Prins van Oranje wil vooral zichzelf blijven

DEN HAAG, 12 SEPT. Kroonprins Willem-Alexander is bereid en gereed zijn moeder op te volgen als staatshoofd. “Ik heb er zin in”, zei hij gisteren in een televisie-interview met de publieke omroep NPS over zijn opvolging. “De twijfel is weg”. Eenmaal koning wil hij Willem IV worden genoemd. Hij kondigde tevens aan “nog lang niet” te gaan trouwen.

Tijdens zijn studietijd in Leiden heeft de prins van Oranje wel eens twijfels geuit over de vraag of hij ooit koning zou willen worden. Hij zei gisteren echter dat hij “absoluut” de taken van zijn moeder koningin Beatrix kan overnemen, “maar ik zou liever nog wat meer voorbereidingstijd hebben.” Hij zei hij tevens te hopen en ervan uit te gaan dat zijn moeder “nog lange tijd”, eventueel tien jaar, koningin zal blijven.

In het vraaggesprek met P. Witteman van NOVA toonde hij zich een tevreden mens. “Ik ben gezond. Ik zit goed in mijn vel. Ik heb veel vrienden en familieleden die mij steunen in mijn moeilijke taken, dus ben ik gelukkig.”

De prins noemde één mogelijke omstandigheid die hem zou dwingen alsnog van het koningsschap af te zien: als het parlement een door hem voorgenomen huwelijk afwijst. Anders dan prinses Margriet zal hij dan zijn huwelijk doorzetten en de uiterste consequentie trekken: afstand doen van zijn rechten als troonopvolger. “Het is een fundamentele keuze. Daar kom je niet meer van terug”, aldus de prins.

Willem-Alexander ging tijdens het vraaggesprek van een uur niet in op speculaties over vriendschappen die kunnen uitmonden in een huwelijk. Hij zei nog niet te denken aan trouwen, en wees erop dat zijn vader 39 jaar was toen die een huwelijk aanging. Hij achtte een burgerlijke, niet-adellijke komaf van een mogelijke kandidate geen obstakel voor een huwelijk.

De kroonprins zei bij de invulling van zijn koningsschap vooral zichzelf te willen blijven. In dat verband zei hij geen spijt te hebben van zijn enthousiaste optreden tijdens de Olympische Spelen in Atlanta vorig jaar, waarop veel commentaar kwam. “Ik ben Alexander”. De prins zei er vanuit te gaan dat in elk geval zijn eigen generatie zijn authentieke houding weet te waarderen.

Willem-Alexander wil zich bij de voorbereiding op het koningschap spiegelen aan koning Willem I, aan diens “koopmansgeest en inzet voor de voortvarendheid van Nederland.” Hij toonde interesse voor een economische ambassadeursfunctie voor Nederland, maar wees een louter ceremoniële rol bij de ondertekening van grote contracten van de hand. Liever wil hij een bemiddelende rol vervullen tussen 'emerging markets' in bijvoorbeeld het Verre Oosten en Nederland. Op de vraag met welke Nederlandse vorstin hij de meeste affiniteit heeft, verwees hij naar zijn oma: prinses Juliana. “Ik word natuurlijk door de contacten met mijn moeder erg door haar beïnvloed, maar affiniteit? Ik denk dan toch meer met mijn grootmoeder.”

Pagina 3: Prins wil zich wijden aan watermanagement

Als voorbereiding op het koningschap wil hij zich ook wijden aan wat hij “watermanagement” noemde: alles wat met water, watertechnologie en watertransport te maken heeft. Hij noemde het onderwerp “een oer-Hollands goed. Mijn vader heeft het onderwerp ooit opgebracht. Ik dacht eerst: dat zal best, maar ik ben me er echt voor gaan interesseren. Water boeit me.”

Hij zoekt nog naar een precieze invulling van die functie. Daarnaast zei hij een brugfunctie te willen vervullen tussen de krijgsmacht en het Nederlandse volk. Door de afschaffing van de dienstplicht is die band verzwakt, aldus de kroonprins.

Tijdens het vraaggesprek kwam de troonopvolger drie keer in de buurt van politiek gevoelige of controversiële kwesties: het asielbeleid, de jacht en het verdwijnen van de vakleerkrachten lichamelijke opvoeding uit het basisonderwijs.

Bij het eerste onderwerp wees hij op de noodzaak van strikte uitvoering van de asiel- en vreemdelingenwetten. Over de jacht zei hij de discussie over de voor- en nadelen daarvan een “complexe” te vinden. Hij kondigde aan te zullen blijven jagen op de kroondomeinen van het koninklijk huis.

Over de verdwenen leerkrachten lichamelijke opvoeding zei hij “veel zorgen” te hebben gezien het grote belang dat hij hecht aan sport. Inmiddels hebben de basisscholen overigens de vrijheid gekregen deze vakleerkrachten weer aan te trekken, al kunnen ze in plaats daarvan ook kiezen voor een muziekleerkracht of een extra onderwijsassistent.