Theorie over isolement van de kunst

Riki Simons: De gijzeling van de beeldende kunst.

J.M. Meulenhoff. 134 blz. ƒ 22,90

Kunstcritica Riki Simons heeft een interessante stelling: de beeldende kunst wordt door de overheid om zeep geholpen. Doordat museumdirecteuren, ambtenaren en kunstwetenschappers alle academieverlaters met een beetje talent jarenlang vertroetelen, hen op riante subsidies onthalen en hun kunst voor veel te hoge prijzen aankopen, is er een kunstcircuit ontstaan dat ingewijden misschien wel aanspreekt, maar de rest van de bevolking niet. Voeg daarbij dat deze politiek er toe geleid heeft dat particuliere verzamelaars nauwelijks meer bestaan, en het sombere beeld is compleet. De beeldende kunst is in een ontoegankelijk reservaat beland.

Het thema van de relatieve isolering van de kunst is niet geheel nieuw. In ons land heeft A. de Swaan er in 1985 op gewezen dat het stelsel waarin kunstspecialisten adviseren over de toewijzing van subsidiegelden er toe kan leiden dat de kunst nog autonomer wordt dan zij toch al is, en zich verder verwijdert van de smaak van het grote publiek. In de Verenigde Staten pleitte Wiliam Grampp in 1989 op welsprekende wijze voor de kunstmarkt als enige graadmeter voor kwaliteit en veegde hij de vloer aan met alle argumenten voor overheidssubsidiëring. Zelfs onze eigen ministers van Cultuur hebben wel eens een bijdrage aan dit debat geleverd. Al in 1983 opperde minster Brinkman in een discussienota dat het subsidiecriterium 'vernieuwing' er verantwoordelijk voor is dat er 'een soort Rijksoverheidskunst in het leven geroepen en gehouden wordt' die weinig met de kunstpraktijk, maar alles met departementale ideeën over kunst te maken heeft.

Simons, zou je kunnen zeggen, werkt in een bescheiden traditie. Ze voegt aan die traditie twee dingen toe: een verontwaardigde toon en een theorie over het ontstaan van het isolement van de beeldende kunst. De verontwaardiging is in haar boek goed verzorgd. De overheid maakt 'meer kapot dan ze goed doet', de overheid is er in geslaagd de kunstenaars en hun kunst 'inhoudelijk in te lijven', de kunstenaars laten zich niet meer leiden door hun eigen talenten en impulsen, maar door de 'anti-oorspronkelijke en anti-spontane voorkeuren en belangen van het ambtelijk-wetenschappelijk establishment'.

Het kunsttheoretische idee waarin dit establishment volgens Simons gevangen is, kan gekarakteriseerd worden als de 'Van Gogh-mythe': het idee 'dat het juist de beste kunstenaars zijn die in hun tijd geen erkenning vinden.' Daarom kwam er, volgens Simons, in de periode vanaf 1945 een kunstbeleid: officiële erkenning, fondsen, subsidies en aankoopbudgetten.

Dat is een goedkope simplificatie. De gedachte dat kunstenaars hun tijd vooruit kunnen zijn, is in de legitimering van het kunstbeleid sinds 1945 altijd aanwezig geweest, maar dat het uitblijven van publieke waardering een teken van kwaliteit zou zijn, en dat er daarom kunstbeleid is - dat is een redenering die door geen ambtenaar of politicus ooit serieus naar voren is gebracht. Simons doet niettemin veel moeite die redenering er in te hameren, want zij heeft hem nodig om aannemelijk te maken dat een monsterverbond van ambtenaren, museumdirecteuren en kunstwetenschappers zich met behulp van dit idee over de beeldende kunst heeft ontfermd. Beginnende kunstenaars vallen al snel in de handen van het subsidiecircuit, krijgen niet de kans zich in contacten met galerie en verzamelaar verder te ontwikkelen, en dat allemaal onder auspiciën van de ideologie dat hoogstaande kunst nu eenmaal geen succes kan hebben. Met de overheidssubsidies en de vorstelijke aankoopbedragen kunnen de verzamelaars en de galeries niet concurreren, de jonge kunstenaars prijzen zichzelf uit de markt en het resultaat is dat we nu volgens Simons met een kunst zitten die zich bevindt 'in een toestand van langdurige gijzeling door grijze wetenschappers en ambtenaren'.

Alweer: een gedachte waar misschien wat in zit, maar dan moet de argumentatie eerst sterk verbeteren. Als Simons de samenstelling van beoordelingscommissies schildert en daar vooral kunstprofessionals, kunstkenners en ambtenaren ontwaart, vergeet ze dat het vooral kunstenaars zijn die dergelijke commissies bevolken en dat het, net als in de wetenschap en in andere professies, vooral kunstenaars zijn die over hun collega's oordelen. Dat ambtenaren over de toewijzing van subsidies aan kunstenaars zouden oordelen zou Simons goed uitkomen, maar het is gewoon niet waar.

In dergelijke foutjes wordt zichtbaar dat de complottheorie van Simons alleen werkt als je de feiten net zo lang boetseert tot ze een andere vorm hebben aangenomen. Want zo gemakkelijk als het is om te beweren dat ambtenaren en kunsttheoretici een misleidende theorie over de kunstenaar als onbegrepen genie exploiteren om zodoende de touwtjes in handen, en de markt buiten de deur te houden, zo moeilijk is het om daarvoor bewijzen te vinden.

't Is waar, in het moderne museum is nogal wat beeldende kunst te zien die niet op massale bijval van het publiek kan rekenen. Dat doet zich niet alleen in Nederland voor. Hetzelfde verschijnsel valt bijvoorbeeld waar te nemen in de Verenigde Staten, een land waar de overheid zich ten opzichte van de kunst uiterst terughoudend opstelt. Dat wijst erop dat de autonomisering van de beeldende kunst een internationale ontwikkeling is, en dat het niet erg aannemelijk is dat het Nederlandse subsidiestelsel daarvan de motor zou zijn.

Hoe zit het dan? Het zit ingewikkelder. Naarmate de adel en de kerk in de loop van de achttiende eeuw steeds meer hun macht en rijkdom kwijtraakten, konden zij ook steeds minder opdrachten aan beeldende kunstenaars verstrekken. Die kunstenaars zagen zich gedwongen voor de opkomende burgerlijke klasse te werken en gingen voor het eerst schilderijen maken, terwijl ze nog niet wisten of er wel een koper zou komen opdagen, en wie dat was. Dat dwong de kunstenaars op hun eigen ideeën af te gaan. De kunst werd 'vrij', en de sociaal-economische positie van de kunstenaars wankel. In die situatie verkeren we nog steeds, en het valt niet te verwachten dat de kerk of de adel hun verloren posities zullen terugwinnen.

Daar staat tegenover dat de overheid tegenwoordig een belangrijke partij is op de kunstmarkt. Onder druk van kunstenaars en verlichtingsdenkers heeft de overheid zich uiteindelijk om de kunst bekommerd. Maar is zij daarmee ook de voornaamste oorzaak van het isolement van de kunst? Het is alweer weinig waarschijnlijk. Ten eerste heeft de overheid zich steeds beijverd de drempels te slechten en de kunst toegankelijk te maken. Dat dit niet altijd lukt, doet niets af aan het feit dat tegenwoordig iedereen een kaartje voor het museum kan kopen, kunst kan lenen en kunstprogramma's op de tv kan zien.

Maar belangrijker is dat het optreden van de overheid eerder een gevolg dan een oorzaak van het isolement van de beeldende kunst was. De kunst ontwikkelt zich zoals die zich ontwikkelt: in internationaal verband, onvoorspelbaar en soms in tamelijk esoterische richting. Het is een interessant gezicht en tallozen volgen dit schouwspel met grote aandacht. Dat sommigen liever zouden zien dat de kunst een andere richting inslaat, is begrijpelijk. Maar dat de overheid de schuld van die ontwikkeling zou zijn - het is een stelling die heel wat meer bewijzen vergt dan Simons geeft.