Mario Praz: The romantic agony, 1933

Mario Paz: Lust, dood en duivel, in de literatuur van de romantiek. Vertaald door Anton Haakman. Agon, 518 blz. ƒ 49,90

Wie graag wil geloven dat de literatuur van de negentiende eeuw braaf, saai en bekrompen is geweest, doet er goed aan The romantic agony van Mario Praz ongelezen te laten. Want dit boek zou hem of haar wel eens op andere gedachten kunnen brengen. In 1930 verscheen het voor het eerst als La carne, la morte e il diavolo nella letteratura romantica, maar het is onder haar Engelse titel (de vertaling verscheen al in 1933) dat Praz' studie van de 'erotische sensibiliteit' in de romantische letteren de wereld heeft veroverd.

Met trefwoorden als Satan, Sade, La Belle Dame Sans Merci, Byzantium en le vice anglais legt Praz in de literatuur van de vorige eeuw troebele lagen bloot die eerdere onderzoekers liever over het hoofd hadden gezien. Zijn boek is een adembenemende inventarisatie van de literaire vermommingen die een - vaak onderdrukte - seksualiteit had aangenomen in de eeuw die voorafging aan Freuds ontdekking dat eigenlijk aan al ons doen en dromen seksuele impulsen ten grondslag liggen.

Veel van wat Praz beschrijft was ook vóór de Romantiek aanwezig. Satan onderging zijn 'metamorfose' tot tragische rebel al in Miltons Paradise lost; dat gruwelen esthetische lust kunnen opwekken, wisten de tragedie-schrijvers al. Maar pas de romantici, voorafgegaan door de achttiende-eeuwse denkers van het 'sublieme', hadden van deze zaken een welbewuste sensibiliteit gemaakt, die zij als eersten volstrekt serieus namen en in hun romans en gedichten cultiveerden. Pas door hen werd de klassieke eenheid van het Schone, het Goede en het Ware definitief doorbroken, om plaats te maken voor een nieuwe schoonheid die heel goed met pijn, verval en dood gepaard kon gaan.

In het werk van Byron, Keats, Baudelaire, Flaubert, Swinburne, Huysmans, Wilde, Péladan en vele anderen weet Praz er de sporen van aan te wijzen, daarbij puttend uit een ontzagwekkende eruditie die niet alleen de alom erkende meesters, maar ook een ruime keus van tweede en derderangs auteurs omvat. Een lange rij van satanische helden, fatale mannen en vrouwen, exotische schoonheden en geselende zonderlingen passeert de revue. Wie niet beter weet zou menen dat de hele literatuur van de negentiende eeuw van afwijkingen en perversies aan elkaar hing.

Sommige negentiende-eeuwers waren daar ook zonder het door Praz zo belangeloos verzamelde bewijsmateriaal van overtuigd. Een van hen, de Duitser Max Nordau, trok in zijn destijds veelgelezen boek Entartung (1892-93) pagina's lang van leer tegen de ziekelijke verbeelding van de moderne literatuur, die hij symptomatisch achtte voor de 'ontaarding' van zijn tijd. Met behulp van Lombroso's theorieën over genie en waanzin reduceerde hij de romantische en decadente schrijvers tot psycho-pathologische gevallen, die hoognodig onder medische behandeling dienden te worden gesteld.

Tegen dit soort cultuur-kritische 'diagnoses' komt Praz in het geweer. In het voorwoord bij zijn boek verwijt hij Nordau pseudo-eruditie, grof positivisme en hypocriet moralisme. Maar zijn belangrijkste verwijt lijkt toch iets anders te zijn: een volstrekt onbegrip voor de aard van de literaire verbeelding. Een morbide thematiek hoeft geenszins te wijzen op een psychische stoornis bij de auteur, betoogt Praz. De schrijvers die door lieden als Nordau naar de dokter werden verwezen, waren geen 'monsters'; zij werden gedreven door obsessies die in ieder mens aanwezig zijn, maar die zij alleen openlijk tot uitdrukking durfden te brengen.

Voor Praz is dat laatste vooral een kwestie van literaire smaak, een bepaalde esthetische sensibiliteit, waarvan hij in zijn boek de ontwikkeling heeft willen schetsen. Meer niet. Aan psychologische verklaringen heeft hij geen boodschap; evenmin stelt hij zich op als een bezorgde moralist, wat niet wil zeggen dat hij instemt met alles wat hij beschrijft.

Maar als er een oordeel wordt uitgesproken, gebeurt dat alleen op literaire gronden, zoals in het geval van de markies de Sade, die op de romantische en decadente literatuur van de negentiende eeuw zo'n sinistere 'schaduw' had geworpen. Dat Sade als eerste het 'mechanisme van de homo sexualis' heeft onthuld is volgens Praz nog geen reden om hem, in navolging van de surrealisten, tot een literair genie uit te roepen. 'De meest elementaire kwaliteiten van een schrijver - laat staan een geniaal schrijver - ontbreken bij Sade', luidt het strenge oordeel.

Tegen de kritiek van Benedetto Croce, die hem had verweten een eenzijdig beeld van de Romantiek te geven, verdedigt Praz zich met het argument dat hij slechts een 'monografie' en geen 'synthese' heeft geschreven. In werkelijkheid moet de oorsprong van zijn boek nog eenzijdiger zijn geweest. Want Praz, die tussen 1924 en 1934 in Engeland Italiaanse letterkunde doceerde en daarna tot aan zijn emeritaat in 1966 Engelse letterkunde in Italië, was zijn carrière begonnen met publicaties over Gabriele D'Annunzio en diens literaire bronnen. In The romantic agony zijn die bronnen een zelfstandig leven gaan leiden, al wordt D'Annunzio in het slothoofdstuk ('Byzantium') nog altijd de 'meest monumentale figuur van de Decadente Beweging' genoemd in wie alle elementen uit de voorgaande hoofdstukken samenkomen.

Een serieuzer beperking betreft de taalgebieden waaruit Praz zijn voorbeelden heeft geput. Bijna alle auteurs die in zijn boek worden behandeld zijn Engelsen, Fransen of Italianen. Daardoor ontbreken schrijvers als Strindberg, Wedekind, Sologoeb, George of Couperus, die zeker een plaatsje in The romantic agony zouden hebben verdiend. Dat is jammer, zoals Praz ook zelf erkent, maar geen doorslaggevend bezwaar, omdat uitbreiding van het materiaal de grote lijn niet wezenlijk zou hebben gewijzigd. De literaire smaak van de vorige eeuw werd tenslotte nog voor het overgrote deel in Londen en Parijs gemaakt.

Ook met een andere beperking valt te leven. Praz gaat niet verder dan 1900, hoewel er nadien tal van schrijvers zijn opgestaan die in hun werk van een verwante 'erotische sensibiliteit' blijk geven. Bij sommigen is zelfs sprake van wat je een selffulfilling prophecy zou kunnen noemen, aangezien zij die sensibiliteit mede aan Praz' boek, dat al snel een 'classic' werd, hebben te danken. Voor tijdgenoten als Bernanos, Kessel en Jünger (die in een noot door Praz zelf worden genoemd) gaat dat uiteraard niet op, maar wèl voor enkele schrijvers die pas veel later hun romantisch-decadente inborst ontdekten.

Het meest sprekende voorbeeld in Nederland, waar de negentiende-eeuwse literatuur vóór de komst van de Tachtigers vooral uit deugdzame domineespoëzie en gezapig realisme lijkt te bestaan, is Gerard Kornelis van het Reve. Volgens zijn vroegere echtgenote Hanny Michaëlis had hij The romantic agony al tijdens hun huwelijk 'verslonden'. In A prison song in prose (geschreven in 1960 en gepubliceerd in 1968) werden voor het eerst de gevolgen zichtbaar. De 'meedogenloze jongen' die daarin met kil genot de zweep hanteert, zou nadien nog vaak in zijn werk terugkeren, als een homoseksuele variant van Keats' 'Belle Dame Sans Merci' uit 1819.

Dankzij Mario Praz heeft Reve, die zich er altijd over beklaagde in een vacuüm te moeten schrijven, de literaire traditie gevonden waarin hij thuishoort. Het bewijst, anders dan zijn 'geleerde broer' Karel jaren later in diens Huizinga-lezing staande hield, dat de literatuurwetenschap niet altijd tot 'onleesbaarheid' hoeft te leiden.