Nederlandse VN-militairen in Angola

Tussen 1991 en 1997 dienden 230 Nederlandse militairen onder de VN-vlag in Angola. Tien van hen maakten zich - vooral vóór de zomer van 1994 - schuldig aan seksueel misbruik van meisjes, smokkel, zwarte handel of overmatig drankmisbruik, zo rapporteerde vice-admiraal J. van Aalst, inspecteur van de krijgsmacht, vorige week.

Brigade-generaal F. Pollé was in Angola en zei in juni 1994 dat hij daar “een bende” had aangetroffen. Zijn informatie daarover zou de politieke leiding van het ministerie van Defensie nooit hebben bereikt, zegt een woordvoerder van Defensie. Minister Voorhoeve (Defensie) en zijn voorganger Ter Beek zeggen dat de bevelhebber van de Landmacht, generaal H. Couzy, hen niet heeft geïnformeerd.

De Nederlandse ambassadeur in de Angolese hoofdstad Luanda, J. Wolfswinkel, stuurde in juni 1994 een alarmerend memorandum naar Buitenlandse Zaken, nadat hij op de hoogte was gesteld door Pollé. Buitenlandse Zaken heeft die alarmerende fax niet ter beschikking gesteld aan de politieke leiding van het ministerie van BZ, omdat het ministerie volgens een woordvoerder dacht dat die informatie wel door Pollé zou worden gegeven.

Terug in Nederland zou Pollé generaal Couzy hebben aangeraden geen maatregelen te nemen, omdat de VN-staf in Luanda heel anders tegen het wangedrag aankeek. Couzy meldde de inspecteur van de krijgsmacht, Van Aalst, vorige maand schriftelijk dat hij in 1994 was geïnformeerd over “mogelijke mistoestanden op basis van een door de crisisstaf uitgevoerd onderzoek”. Couzy vond het niet nodig verder actie te ondernemen. Wel heeft hij opdracht gegeven het Defensie Crisis Beheersings Centrum over de affaire te informeren.