Lyrische poëzie van Lut de Block; Lezen is leven

Lut de Block: Entre deux mers. De Arbeiderspers, 47 blz. ƒ 29,90

In 1988 kreeg Lut de Block de Yangpoëzieprijs voor haar debuutbundel Vader. In België voorspelt die bekroning een dichterscarrière, maar in Nederland bleef Lut de Block als dichteres onopgemerkt, ook toen in 1988 haar tweede dichtbundel, Landziek, verscheen bij het Poëziecentrum in Gent. Ten onrechte, denk ik nu, want met haar derde, door De Arbeiderspers gepubliceerde bundel plaatst ze zich trefzeker in het hart van de Nederlandse dichtkunst.

De flaptekst van Entre deux mers meldt dat haar gedichten verwant zijn aan de poëzie van Anna Enquist. Die vergelijking zal niet uitsluitend als verkooptruc zijn bedoeld, maar ze gaat slechts ten dele op. Er is een verwantschap in onderwerp: beide dichters verkennen en beschrijven bijvoorbeeld de relatie tussen moeder en dochter. Maar in tegenstelling tot Enquist is De Block vooral een lyrisch dichter. Haar gedichten zingen en swingen op een virtuoos drijfwerk van allitteratie, binnenrijm en herhaling. En stilistisch is het evenzeer magie. Niet alleen moeder en dochter worden bezwerend toegesproken, maar ook dieren, zoals het ten dode gedoemde moedervarken in 'Zeug':

Als de worp van je vlees

is verwijderd, je spenen verdorren

je gekrijs werd gesnoerd en jij

zonder morren van fokker

naar meststal verdreven

Pas dan op voor het flemen

van hem die je houdt

om het vlees, het gebraad

je gebroed en je bloed

het genot in je zenen.

Slik dan liever zijn zaad en zijn voer

maar lik nooit zijn hielen, verwar niet

de drift in zijn bloed met de klop in je venen

de bronst van de beer met de geur van de dood

met de vlijm die je spoedig zal kelen.

Het is verleidelijk om de titel Entre deux mers te vertalen als 'Tussen twee moeders' - in die zin dat de dichteres zowel dochter als moeder is. De inhoud van de bundel leent zich voor zo'n interpretatie en De Block laat die oneigenlijke betekenis zelf meezingen in het eerste gedicht van de bundel. 'Hier sta ik dan: entre deux mers', schrijft ze, 'midden in de draaikolk van het leven.'

Entre deux mers: de dode bloedeloze

en de rode van dit leven.

Tussen de moedeloze en de eindeloze.

En dan introduceert ze de moeders: 'Ecce mater. Mater nostra. Zie haar.'

Zie haar. Zie hen. Zie hun poriën van pijn.

Liggend tegen aarde en niet wetend

of ze winnaars of verliezers zijn.

In vier afdelingen - 'Nabeelden', 'Mouvements', 'Klein bestiarium' en 'Vruchtgebruik' - wordt de hier aangekondigde thematiek zorgvuldig uitgewerkt. Want ook in haar compositie is Lut de Block trefzeker. Ze maakt daarbij klassiek gebruik van de vier elementen: water, vuur, lucht en aarde. In precies die volgorde in het openingsgedicht, maar ook in de rest van de bundel. De vier afdelingen worden bovendien voorafgegaan door het water in 'Entre deux mers' en afgesloten met het gedicht 'Aarde'.

Zoals in alle goede poëzie ligt de structuur ook bij De Block verscholen tussen regels en melodie. De eerste betovering is die van het klankenspel, van de toonzetting. Bij tweede lezing valt op hoe listig hier aan de taal wordt gesleuteld. Daarna maakt de betekenis plaats voor ontroering. En pas bij de zoveelste, nog altijd verwonderde herlezing is er ruimte voor een analyse van het bintwerk. Zo gaat het met alle goede poëzie, en zo gaat het met de beste gedichten in Entre deux mers.

Een uitzondering geldt misschien voor de gedichten over mannen. Daarin is De Block soms wat zwaar op de hand. In gedragen taal veroorlooft ze zich dan licht pathetische uithalen, zoals in 'Er slaapt een man in huis...': En dat ik zwaarder werd van heupen met de jaren./ Dat is het kind van hem waarop ik eeuwen broed/ en wellicht nooit zal baren. Maar hiertegenover staan indringende beelden als (in 'Man van mijn lijf hangt in een lus van slaap') Ik moker op hem los alsof ik uit zijn harde spieren/ het melkzuur zuig dat ik voor honing hou.

Waar Lut de Block elementen uit de kinderwereld verwerkt, is ze speels en lichtvoetig. Dit gebeurt in 'Assepoes' en 'Zwijgend kijken mijn kinderen me aan', maar het allermooist en zinvol in het op een na laatste gedicht van Entre deux mers:

Dat je toen zeggen kon 'wolf, je pap brandt aan'

en daarmee alle geitjes gered en alle onheil geweerd.

Dat Sinterklaas nog bestond en God nog intact

en later ex machina, ook dát was gegrond.

En hoe we stegen met een zucht en aan de schipper

vroegen of we over mochten varen. Het mocht altijd.

En wij maar zingen ozewiezewozewiezewallakristalla

en Anna op haar blauwe steen tot slachtoffer dwingen.

Dat waren toen de regels van het spel. Het spel is uit

zegt zij nu wereldwijs. Begint, zeg ik.

Ik schuif haar woorden toe, ze proeft van passie

noodlot, lust. Lezen is leven, kan niet uitgeblust.

Spelen wordt spellen. Maar bij Lut de Block is het spel daarmee niet verloren. In Entre deux mers gaat de magie van het kinderlied hand in hand met de lyriek van een geleefd, herkenbaar leven. Zulke poëzie verdient veel lezers.