Bewaren effecten maakt banken slapend rijker

Wie bij een van de grote banken de goedkoopste beursorderlijn heeft gevonden, wacht nog een verrassing als de rekening binnenkomt voor het effectenbezit. De opmars van de beursorderlijnen voor de aan- en verkoop van effecten heeft twee jaar geleden een ware prijzenslag ontketend voor de kosten van het handelen in effecten, maar het bewaren van de eenmaal aangeschafte effecten is bij de grote financiële instellingen nog net zo duur als vroeger.

Eigenlijk is bewaren zelfs een stuk duurder geworden: de grote banken rekenen een percentage van de waarde van de effecten die zij, zoals dat heet, in depôt hebben. “Er bestaat een grote rigiditeit op dat punt”, zegt directeur drs P. de Vries van de Vereniging van Effectenbezitters (VEB), die in dit specifieke geval niet alleen een rol als belangenbehartiger heeft. De VEB treedt ook op als partner in de VEB Bottomline beursorderlijn van Bank Labouchere.

Deze orderlijn rekent geen apart bewaarloon onder het motto dat de belegger via het bewaarloon wordt gestraft voor de waardestijging van zijn effecten. De SNS Discount effectenlijn heeft een vergelijkbare kostenstructuur: naast het aan- en verkooptarief een vast bedrag per maand van minimaal 10 gulden voor alle andere provisies, zoals het bewaarloon.

Hoewel de kartelachtige provisie-afspraken tussen de banken voor het bewaarloon in 1991 zijn afgeschaft, zijn de tarieven van de grote instellingen, op één uitzondering na, identiek. Kleinere effectenhuizen conformeren zich daar veelal aan. De uitzondering heeft betrekking op het vaste bedrag dat een bank rekent voor specifieke effecten, de zogeheten regels. Wie al zijn geld in één soort obligatie of in één beursgenoteerd fonds heeft belegd, betaalt een bedrag dat uiteenloopt van 3,50 tot 5 gulden. Hoe groter de spreiding in de effectenportefeuille, hoe meer verschillende effecten in depôt, hoe meer regels, hoe hoger deze 'regel'-kosten.

Over de waarde van de effectenportefeuille becijferen banken naast de vaste kosten ook een procentuele vergoeding. Wie een effectenportefeuille van een ton heeft, is 200 gulden (0,2 procent) kwijt, tussen een ton en vijf ton is het 0,1 procent en zo door tot boven een effectenbedrag van 10 miljoen gulden, waarbij de kosten 0,02 procent zijn. Deze tarieven zijn exclusief BTW en ze gelden, bij de zogeheten 'regel'-provisies, alleen voor Nederlandse effecten.

Bewaarloon is overigens aftrekbaar voor de inkomstenbelasting, en dat lijkt een belangrijke reden voor het gebrek aan prijsconcurrentie en klachten over deze kostenpost. In de gefiscaliseerde Nederlandse samenleving worden kosten waaraan de Belastingdienst 'meebetaalt' als minder smartelijk ervaren. Bij de VEB komen wel klachten binnen, vertelt De Vries, voornamelijk als de nota binnenkomt: verbazing en ergernis over stijgende bedragen.

Dankzij de koersstijging van de laatste twee jaar op de effectenbeurs lijkt bewaarneming van effecten een goudmijntje voor de banken geworden. “De automatisering heeft er bovendien voor gezorgd dat de kosten van bewaren zijn teruggezakt”, vindt de Vries. “Als bank bouwen wij ook nieuwe systemen om beleggers op de hoogte te houden”, reageert een woordvoerder van ABN Amro, de grootste particuliere effectenbank van Nederland in een reactie.

Wie het bewaarloon niet wil betalen, kan er voor kiezen om zijn aandelen op naam te laten zetten, zo vertelt De Vries. Daar zijn eenmalige kosten mee gemoeid, maar wie bij voorbaat weet dat hij jarenlang aandeelhouder zal blijven, heeft verder geen omkijken. Aandelen op naam hebben wel een nadeel: snel verkopen is onmogelijk.