Opstellen van Eric Hobsbawm; Als de dood voor desintegratie

Eric Hobsbawm: On History. Weidenfeld and Nicolson, 305 blz. ƒ 73,-

Eric Hobsbawm houdt niet van het postmodernisme. Een streng onderscheid tussen feit en fictie is voor deze Britse historicus, vooral bekend geworden door zijn veelgeroemde evocatie van de twintigste eeuw (Age of Extremes, 1994), het onaantastbare uitgangspunt van alle geschiedschrijving. In On History, een bundel opstellen over de theoretische uitgangspunten van zijn vak, verwerpt hij de postmodernistische opvatting dat objectieve kennis van de werkelijkheid onmogelijk is, dat elke reconstructie van het verleden een interpretatie is, en dat over de waarheid van die interpretaties niet valt te oordelen.

Dat is allemaal een forse stap te ver voor Hobsbawm. In zijn uiterste consequentie leidt zo'n benadering in zijn ogen tot de bizarre conclusie dat ook de moord op zes miljoen joden een daad was die geen realiteit bezit buiten de verbeeldingskracht van de historicus. Zeker, over het hoe en waarom van deze massamoord kunnen historici van mening verschillen. Geschiedschrijving is tenslotte vertolking, maar wel altijd van verifieerbare feiten.

Hobsbawm, geboren in 1917 en sinds de jaren dertig een overtuigde communist, is teleurgesteld dat het postmoderne relativisme vooral aanhang heeft gewonnen in kringen van voormalige linkse geestverwanten. Maar hoe staat het met Hobsbawms eigen respect voor feiten? Zijn Age of Extremes, dat massale waardering heeft geoogst, is niet alleen een geschiedenis van de twintigste eeuw maar ook een door zijn leugenachtigheid onwaarachtige poging tot rechtvaardiging van het mislukte Sovjet-stelsel, een apologie die steunt op een opzichtige manipulatie van feiten.

Lenin bijvoorbeeld, van wie sinds lang bekend is dat hij door zijn voorkeur voor grootschalige terreur een voorbeeld was voor zijn opvolger Stalin, wordt door Hobsbawm bewierookt als de 'geniale' en 'lucide' leider van een revolutie, die door de bevolking massaal zou zijn gesteund. In die interpretatie staat Hobsbawm tegenwoordig vrijwel alleen; de meeste historici zien in de Russische Revolutie van 1917 eerder een ordinaire zij het vakkundig uitgevoerde greep naar de macht.

Hobsbawm ziet de Sovjet-Unie, een staat die gedurende meer dan zeventig jaar grossierde in politieke onderdrukking, materiële misère en moreel cynisme, als erfgenaam van de idealen van de Europese Verlichting. Als zodanig, zo beklemtoont hij nog eens in On History, werkte de Sovjet-staat gedurende de jaren dertig en veertig in een antifascistische coalitie samen met de Westerse democratieën. Dat dit verbond pas in 1941 gestalte kreeg doordat Hitler, met zijn aanval op de Sovjet-Unie, een einde maakte aan de twee jaar eerder in een verdrag vastgelegde samenwerking met Stalin, is een van die verifieerbare feiten die niet in Hobsbawms kraam te pas komen.

De Sovjet-staat was volgens hem in hoge mate verantwoordelijk voor het succes van wat hij in Age of Extremes 'het gouden tijdperk' noemt, de ongeveer vijfentwintigjarige periode waarin de West-Europese democratieën na de Tweede Wereldoorlog hun welvaartsstaat opbouwden. De auteur meent dat deze prestatie gestimuleerd werd door het voorbeeld van de Stalinistische planeconomie. De sociaal georiënteerde Westerse markteconomie die in de loop van de Koude Oorlog een magneetfunctie uitoefende op de bevolking in de communistische staten - met uiteindelijke fatale gevolgen voor het Sovjet-imperium - wordt door Hobsbawm dus opgevoerd als een communistische prestatie. Met deze vernuftige en 'dialectisch' ongetwijfeld verantwoorde redenering, heeft hij vermoedelijk heel wat lezers weten te bedwelmen. Wat onvermeld blijft, is de rol van de sociaal-democratie bij de regulering van de markteconomie. Deze beweging wordt door Hobsbawm in zijn geschiedenis van de twintigste eeuw doodgezwegen en in On History wegens gebrek aan revolutionaire gezindheid in de hoek van de onverbeterlijke reactionairen gezet.

Wie kijkt er vervolgens nog vreemd op als Hobsbawm in het opstel 'Partisanship' de opvatting verdedigt dat het legitiem is om feiten dienstbaar te maken aan een standpunt? 'Onder bepaalde omstandigheden', voegt hij eraan toe, wat voor hem wil zeggen: als deze partijdigheid strookt met het juiste wetenschappelijke uitgangspunt. Het is niet moeilijk te raden welk uitgangspunt dat is. De essays in On History laten zich lezen als een langgerekte loyaliteitsverklaring, zo niet liefdesbetuiging, aan het werk van Karl Marx. Zo bevestigt deze bundel wat uit Age of Extremes al kon worden afgeleid: ook na het einde van de Koude Oorlog blijft Hobsbawm zijn politieke overtuiging zo trouw dat hij bereid is met de feiten een loopje te nemen, niet omdat hij een postmoderne relativist is, maar omdat hij een dogmaticus is.

Waarom geeft de ontwikkeling van de menselijke soort een transformatie te zien van het stenen tijdperk naar dat van de informatietechnologie? Volgens Hobsbawm is dit de belangrijkste vraag van de geschiedenis: we willen niets liever dan weten welke patronen in deze ontwikkeling te ontdekken zijn. Het is de grote verdienst van Marx, schrijft hij in 'What Do Historians Owe to Karl Marx?', dat deze het historisch materialisme heeft ontdekt: de geschiedenis als vooruitgang in productieve ontwikkeling. Sinds die ontdekking kan geen enkele analyse van het historisch proces meer beginnen zonder een ontleding van de stand der productiekrachten.

De leer van Marx is volgens Hobsbawm vooral belangrijk omdat de geschiedenis ermee op het niveau van een sociale wetenschap wordt gebracht; het historisch materialisme markeert het begin van de vooruitgang in de geschiedwetenschap. Het is vooral de 'integrale geschiedschrijving', waarvan Hobsbawm een hartstochtelijk voorstander en beoefenaar is, die met behulp van dit wetenschappelijke instrument samenhang in de geschiedenis kan blootleggen en aldus vooruitgang kan boeken in het verklaren van de historische ontwikkeling. Marx heeft niet alleen de belangrijkste sleutel daarvoor verschaft, hij is volgens Hobsbawm ook de enige die een methode heeft ontwikkeld om de 'entire span of human history' te doorgronden.

Is Marx in dit opzicht inderdaad de enige en heeft hij deze eeuw niet concurrentie gekregen van, bijvoorbeeld, Spengler en Toynbee? Nog belangrijker is de vraag of de marxistische methode inderdaad de juiste is. Sterker nog, is het überhaupt zinvol ervan uit te gaan dat er één wetenschappelijk wondermiddel bestaat waarmee de historische ontwikkeling in haar totaliteit zou kunnen worden verklaard? Bevangen als hij is door zijn leerstelligheid, vergeet Hobsbawm deze kwesties aan de orde te stellen.

Vanwaar dit verlangen naar een allesomvattende verklaring? Die vraag dringt zich temeer op, omdat de Hobsbawm van de marxistische rechtzinnigheid zeker niet de enige Hobsbawm is. In zijn schitterende trilogie over de negentiende eeuw (The Age of Revolution, The Age of Capital, The Age of Empire) en ook in een groot deel van Age of Extremes, is niet de dogmatiek overheersend, maar de eruditie, de grote aandacht voor het detail en de verrassende analyse.

In deze bundel zijn die kwaliteiten vooral te vinden in het opstel 'Barbarism: A User's Guide', dat bovendien aanwijzingen bevat voor de verklaring van zijn hardnekkige voorkeur voor marxistische leerstelligheid. Voor een man die in vooruitgang zegt te geloven, is de toonzetting van dit essay opvallend pessimistisch. De twintigste eeuw, aldus Hobsbawm, geeft de onstuitbare opmars te zien van menselijke barbarij, een zegetocht die nog lang niet ten einde is. Mensenlevens zijn gedurende deze eeuw steeds minder waard geworden. De eerste fase in die ontwikkeling voltrok zich tijdens de Eerste Wereldoorlog, waarin het geweld toesloeg op een schaal die tot dan toe ongekend was. Het in de negentiende eeuw gerespecteerde verschil tussen militairen en burgers werd in dit massale conflict niet meer in acht genomen: in de volksoorlog werd iedere burger een potentieel doelwit.

Na 1918 begon de 'age of catastrophe', een periode van economische en politieke crisis, die in de jaren dertig tot het bewind van Hitler leidde dat Europa in een nog grotere ramp stortte. In de Koude Oorlog was de nucleaire dreiging het symbool van de minachting voor het menselijk leven, terwijl in deze periode politiek gemotiveerde martelingen en andere mishandelingen een courant instrument werden van dictatoriale onderdrukking. Hobsbawm blijft overigens ook hier zijn politieke overtuiging belangrijker vinden dan een compleet beeld van de feiten: hij richt de beschuldigende vinger op dictaturen in Latijns-Amerika en Zuid-Afrika en bagatelliseert de schending van mensenrechten door communistische staten.

Gedurende de twintigste eeuw zijn 187 miljoen mensen door staatsgeweld om het leven gekomen. Is het een wonder, vraagt Hobsbawm zich af, dat we inmiddels allemaal zijn gehersenspoeld, dat we gewend zijn geraakt aan extreem wreed gedrag? Na het einde van de Koude Oorlog zijn we volgens hem in een nieuwe en zeker niet geruststellender fase terecht gekomen. Werd in voorafgaande periodes de misère aangericht door politieke krachten, nu dreigt de dictatuur van een op hol geslagen vrije markt, een ontketend kapitalisme dat steeds meer ontsnapt aan menselijke controle. Het maatschappelijk leven raakt ontwricht doordat alles ondergeschikt wordt gemaakt aan de zucht naar gewin.

De opmars van de 'barbarij' wordt door Hobsbawm niet alleen opgevat als de teloorgang van het respect voor het menselijk bestaan, maar ook als de desintegratie van sociale verbanden. Die definitie bevat de sleutel tot een wereldbeeld dat in hoge mate het resultaat is van persoonlijke ervaringen. Hoewel hij werd geboren in Groot-Brittannië, is Hobsbawms levensloop nauw verbonden met Centraal-Europa dat, na de Eerste Wereldoorlog, eerst werd gefragmenteerd en vervolgens in de greep raakte van chaos en vernietiging. Zijn grootvader kwam uit Polen, zijn moeder uit Wenen. In de jaren twintig verbleef het joodse gezin Hobsbawm in die stad. Zoon Eric trouwde met een meisje uit Herzegovina dat hij in Wenen had leren kennen.

In het opstel 'Outside and Inside History' beklemtoont Hobsbawm de moeilijke positie van Midden-Europa, dat na de ontbinding van het Oostenrijks-Hongaarse rijk werd opgesplitst in talrijke staatjes, die intern verzwakt raakten door conflicten tussen minderheden en extern machteloos stonden tegenover Hitler-Duitsland. De gevolgen die deze ontwikkeling had voor de meest kwetsbare minderheid, de joodse, zijn bekend.

Historici vormen de geheugenbank van de ervaring, schrijft Hobsbawm in een van zijn mooie aperçus. Zijn eigen werk is het bewijs dat de persoonlijke lotgevallen van de geschiedschrijver een belangrijk bestanddeel zijn van dit reservoir. Zijn Centraal-Europese achtergrond heeft ongetwijfeld zijn gevoel voor finesse en veelkleurigheid gestimuleerd. Aan de andere kant is zijn conclusie dat het door Stalin na 1945 aan deze regio opgelegde communistische stelsel een vooruitgang betekende ten opzichte van de vooroorlogse wanorde, evenmin los te zien van zijn eigen ervaringen. Hetzelfde geldt voor zijn opvatting dat de Russische Revolutie de grote verdienste heeft gehad dat zij de ontbinding van het tsaristische rijk heeft voorkomen.

Hobsbawm is geobsedeerd door het verschijnsel desintegratie. De leer van Marx is als geschiedfilosofie voor hem een middel om greep te krijgen op de integrale werkelijkheid. Als politieke doctrine is het marxisme voor hem een instrument ter beheersing van de chaos die als dreigende catastrofe steeds verbonden is geweest met het lot van het twintigste-eeuwse Europa.