëren of faciliteren. De randvoorwaarden zijn beperkt en de vrijheid van de Kuratoren is groot. Voordeel is dat de 'grootste gemene deler' wordt gemeden en de dat de constructie flexibel en transparant is en cultureel ondernemerschap wordt gestimuleerd. Nadeel is de discontinuïteit. Daarom zou zo'n intendant-model niet in plaats van het huidige model van fondsen en Raad voor Cultuur moeten komen, maar ernaast, als eigenwijs keffende terriër.

Het Nederlands cultuurbeleid kan best wat pit en recalcitrantie gebruiken.