Opa-pop bestaat niet; Vijftig jaar popmuziek, een kunst als alle andere

Popmuziek had ooit met jeugdige rebellie te maken, maar nu is het een volwassen kunstvorm. Wie boven de dertig is, is er niet te oud voor. Integendeel. Die kent zijn klassieken.

De popmuziek is al lang volwassen geworden, maar voor veel popcritici geldt dit niet. Dit bleek weer eens een week of twee geleden bij het verschijnen van het eerste nummer van Payola, het tijdschrift dat 'informatieve en persoonlijke essays en vooral proza en poëzie over pop' wil brengen.

Een ouwelijk tijdschrift over belegen popmuziek, zo kan een groot deel van de recensies van het Payola-nummer worden samengevat. “Payola is een podium voor popliefhebbers met grijze haren en misschien zelfs al kleinkinderen”, schreef Menno Schenke in zijn recensie in het Algemeen Dagblad. Hans den Hartog Jager liet zich in deze krant in iets mildere maar soortgelijke bewoordingen uit: “Er hangt iets ouwelijks om Payola.” Ook Ariejan Korteweg toonde zich teleurgesteld in De Volkskrant. “Op zeker moment bereik je vast en zeker de grens dat je gaat denken dat alles vroeger beter was”, schreef hij. “Dat deze muziekliefhebbers moeite doen om je daarvan te overtuigen, heeft iets ontroerends. Maar het stemt toch ook wel treurig.”

Toch is het niet Payola dat treurig stemt, maar juist de reactie van deze drie critici. Hun recensies zijn een late echo van de jeugdige rebellie waar de popmuziek in haar begindagen mee werd geassocieerd, maar die nu al lang achterhaald is. Het is nog niet tot hen doorgedrongen dat popmuziek vaak meer is dan vermaak voor tieners en twintigers dat morgen al niet meer actueel is. Ze hebben nog niet begrepen dat goede popmuziek net zo onvergankelijk is als een opera van Mozart en dus nooit 'belegen' of 'ouwelijk' is. Ze hebben nog niet door dat de popmuziek inmiddels een geschiedenis kent en een canon heeft gekregen waarover men niet uitgeschreven kán raken.

Meesmuilen

Meer dan in andere kunsten heerst in de popmuziek nog steeds de terreur van de nieuwheid en vooral de jeugd. Voor bluesmuzikanten geldt de regel 'hoe grijzer, hoe beter' en niet één klassieke-muziekcriticus haalde het in zijn hoofd om te meesmuilen over de ouderdom van de onlangs overleden dirigent Sir George Solti. Maar over een popmuzikant die nog geen vijftig is, wordt rustig geschreven dat hij aan de VUT toe is. Voor veel popcritici, vooral als ze zelf de veertig dreigen te passeren, is oude popmuziek eigenlijk een contradictio in terminis: ouwe lullen-pop en opa-pop zijn de diskwalificerende omschrijvingen die ze hiervoor hebben verzonnen.

Ze beseffen niet dat de popmuziek zelf inmiddels bejaard is geworden. Hoe oud precies, valt niet met zekerheid te zeggen. Lange tijd gold Elvis' eersteling 'That's Alright' uit 1954 als eerste rock 'n' roll-nummer maar geschiedkundigen hebben al jaren geleden officieel vastgesteld dat er oudere eerste rock 'n' roll-nummers bestaan. Tegenwoordig wordt 'Rocket 88' van Jackie Brenston & His Delta Cats uit 1951 vaak genoemd als startschot van de rock, en dit nummer is weer een cover van 'Cadillac Boogie' van Jimmy Liggins uit 1947.

De popmuziek is dus vermoedelijk ongeveer een halve eeuw oud. Zeker is dat veel popmuzikanten de vijftig al lang zijn gepasseerd. Little Richard is 57, Mick Jagger 54, Bob Dylan 56, en Roger Daltrey, de zanger van The Who die ooit zong dat hij hoopte te sterven voor hij oud werd, heeft toch de 53 jaar gehaald. Zo kunnen we nog wel even doorgaan. Ray Charles, een van de grondleggers van de soul, is bijna 67. Over de leeftijd van James Brown, de 'godfather of soul', bestaat onenigheid, maar vast staat dat hij veel ouder dan zestig is. George Clinton, de onvermoeibare leider van het P-funk-imperium, is 55, en Aretha Franklin, de 'queen of soul', is inmiddels 53 geworden. En allemaal treden ze nog op.

Met de popzangers zijn ook de popliefhebbers oud geworden. Elvisbewonderaars zijn vaak al opa en oma, fans van de Rolling Stones nemen hun volwassen kinderen mee naar concerten van hun favoriete groep, en zelfs liefhebbers van Michael Jackson en Madonna, allebei overigens alweer 39, zijn al ouders.

Met de ouderdom is de rebellie in de popmuziek goeddeels verdwenen. Het is al lang geleden dat Elvis zijn onderlijf niet mocht vertonen op de Amerikaanse tv en dat een keurige tv-presentator Little Richard belachelijk maakte door langzaam 'Awopbabeloobop aloopbamboom' voor te lezen. Natuurlijk is en zal er altijd rebelse popmuziek blijven bestaan. De hippies in de jaren zestig, de punkers in de jaren zeventig en nu dan de gabbers hebben de traditie van opstandige popmuziek voortgezet. Maar ze hebben niet kunnen voorkomen dat popmuziek steeds minder werd geassocieerd met opstandige jeugd.

Pop is van en voor alle leeftijden geworden. Voor de meeste jongeren is popmuziek dan ook niet meer iets om zich mee te onderscheiden. Ze zijn eclectisch: ze kopen de nieuwe cd van The Prodigy, maar houden ook van de oude Rolling Stones, van wie ze platen ontdekken in de platenkast van hun ouders. Verschillende van mijn neefjes, niet ouder dan twintig, houden oprecht van Voorheen Prince en voor hen was het werk van The Doors net zo'n openbaring als voor hun ouders een jaar of dertig geleden.

Voortgejaagd

Ariejan Korteweg schetste in zijn recensie van het eerste Payola-nummer iemand die was blijven steken bij de muzikale voorkeuren van zijn jeugd. “Het is de tragiek van de popliefhebber dat hij een muziek heeft omarmd die steeds door een nieuwe generatie wordt voortgejaagd terwijl jij je leven lang tot dezelfde generatie bent veroordeeld”, schreef hij.

Misschien is het zo gegaan met Korteweg zelf, maar met mij in ieder geval niet. Toen ik zeventien, achttien was, kocht ik platen van Steely Dan, Boz Scaggs en Little Feat, muziek waar ik nu nooit meer naar luister en die me nu ook weinig meer zegt. Later, in het begin van de jaren tachtig, ging ik door onder meer de disco-covers van oude soul- en rhythm and blues-nummers op zoek naar de originelen. Die waren toen in het tijdperk van de vinylplaten moeilijk te vinden, maar de komst van de cd leidde tot een massale heruitgave van alle oude rhythm and blues- en soulnummers. Zelfs nummers die nog nooit op plaat waren uitgebracht, waren ineens te koop, zodat een heel nieuwe, ongehoorde geschiedenis van de popmuziek ontstond. Zoals alle goede kunst, bleken de liedjes van Otis Redding, Aretha Franklin en al die andere bekende en onbekende soulzangers nog niets van hun glans te hebben verloren. Zo kwam het dat ik de dertig al was gepasseerd toen ik naar de muziek luisterde die ik in mijn jeugd nooit had gehoord.

De moderne popliefhebber kent geen tragiek. Inmiddels hebben mijn muzikale voorkeuren zich verder ontwikkeld: ik luister nu niet alleen naar muziek van steeds verder voor mijn geboorte, maar ook naar hedendaagse muziek zoals arrenbie, nu soul en hiphop en vooral naar het superieure eclecticisme van Beck en Voorheen Prince. Zo is het, weet ik zeker, met veel popliefhebbers gegaan en ook de meeste Payola-auteurs hebben vermoedelijk zo'n ontwikkeling doorgemaakt. Hun huidige voorkeuren stammen lang niet allemaal uit hun jeugd, maar zijn ook het resultaat van gesprekken met vrienden en kennissen die hen op een oude of nieuwe cd attenderen, van boeken en artikelen die ze lezen, en van wat ze op de radio horen en op MTV zien.

De moderne popliefhebber zapt lukraak door heden en vooral verleden, omdat het laatste nu eenmaal langer duurt dan het eerste. En als hij 'persoonlijke essays over popmuziek' gaat schrijven, zoals de Payola-redactie zich ten doel heeft gesteld, doet hij dit vaak over oude nummers en musici, simpelweg omdat de eerste vijftig jaar popgeschiedenis statistisch gezien meer nummers moet hebben voortgebracht die hem raken dan de laatste vijf jaar. De popmuziek mag dan wel oud zijn, maar niet 'ouwelijk' of 'achterhaald'. Want dat is goede popmuziek nooit.