De pseudo-herrijzenis van de socialisten

Is er in West-Europa sprake van een ideologische trendbreuk? Zijn we getuige van de politieke wederopstanding van de sociaal-democratie na een decennia durende overheersing door neo-liberalen? Kees van Kersbergen denkt van niet. Ondanks een verwoede zoektocht ontbreekt het de Westeuropese partijen aan een ideologische identiteit.

Onlangs kondigde PvdA-leider Wim Kok aan dat de verkiezingscampagne wat hem betreft niet zo glamourachtig hoeft te zijn. “Laten we het een beetje gewoon houden”, zei hij en repte vervolgens van nieuwe accenten ten aanzien van de inrichting van Nederland, het belastingstelsel, de sociale zekerheid, de zorg en het onderwijs. Ten slotte pleitte hij voor een meer geaccentueerd inkomensbeleid.

Dit 'gewoon doen' en het willen zetten van 'accenten' is niet zo zeer typisch Hollands als wel symptomatisch voor de sociaal-democratie in West-Europa. Overdreven behoedzaamheid en gebrek aan ideeën lijken voorwaarden voor machtsbehoud. Het is opvallend dat in de meeste landen van de Europese Unie nu sociaal-democratische partijen aan de macht zijn. Deze partijen regeren alleen (Groot-Brittannië, Griekenland, Portugal en Zweden) of in coalities met uiteenlopende groeperingen, van radicaal links en groen (Denemarken en Frankrijk) via het christen-democratisch centrum (Italië, Oostenrijk, België en Luxemburg) tot en met liberaal en conservatief rechts (Nederland en Finland). Alleen in Duitsland, Ierland en Spanje zitten de sociaal-democraten in de oppositie.

Is in West-Europa sprake van een ideologische trendbreuk en van een politieke machtsverschuiving ten gunste van de sociaal-democratie? Zijn we getuige van de politieke wederopstanding van een beweging die de afgelopen decennia ontegenzeglijk ideologisch zwaar geleden heeft onder de neo-liberale dominantie?

Ik denk het niet. Juist het wegmoffelen van duidelijke programmapunten en het benadrukken van zoiets vaags als modernisering en vernieuwing van de door de Tories gecorrumpeerde politieke cultuur vormden in Groot-Brittannië de voorwaarden voor de overwinning van New Labour. Het waren de impopulariteit van de bezuinigingen en de typisch electorale belofte dit beleid te staken die gunstig bleken voor de socialisten in Frankrijk. En in Duitsland versterken de volledig gepersonifieerde conflicten rondom het leiderschap de interne ideologische tegenstellingen binnen de SPD en verzwakken zo de positie van de partij ten opzichte van de christen-democraten.

Niets wijst op een waarlijke herrijzenis van de sociaal-democratie in West-Europa. Dat zou het bestaan veronderstellen van een coherente politieke ideologie en een hieraan gekoppeld programma van actie voor de korte en middellange termijn. Een dergelijk programma zou de essenti verschillen met andere politieke bewegingen, in het bijzonder het neo-liberalisme, benadrukken, kansen bieden op structurele machtsvorming en dus verder gaan dan voor de verkiezingsstrijd uitgevonden loze slogans.

Zo'n programma bestaat niet. Ondanks een verwoede zoektocht ontbreekt het de sociaal-democratie in West-Europa aan een politiek-ideologische identiteit. Het huidige optimisme over de eigen positie wortelt in een illusie van macht. De positie van de sociaal-democratie is vergankelijker dan menig aanhanger denkt of hoopt.

Waar is het sociaal-democratische gedachtegoed eigenlijk gebleven? Ooit bood de economische theorie van Keynes een aanlokkelijk en geniaal fundament voor de politieke ideologie. Deze theorie beloofde meer staatsinvloed op de economie en een voor alle partijen positief vergelijk tussen de markt en het socialisme. Bovendien gaf zij een economische onderbouwing aan het gelijkheidsideaal omdat een rechtvaardiger inkomensverdeling de economische groei ten goede kwam. Keynesiaans economisch beleid garandeerde dat de economie zo efficiënt mogelijk kon functioneren, zodat een positieve uitruil tussen de belangen van werkgevers en werknemers vergemakkelijkt werd. Het vormde de basis voor de verzorgingsstaat omdat de sociale zekerheid gefinancierd kon worden zonder de markteconomie te verstoren.

De sociaal-democratie werd zo voorvechtster en hoedster van de sociale democratie, verzorgingsstaat en sociaal-democratie werden nagenoeg inwisselbare begrippen. Politiek geniaal was vooral dat door het benadrukken van gelijkheid in het beleid de band met de traditionele achterban werd versterkt en tegelijkertijd de aansluiting bij de middengroepen gevonden kon worden.

Van deze historische missie als hervormer en beheerder van een gemengde, democratisch-kapitalistische orde is niet veel meer over. Eerst ging het vertrouwen in de gemengde economie en het Keynesianisme verloren. Vervolgens kwam de verzorgingsstaat onder druk te staan. In het verlengde hiervan moest ook het dominante gelijkheidsdenken het veld ruimen. Het intellectuele en politiek-filosofische overwicht van de sociaal-democratie maakte plaats voor een herlevend liberalisme, in het bijzonder in economisch opzicht.

Juist vanwege de politieke verbondenheid tussen de sociaal-democratie en de Keynesiaanse verzorgingsstaat (inclusief het gelijkheidsstreven) impliceerde de crisis van de één de terugval van de ander. De tragiek van de sociaal-democratie was dat ze haar welslagen niet kon verzilveren en slechts de resultaten van haar falen mocht incasseren. De verworvenheden van de Keynesiaanse verzorgingsstaat werden als vanzelfsprekend ervaren, terwijl de uitwassen en (onbedoelde) negatieve gevolgen de sociaal-democratie in de schoenen zijn geschoven.

Het gemeenschappelijk kenmerk van de sociaal-democratische partijen op dit moment is de ideologische verwarring en het langzaam maar zeker gerijpte idee dat vernieuwing van het gedachtegoed onvermijdelijk is. De partijen zijn onder dwang tot dit inzicht gekomen. Ten eerste noopte het verlies van kiezers tot vernieuwing. Verkiezingsnederlagen roepen niet alleen tactische of campagne-technische vragen op, maar plaatsen ook strategische thema's als het structurele verlies van een natuurlijke achterban en de identificatie van potentieel nieuwe maatschappelijke coalities op de interne agenda van partijen. Dit vergt ideologische bijstelling. Het heeft echter vooralsnog hoofdzakelijk tot vernieuwing van de verkiezingsslogans geleid.

Daarnaast eiste het succes van het neo-liberalisme een antwoord. Intern speelde de uitdaging van het neo-liberalisme door, bijvoorbeeld in de controverse over de voor- en nadelen van het marktmechanisme. Anderzijds noodzaakte de neo-liberale voorspoed de sociaal-democratie een veel bredere en scherpere diagnose te stellen van de sociaal-culturele context, waarin de aantrekkingskracht van een waarde als individuele prestatie de vanzelfsprekendheid van de voor de sociaal-democratie essentiële norm van solidariteit verder dreigde te ondermijnen. Inmiddels hebben de sociaal-democratische partijen veel van het liberale marktdenken in hun programma's opgenomen en verzuimd een alternatief te formuleren.

Ten derde stelde de opkomst van nieuwe maatschappelijke vraagstukken en nieuwe politieke strijdpunten de sociaal-democratische partijen voor problemen van ideologische integratie. Zo kwam de vraag op of en hoe de ecologische kwestie een meer dan marginale plaats kon innemen in het ideologisch profiel. Electorale overwegingen voor de korte termijn dwongen onmiddellijk tot aanpassing, zeker toen de partijen zich ter linkerzijde geconfronteerd zagen met groene partijen. De buitengewone complexiteit van de milieukwestie en het enorme belang dat op het spel staat, eisten echter een vergaande omwerking en wellicht zelfs een overstijging van de ideologie van een beweging die van oudsher op economische groei georiënteerd is en productivistisch denkt. Een dergelijke transformatie heeft tot op heden nergens plaatsgevonden.

Maar de teloorgang van het Keynesianisme en de crisis van de verzorgingsstaat tastten het ideologisch hart van de moderne sociaal-democratie aan. Zij bemoeilijkten niet alleen het bewaren van het karakter van brede volkspartij, maar vraten ook de politieke en ideologische samenhang van de partij-politieke organisatie aan. Het gevolg was verwarring en interne polarisatie, zeker in die landen waar de partijen regeringsverantwoordelijkheid droegen.

De verwarring kwam tot uitdrukking in de soms gelijktijdige omarming van tegenstrijdige ideologische principes, van een gematigde versie van het monetarisme tot en met geradicaliseerde opvattingen over publiek eigendom en verhoogde staatsinterventie. Of de verzorgingsstaat nu wel of niet verdedigd moest worden, werd in deze onoverzichtelijke situatie steeds onduidelijker. Het groeiend besef dat de mondialisering van de economie en de versnelde Europese integratie (in het bijzonder de monetaire eenwording) steeds klemmender grenzen stellen aan de ruimte voor nationaal beleid, maakte de vraag naar de mogelijkheden tot behoud van de verzorgingsstaat niet alleen dringender, maar ook moeilijker te beantwoorden. Een begin van een antwoord tekent zich nog niet af.

Is er dan helemaal geen lijn te ontdekken in de ideologische vernieuwing van de sociaal-democratie in West-Europa? Niet echt. De enige trend betreft de ontwikkeling in de richting van strikt pragmatisch-electorale kaderpartijen die vernieuwing zoeken in goed klinkende, maar overigens loze kreten.

Het beste voorbeeld van deze ontwikkeling is de Britse Labour Party. Deze brak in 1976 met het Keynesianisme en zag zich gedwongen een bezuinigingspolitiek te voeren tot het moment dat ze in 1979 in de oppositie belandde. Sindsdien maakte eerst een radicalisering van economisch beleid (staatseigendom van bedrijven, planning, bedrijfsdemocratie) onderdeel uit van een poging de partij te hervormen. Aan die verschuiving naar links kwam echter in 1983 al weer een abrupt einde. Het verkiezingsdebacle van dat jaar en dat van 1987 vormden de belangrijkste drijfveren voor een nieuwe poging het ideologisch profiel aan te passen. De koers die toen werd gevolgd was echter niet nieuw. De belangrijkste doorbraak betrof de afwijzing van staatseigendom van bedrijven, iets waartoe de andere sociaal-democratische partijen al in een veel eerder stadium hadden besloten.

Labour voerde een ideologische zig-zag koers. In de permanente poging te bewijzen dat het oude, kiezers wegjagende socialisme met zijn hameren op de economische rechten van de arbeidersklasse niet meer bestond, benadrukte Blair vooral individuele verantwoordelijkheden en plichten, gemeenschapszin, verantwoordelijk burgerschap, een 'stakeholder-economie', maatschappelijke rechtvaardigheid en zelfs corporatisme. Zijn sociaal-democratie kan men het best typeren als een volledig geseculariseerde, Angelsaksische versie van de continentale christen-democratie.

Typerend was een speech in januari 1996, waarin Blair zei: “Ik vertrek vanuit de simpele gedachte dat mensen geen afzonderlijke economische actoren zijn die met elkaar concurreren op de marktplaats van het leven. Zij zijn burgers in een gemeenschap. We zijn sociale wezens, grootgebracht in gezinnen en gemeenschappen en menselijk voorzover we de morele macht van de persoonlijke verantwoordelijkheid voor onszelf en voor elkaar ontwikkelen”. Daarnaast was er tijdens de campagne veel aandacht voor 'law-and-order', het gezin en een aantal belangrijke concrete strijdpunten als het minimumloon, constitutioneel-bestuurlijke veranderingen en de implementatie van internationale verdragen. Een coherent stelsel van ideeën dat met recht sociaal-democratisch genoemd kan worden, zoekt men ook bij New Labour tevergeefs.

Een van de grootste problemen voor de sociaal-democratie in West-Europa is dat het streven naar macht en de noodzakelijke politiek-ideologische vernieuwing elkaar lijken te bijten. Hierdoor bevinden de partijen zich in een permanente overgangssituatie zonder dat duidelijk is in welke richting ze zich ontwikkelen. De vraag wat er voor het traditionele sociaal-democratische gedachtegoed in de plaats moet komen, is weliswaar op lange termijn cruciaal, maar kan in het licht van alsmaar dreigende verkiezingen niet beantwoord worden. Het risico dat het antwoord kiezers afschrikt, is immers te groot. De wonderbaarlijke herrijzenis van de sociaal-democratie in West-Europa is daarom een gemankeerde: alles moet weliswaar 'nieuw', maar wat dat nieuwe is, blijft duister.