Een universitair dagschrift

De Universiteit van Amsterdam viert dit jaar haar 365ste verjaardag en bij dit 73ste lustrum heeft de universiteit een dagschrift uitgegeven, een agenda beginnend op 8 januari 1997 en eindigend op 7 januari 1998. Een mooiere agenda is moeilijk denkbaar, althans voor iemand die niet erg veel afspraken heeft. De helft van dit boek wordt opgevuld met curiosa uit universitaire verzamelingen. Op 10 januari staat bijvoorbeeld een handgeschreven briefje van prinses Juliana, dat zij op 10 januari 1929 aan haar promotor Albert Verweij stuurde:

“Hooggeachte professor. Ontvangt U mijn oprechten dank voor het toezenden van Uw rede en de aantekeningen. Ik stel het mij een genoegen voor het examen te mogen werken. Met gevoelens van de meeste hoogachting, Juliana van Oranje, n.m.” Vooral dat 'genoegen voor het examen te mogen werken' sprak mij aan. In mijn lange periode als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam heb ik nooit zo'n brief van een student mogen ontvangen, laat staan van een prinses.

Naast dit soort historische curiosa, bevat dit oogstrelende boekje ook stellingen van (oud)-medewerkers van de universiteit, puntig toegelicht. De Universiteit heeft lang geleurd om die stellingen bij elkaar te krijgen, maar het resultaat is de moeite van het doorlezen waard, omdat er veel leuke tekst in staat die ook een indruk geeft van de vitaliteit van wetenschapsgebieden. Wie kan er iets nieuws bedenken en dat ook nog met een sluitende redenering onderbouwen?

Na kennisname van dit sociologisch experiment is mijn conclusie dat de menswetenschappen (gamma-wetenschappen) nog steeds in de versukkeling zijn. Ik geef een voorbeeld. Op pagina 17 draagt dr. G.P.P. van Tillo, hoogleraar in de Faculteit der Godgeleerdheid (m.i. een sub-specialisme van de Culturele Antropologie) de volgende stelling aan: “Wetenschappelijk onderzoek is niet gericht op het verkrijgen van objectieve kennis omtrent de werkelijkheid, maar op de subjectieve behartiging van de belangen van de onderzoekers.” De toelichting is lang en ik citeer alleen de tweede helft: “Dit alles betekent dat het belang van de onderzoeker meer bepalend is voor de uitkomst van het onderzoek dan de empirische werkelijkheid die onderzocht wordt. Deze constatering heeft indringende gevolgen voor het verklaringsmodel van gedragswetenschappelijk onderzoek, omdat er immers door wordt aangetoond, dat het belang van de onderzoeker niet uit het verklaringsmodel mag worden weggelaten. Maar ze heeft gevolgen voor de wijze waarop we wetenschap in het algemeen moeten kwalificeren. Alles wat bestaat draagt immers de sporen van de wijze waarop het tot stand komt. Als dat zo is, gaat het bij wetenschappelijk onderzoek niet om objectieve kennis van de onderzochte werkelijkheid, maar om een subjectieve behartiging van de nagestreefde belangen.”

Originele stelling, leuk toegelicht, maar wel erg aanvechtbaar. Het kan best zijn dat ik alleen onderzoek doe uit eigenbelang, maar als dat onderzoek geen nieuwe kennis oplevert, waar de maatschappij wat aan heeft, kom ik niet ver met mijn eigenbelang. Onderzoek is net als voetbal, niet de inspanning maar het resultaat telt.

Deze stelling heeft een hoog jaren '70-gehalte. Toen was het in sommige faculteiten gebruikelijk om de harde kern van de wetenschap te marginaliseren en de empirische werkelijkheid te bagatelliseren. Het ging er niet om wat de structuur van DNA was, maar hoe je die structuur ervoer, hoe je zelf vond dat die structuur moest zijn. Gelukkig is er een keiharde empirische werkelijkheid in de chemie en in de biologie. De structuur van DNA is nog dezelfde als de structuur, die door Watson en Crick in 1953 is bepaald en die moet een student gewoon leren, wat hun 'subjectieve behartiging van nagestreefde belangen' ook mogen zijn.

Uit de bijdragen van de meeste menswetenschappers in dit dagschrift spreekt een zekere moedeloosheid, treffend verwoord op pag. 119 door de voormalige NRC Handelsblad-columnist prof. Abram de Swaan (Amsterdamse School voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek en dit jaar ook benoemd op de Chaire Européenne aan het Collège de France). Zijn stelling is: “Over een rare dubbelzinnigheid in de mensenwetenschap.” De (hier iets ingekorte) toelichting luidt: “Voorwerp van studie in de mensenwetenschap zijn mensen. Dat treft, want de beoefenaren van die wetenschap zijn dat ook. Het ligt dus in de lijn der verwachting dat die wetenschap der mensen snelle vooruitgang boekt vanwege de overeenkomst tussen onderzoeker en onderzochte. Dat is niet het geval, zoals bekend. Dat komt omdat iets dat zo ingewikkeld is dat het zelf iets kan onderzoeken, eigenlijk al te ingewikkeld is om door zoiets onderzocht te worden. Met andere woorden: de mens is de mens te moeilijk. Een stukje als dit gaat nog net. Er doet zich een tweede complicatie voor in de mensenwetenschap. Omdat het over hen gaat, denken mensen dat ze ook wel over de bevindingen van de vakmensen kunnen meepraten. Hun reacties zijn drieërlei: een, het is niet waar, bovendien, twee, het is van geen belang en tenslotte, drie, dat wisten we allang (Marx, Freud en Femin hebben het ook al gezegd).

“Bijna alle mensen weten heel veel van het samenleven, van hun eigen psyche en die van hun medemens. Waarschijnlijk meer dan in welke bibliotheek ook te vinden is. Vandaar dat ze min of meer adequaat functioneren in de onderlinge omgang. Een gebruiksaanwijzing voor het leven (ook de titel van een roman door George Perec) is nog nooit geschreven en ik denk niet dat alle geleerden samen er veel meer van terecht zouden brengen dan een gewoon mens al terloops doet. Mensen kunnen samenleven maar ze kennen het niet. Ze zijn ook niet van plan zich te veel te laten zeggen door iemand anders die zich een diploma heeft aangemeten in een kunde die zij vanzelf hebben opgedaan. Toch komt een enkele keer iemand in de sociale wetenschap tot conclusies die waar zijn, bovendien van belang en die je ook nog eens niet al wist. Deze bijvoorbeeld.”

Vergelijk deze serene moedeloosheid eens met de stellingen van de medici in het dagschrift, niet altijd even elegant geformuleerd maar wel gekenmerkt door een hoog gehalte aan empirische werkelijkheid en wetenschappelijk optimisme. Ik herinner mij nog goed hoe in de jaren '70 studenten in razernij konden ontsteken als zij geconfronteerd werden met dit optimisme, die verfoeilijke Amerikaans-positivistische wetenschapsopvatting. Ter illustratie de stelling en toelichting, die ik zelf op pag. 417 aan het dagschrift heb bijgedragen. Stelling: “Het humane genoomproject zal in tien jaar de geneeskunde ingrijpend veranderen.”

Toelichting: “Het humane genoomproject wordt in kranten meestal beschreven als een curiosum. De volgorde van drie miljard bouwstenen van ons DNA wordt bepaald. Een tour de force, vergelijkbaar met deltawerken of middeleeuwse kathedralen. Meestal wordt er ook wat spottend over gedaan, dat monnikenwerk. Kunnen ze hun tijd niet aan interessante biologische problemen besteden? Een domme vraag. Als dat genoomproject klaar is, kennen we ook alle menselijke genen, pakweg een tweehonderdduizend. In de jaren die daarop volgen zal van al die genen de functie bepaald worden. En dan komt het: afwijkingen in genen zullen gerelateerd worden aan aangeboren stoornissen of de kans op ziekte. Steeds preciezer zullen wij weten wat erfelijke aanleg is, of het nu kans is op kanker of depressie, muzikaliteit of aanleg voor voetbal.

“Aanleg en exogene factoren bepalen samen wat er van mensen terechtkomt. Maar wij hebben in de afgelopen decennia bij de opleiding van medische studenten de nadruk gelegd op de exogene factoren. Dat was niet omdat die exogene factoren zo makkelijk te definiëren zijn, maar omdat de geneeskunde weinig greep had op de aanlegfactoren. Dat gaat veranderen. Het genetisch paradigma zal een centrale plaats krijgen in de geneeskunde.”