EEN ONVERWOESTBARE AVONTURIER

In Turkije was hij een volksheld, in Engeland lange tijd een topper. Maar in Nederland is Ulrich van Gobbel weer 'gewoon' verdediger van Feyenoord. Toch kan de 26-jarige voetbalprof, die in Paramaribo werd geboren, zijn geluk niet op omdat hij weer thuis is. De lotgevallen van een teruggekeerde avonturier.

Hij ziet er op het voetbalveld onverwoestbaar uit, maar zelfs Ulrich van Gobbel kan vermoeid raken. “Ik moet weer het Nederlandse ritme te pakken krijgen”, zegt hij aan de vooravond van twee belangrijke wedstrijden tegen PSV (morgenmiddag) en Juventus (woensdag). “Donderdag kon ik in Heerenveen voor het eerst een wedstrijd helemaal goed uitspelen.”

Van Gobbel is atletisch genoeg om zich weer snel aan te passen aan de werkomstandigheden van een Nederlandse voetbalprof. Het avontuurlijke gevoel is helemaal in hem weggeëbd. Dat was anders in het najaar van 1995. Na het ontslag van Willem van Hanegem groeide de behoefte om in het buitenland aan de slag te gaan. Het vertrek van De Kromme uit De Kuip was een klap voor Van Gobbel. Op de dag dat hun wegen scheidden had hij samen met Ed de Goey, Gaston Taument en Henk Fräser een lang, emotioneel gesprek met de huidige coach van AZ. Vervolgens stapte Van Gobbel in zijn auto en reed urenlang doelloos rond. “Van Hanegem kon op de training flink tegen mij tekeergaan. In het begin kon ik me daar behoorlijk aan ergeren, maar toen ik de resultaten zag begreep ik dat hij op mij gesteld was. Van Hanegem had ook een goede band met De Wolf, Blinker en Taument. Onder hem ontstond een vriendenploeg en in die sfeer konden we in 1993 kampioen van Nederland worden.”

Van Hanegem ging, Haan kwam. Ook met hem had en heeft Van Gobbel geen slechte relatie. Maar toen Galatasaray zich meldde, dacht de verdediger aan zijn portemonnee. “Daar kom ik eerlijk voor uit. Wij moeten in korte tijd ons geld verdienen. Verder had ik altijd al gezegd dat ik nog een keer in het buitenland wilde voetballen.” In Istanbul keek Van Gobbel zijn ogen uit. De hectische taferelen rondom de stadions maakte hij daar in allerlei vormen mee. “Het was in die machtige voetbalstad een compleet gekkenhuis. De mensen beleven het voetbal daar met hun hart. Ze kunnen zelfmoord plegen als hun club verliest. Besiktas, Galatasaray en Fenerbahce bestrijden elkaar op leven en dood om de landstitel in één stad met twaalf miljoen inwoners.”

De eerste acht maanden voelde Van Gobbel zich aan de boorden van de Bosporus als een vis in het water. Met trainer Graeme Souness kon hij het uitstekend vinden. Hij trok veel op met Dean Saunders en de Amerikaanse doelman Brad Friedel. “We hadden dezelfde filosofie over voetbal. Ik werd binnengehaald als een vedette. En eigenlijk gaf me dat zoveel zelfvertrouwen dat ik vanaf de eerste wedstrijd goed speelde. Souness gaf me de positie van stopper in het centrum. Zelden of nooit kwam ik in de problemen. Ik heb nog tegen Shota Arveladze van Trabzonspor gespeeld (nu Ajax, red.). Inderdaad een sterke, behendige spits. Maar tegen mij kon hij niet scoren.”

Aan het einde van zijn eerste seizoen bij Galatasaray werd Souness ontslagen. De spelers met wie Van Gobbel veel optrok zochten hun heil elders en vanaf dat moment kreeg de verdediger die zijn profloopbaan begon bij Willem II het steeds minder naar zijn zin in Istanbul. “Als je daar als trainer geen kampioen wordt kun je vertrekken. Ik was op een gegeven moment alleen op mezelf aangewezen. Ik heb moeite gedaan de Turkse taal te leren en dat is me ook redelijk gelukt. Desondanks voel je je eenzaam. Ik weet nu wat buitenlanders in Nederland doormaken als ze hier binnenkomen bij een club zonder dat ze onze taal kennen. Ik heb in Turkije nooit problemen gehad. Alleen als je verloren had kon je beter binnen blijven. Ik heb niets gemerkt van discriminatie. De sensatiepers liet mij met rust. Maar ik ken spelers die op een terrasje ineens gefotografeerd werden met een meisje dat ze niet kenden. De volgende dag lazen ze dan de gekste dingen.”

Ongeveer een jaar geleden vroeg Van Gobbel bij het bestuur van Galatasaray om een transfer. Er waren contacten met Tenerife, maar die ketsten af omdat de Spaanse club hem niet meer kon inzetten voor Europa-Cupwedstrijden. Southampton, de nieuwe club van Graeme Souness, had daar geen problemen mee en bleek wel bereid de transfersom te betalen. “De aanhang van Galatasaray was woedend. Onder druk van het publiek bood het bestuur mij op de dag van vertrek twintigduizend dollar als ik nog de Europa-Cupwedstrijden tegen Paris Saint-Germain zou spelen. Maar ik had Souness al mijn woord gegeven. Hij kwam me persoonlijk ophalen.”

Ook in de Engelse kustplaats was Van Gobbel na een aanpassingsperiode een van de dragende spelers in het elftal. Toen Souness deze zomer opnieuw de laan uit werd gestuurd, belandde de razendsnelle verdediger op een zijspoor. De nieuwe manager David Jones zag het kennelijk niet in hem zitten. “Ik heb in de voorbereiding anderhalve wedstrijd mogen spelen. Maar toen we tegen Manchester United moesten voetballen werd ik ineens ingezet om Ryan Giggs uit te schakelen. Tien minuten voor tijd kreeg ik kramp. Ik vroeg drie, vier keer om een wissel maar ik mocht er niet uit. In die fase kon ik Giggs een keer niet houden en scoorde hij. Na de wedstrijd gaf Jones mij er geweldig van langs.”

Even spoorslags als hij vertrok keerde Uli half augustus na een bliksemtransfer weer terug in De Kuip. “Toen ik afscheid nam van de manager zei hij dat hij mijn vertrek betreurde. Jones had me graag willen houden. Ik vond dat vreemd. 'U had mijn vertrek toch kunnen voorkomen, u hebt hier toch de leiding', vroeg ik.” Als Jones wél een beroep op Van Gobbel had gedaan om te blijven, had hij toch zijn koffers gepakt. Degradatiekandidaat Southampton was onder zijn niveau, vindt hij. Feyenoord, de oude liefde, lonkte als nooit tevoren. “Bovendien een Nederlandse topclub die ook nog deelneemt aan de Champions League. Financieel ben ik er een beetje op achteruit gegaan, maar sportief er op vooruit. En dat is me nu meer waard. Money is not everything, weet ik inmiddels. Ik heb hier voor mijn vertrek zeven jaar gespeeld. Dan sluipt dat Feyenoord-gevoel langzaam in je. De staande ovatie die het publiek mij gaf bij mijn afscheid was een van de mooiste dingen die ik in mijn loopbaan heb meegemaakt. Daar blijf ik het legioen eeuwig dankbaar voor. De tranen schoten toen in m'n ogen. Na wat omzwervingen ben ik nu gestrand in De Kuip. Op het oude vertrouwde nest.”

Hij moet lang nadenken als hem wordt gevraagd of er grote verschillen bestaan tussen het Feyenoord van '95 en '97. “Er zijn natuurlijk veel meer buitenlanders. Maar de grootste verandering is toch wel dat de trainer meer de baas is geworden. De hand van Haan is goed merkbaar. Hij heeft meer overwicht op de spelersgroep gekregen. Dat vind ik een goede zaak. Van Hanegem liet je vrijer. Onder hem was je meer aangewezen op je eigen verantwoordelijkheidsgevoel.”

Van Gobbel betwijfelt of hij in het buitenland een betere voetballer is geworden. De Nederlandse stijl ligt hem beter. Bovendien heeft hij geen hoge dunk gekregen van het niveau van de competities waarin hij speelde. “In Turkije hield ik me te makkelijk staande. In Nederland moet ik soms alles uit de kast halen om een tegenstander uit te schakelen. Dat maakte ik daar zelden mee. In Engeland had ik moeite met het soort voetbal. Het tempo vooral. Het eerste half uur gaat het daar verschrikkelijk hard op en neer. Pff, pff, dan kon ik het nauwelijks bijbenen. Pas in het laatste kwartier wordt er echt gevoetbald. Dan raken de spelers vermoeid en laten ze de bal het werk doen. De trainingen zijn daar veel te slap. De Engelse verdedigers zijn te stumperig. Je ziet dat zo'n goede voetballer als Philippe Albert behoorlijk is afgezakt bij Newcastle United. Hij was op het WK in 1994 een kanjer. Maar tegen Kluivert en Bergkamp kwam hij gewoon snelheid te kort.

“Je kunt wel alles geven in de wedstrijden, zoals de Britten doen, maar dat is niet voldoende. Soms heeft de motor een extra smeerbeurt nodig. Op de training met positiespelletjes bijvoorbeeld. Aan conditietraining besteden ze in Engeland alleen in de voorbereiding veel aandacht. Bij Southampton werden we losgelaten op een militaire stormbaan. Nou, nou, nou. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt. Veel te zwaar. Die jongens waren het allemaal wel gewend. Maar ik zei: 'Jullie zijn gek dat je dit doet'.”

Dat de Britten tactisch niet erg onderlegd zijn is genoegzaam bekend. Zelfs Souness, met wie Van Gobbel toch goed heeft gewerkt, was in dit opzicht zeker geen hoogvlieger. Aan het uitstippelen van een bepaalde strategie werd onder zijn hoede ook niet veel aandacht besteed. “Voor de wedstrijd stond in de kleedkamer altijd keiharde muziek aan. Iedereen lachte, brulde en schreeuwde. Je kreeg je plek te horen en er werd gezegd: we spelen vandaag two touch-football. Je mocht de bal dus twee keer aanraken. Dat was dan de volledige tactische bespreking. Maar als de bel ging stond iedereen wél klaar. Na de wedstrijd gingen we naar een local pub. Daar heb ik bier leren drinken. Van die grote pints, ja. Smerig? Op een gegeven moment ga je het lekker vinden.”

De indruk die Van Gobbel van het Engelse voetbal heeft gekregen sterkt hem in de gedachte dat Feyenoord een kans heeft in de Champions League, waarin het is ingedeeld in een poule met Manchester United en Juventus. De eerste twee teams gaan over naar de kwartfinales. “Als het gaat tussen ons en United dan hebben wij zeer zeker een kans. Die ploeg heeft op papier grote namen. Maar in Engeland ben je al gauw een sterspeler. De verdiensten kunnen wel hoog zijn, maar dat zegt nog niets over de voetbalkwaliteiten. Menige goede voetballer in Nederland hoeft niet op te kijken tegen een vedette in Engeland.”

Als hij lacht, stralen zijn hagelwitte tanden. Van Gobbel is aan tafel niet de speler die op het veld door zijn uitstraling schrik inboezemt. “Ze vragen weleens waarom ik zo boos kijk. Dat is niet bewust. Krachttraining is nooit nodig geweest. Ik heb alles van moeder natuur meegekegen. Maar ik ben nog niet de sterkste uit mijn familie. M'n broertje is twintig en twee koppen groter.”

Ulrich van Gobbel vindt dat hij zich door de jaren heen meer ontwikkeld heeft tot een centrumverdediger. Tegen Heerenveen opereerde hij als rechtsback. “Op die positie kan ik ook heel goed spelen”, haast hij zich te zeggen. “Maar mijn voorkeur gaat toch uit naar de rol van centrale verdediger.” Ondanks die veelzijdigheid is het Nederlands elftal en het WK nog ver weg. Met meer dan normale belangstelling volgde de achtvoudige ex-international Oranje en vooral Patrick Kluivert tegen België. “Het heeft mij ontzettend veel pijn gedaan wat hem is overkomen”, wil Van Gobbel tot slot kwijt. “Toen hij scoorde, juichte ik inwendig mee. Hij is ontzettend gezocht. Niemand stapt in een auto om een ander dood te rijden. Van die affaire met dat meisje geloof ik weinig. We hebben allemaal onze wilde haren gehad. Het kan iedereen overkomen. Je kunt Patrick hoogstens verwijten dat hij had moeten beseffen dat wij topvoetballers allemaal in een glazen kooi leven.”