Kunstenaar Ossip over zijn gemanipuleerde beelden; Veel foto's zijn niet pluis, dat voel ik

De Haagse kunstenaar Ossip bewerkt en combineert vergeten en anonieme foto's en illustraties. Hij manipuleert zijn beelden met bruine vernis, chloor, textiel of draadwerk. In de Beyerd in Breda hangen nu zo'n twintig werken. “Shockeren is zo goedkoop”, vindt Ossip, maar menigeen griezelt van zijn foto-selectie.

T/m 21/9 in De Beyerd, Boschsstraat 22, Breda. Geopend: di. t/m vr. 10-17 uur, za. en zo. 13-17 uur. Op 20/9 vindt om 16 uur de formele afsluiting plaats, met het concert van flamenco-gitarist. Catalogus (Haags Gemeentemuseum): ƒ 19,75.

Op een kille ochtend moet het kind zijn meegenomen naar een fotograaf. Het is uitgekleed, neergezet op een tafel en geportretteerd met zo'n glasplaten-camera. Het jongetje ziet er afzichtelijk uit. Een ovale ballon met verkrampt opgetrokken schoudertjes en met een gezicht dat zo bol staat van het vocht dat zijn ogen in vette plooien zitten weggeborgen. Een anonieme mensenhand knijpt hardgrondig in zijn linker bovenarm.

De zwart-wit opname van dat jongetje hangt nu in De Beyerd in Breda. Hij is opgeblazen tot bijna twee meter en aan de slapen van het kinderhoofd zijn twee oren van zachtroze stof geplakt. Een melige grap, zou je kunnen denken, alsof het olifantenkind de flapoortjes van een echt olifantje hoort te hebben.

Maar dat is een vergissing. Het lachen komt zelfs niet bij je op. Want wie het griezelig zou vinden om dat jongetje aan te raken - en wie doet er bij lelijkheid en pijn niet eerst even een stap achteruit? - raakt door die oren, die teddybeer-oren, juist vertederd. Het kind is ineens minder akelig, het laat gemakkelijker van zich houden.

De maker van dit kunstwerk is Ossip, zoon van de Haagse beeldhouwer Jan Snoeck. Zijn vader was ooit in Parijs in de leer bij de Russisch-Franse beeldhouwer Ossip Zadkine. Vandaar die voornaam en vandaar ook het weglaten van die achternaam. Anders blijf je het levenslange verlengstuk van een andere kunstenaar.

Af en toe kwam die curieuze naam Ossip voor op uitnodigingen voor kleinere exposities. Soms vergezeld van een illustratie, waar je lang naar bleef kijken. Niet om de schoonheid, de lelijkheid of de schok, maar omdat er aan een gefotografeerd portret of landschap iets was toegevoegd dat boven 'de vondst' of 'het beeldspel' uitsteeg. De ingreep kon zelfs zo voordehandliggend zijn, of zo vanzelfsprekend, dat het beeld en de datering verbaasden.

Meer mensen hebben zich verbaasd, want vorig jaar wijdde het Haagse Gemeentemuseum een overzicht aan Ossips werk. Die gebeurtenis heeft De Beyerd er niet van weerhouden deze zomer opnieuw zo'n twintigtal fotowerken te laten zien, bewerkt met bruine vernis, met textiel, chloor, transparante prints, met trosjes van zwarte draden.

“Het is begonnen met een doos Caran d'Ache potloden die ik als jongetje van mijn moeder kreeg. Ik knutselde veel. Mijn handen moesten altijd ergens mee bezig zijn. Een knutselkind dat buiten woonde en de vreemdste hutten bouwde, maar dat ook met poppen en tekenmachientjes in de weer was. Door die potloden ben ik gaan tekenen. 'Dat ik dat nog mag meemaken', zei mijn vader. En toen wist ik al dat ik iets moest maken om me te kunnen uiten. Je kan niet voor het kunstenaarschap kiezen.”

Ossip vertelt over zijn jeugd alsof Ossip (1952) iemand anders is; een fenomeen over wie wat aardige anekdotes zijn te melden. Bijna elke zinsnede krijgt een glimlach mee. Menigeen zal bij zijn recente werk soms huiveren, hijzelf is een slank en sportief toonbeeld van opgewektheid. Het zou veel inspanning vergen om hem boos te krijgen.

Hij mag dan af en toe mistroostig raken - “er gebeuren met kinderen en dieren toch gruwelijke dingen in de wereld” -, maar net zo gemakkelijk bladert hij volstrekt onbewogen door een medisch handboek met kleurenfoto's van de meest afstotende huidziektes. En op de vraag of die krappe, witte hoofdkapjes betekenen dat al die huidpatiënten dood zijn - wat ongetwijfeld het geval is -, zegt hij dan met een zachte stem: “O, daar heb ik nooit bij stilgestaan. Ik kijk als een chirurg en oordeel alleen over de bruikbaarheid van die foto's. Shockeren doe ik niet in mijn werk, dat is zo goedkoop. ”

Klimop

In zijn genoeglijke Haagse atelier, tussen de afhaal-Chinezen achter het Hollands Spoor, kruipt de klimop naar binnen en wapperen de dunne witte gordijnen naar buiten. Wanden en tafels zijn zó overdadig toegedekt met plaatjes dat het lastig is om stil te staan bij de opname van een man in pyjama, wiens ledenmaten meanderden als een paling, omdat het plaatje dat er naast ligt - twee hysterische ogen - het liefst ook meteen gezien wil worden.

Aan de radio-antenne, de staande schemerlamp, de deurposten; het wemelt van de foto's die in eerste instantie niet opvallen, maar die pas later hun kleinschalige opzienbarendheid prijsgeven. 'Prikkeldraad geroest kopen' meldt een notitie op de muur. Vlak voor ons ligt tussen de aardewerken hondjes nog een uiteengereten lappenpop en een plastic paard dat kan hinniken.

Als het hem uitkomt kan Ossip urenlang in zijn 'laboratorium' aan een van zijn zes tafels zitten wachten. Discipline is hem vreemd. Hij hoeft niet zo dringend te presteren. De radio aan, een sigaret erbij, soms wat wijn, en dan maar kijken. Naar een zwart-wit opname bijvoorbeeld van acht bij vier centimeter, een verschrikt meisje met reusachtige, bolle ogen of naar de close-up van een akelig, bazig vrouwmens. De hoeken van haar scheermesjes-mond hadden niet dieper kunnen wegzakken. 'Wo hast du mein Schätzchen das Küssen studiert' staat er onder het trosje zwarte draden dat tussen haar lippen bungelt.

Zo griezelig als die kenau, zo sensueel is het uitvergrote naakt dat er naast hangt. De jonge vrouw met een knot op het hoofd, ruggelings gefotografeerd, kreeg vanuit de haarlijn een ritmische sluier van dunne, zwarte draden mee, die met grote precisie ter hoogte van de voeten aan een uitstekende, houten ronding zijn bevestigd. Eindelijk is ze die door fragiele draadkegel bevrijd uit dat haarkorset, en, hoe lang geleden ze ook leefde, ze zou hier vanmorgen nog model hebben kunnen staan.

“Steeds moet een beeld een diepere betekenis krijgen, de absolute betekenis die ik er zelf aan toedicht. Daarom neemt mijn werk zoveel tijd in beslag. Ik wacht als het ware op het moment waarop die betekenis vorm krijgt. En die vorm verwachtte ik niet van mezelf. Zo kan ik ook op straat tien keer hetzelfde kammetje zien liggen, tot ik het de elfde keer eindelijk opraap. Pas dan voel ik met stelligheid dat ik het later zal gebruiken.”Al die opnamen van Ossip komen uit vergeelde boeken en tijdschriften, het uitschot van de lectuur; van een stoffig interieur of een 17de-eeuws portret tot het bijna ontblote lijf van een bejaarde, dode man, of een groezelig plein. En op zo'n weids, leeg plein bijvoorbeeld, is dan in een steeg, ver op de achtergrond, tussen twee huizenblokken, de schim van een gebogen man omcirkeld. Meer niet.

Vergeten

“Het moeten hoe dan ook oude foto's zijn, er mag weinig of niets op gebeuren, en het kan me niets schelen wie ze heeft gemaakt. Recente foto's dragen een betekenis in zich en de personen zijn nog te identificeren. Deze oude foto's zijn vergeten, tijdloos, feitelijk en onbepaald. Hun naakte functionaliteit maakt ze mooi. Niemand die ooit nog deze documentaire-portretten onder ogen zou krijgen als ik ze niet verzamelde. Het is aan mij om ze te actualiseren.

“Ziet u deze opname van dat televisie-testbeeld? Dat testbeeld is verbonden met die foto van die verkrampte vrouwenhanden. Ik weet zeker dat ze bij elkaar horen, maar ik weet alleen nog niet hoe ik ze met elkaar moet verbinden.

“Het blijft vreemd dat ik uit dat grenzeloze aanbod juist deze opnamen selecteer. Veel foto's zijn niet pluis, dat voel ik, maar ik vraag me nooit af waarom dat zo is. Dat moeten anderen maar doen. U kunt mij vergelijken met een vis die in het wilde weg zijn gang gaat, om een steentje heenzwemt, niets bijzonders opmerkt en dan weer rustig doorglijdt. En soms ziet die vis wèl iets van zijn gading.”

Vanaf de wand houdt een strenge, oude vrouw ons in de gaten. Ze moet een eeuw geleden aan het hoofd hebben gestaan van een wees- of ziekenhuis. Zo onverbiddelijk als ze er uit ziet, zo verstijfd als ze in die weduwenjurk op die rechte stoel zit. Alle zintuigen waren al een beetje gestorven. Je zou een familieportret van zo'n verschrompeld appeltje, in tranenloos verdriet, thuis direct in een diepe kast stoppen.

Ossip niet. Hij heeft dat perkamenten gezicht er maar uitgesneden. Hij bewaarde het ovaal, wikkelde er een dunne zwarte voile omheen, plaatste het terug in de uitvergrote foto, en nu hangt daar in diepe rouw gedompeld diezelfde directrice. Met dat verschil dat haar uitstraling anders is. Dankzij die verzachtende voile krijgt ze reliëf, komt ze in gestalte en in tijd dichterbij. En net als dat olifanten-jongetje roept ze mededogen op.

“Ik heb genoeg fotoportretten waarmee ik hetzelfde kan doen. Hoofd eruit, lap ervoor. Maar daar begin ik niet aan. Een beeld, een idee mag zich niet stompzinnig herhalen. Elk werk moet zuiver zijn. Ik ben als kind opgegroeid in een welgesteld milieu. Toen mijn ouders scheidden, ben ik bij mijn moeder gebleven. Omdat thuis altijd alles financieel binnen mijn bereik lag, was ik de waarde van veel dingen en gevoelens vergeten. Daarom kan ik nu in mijn werk niet eerlijk genoeg zijn. Een angstig avontuur, want ik ben erg onzeker. En toch moet ik mezelf steeds doorbréken, fouten durven maken, om mijn integriteit bewaren. Uiteindelijk moet je aan mijn werk kunnen voelen dat je er niet omheen kunt.”

Boeken

We kruipen de stijle zoldertrap op. Onder de zware balken staan Ossips oudere werken uit het BKR-tijdperk opgesteld. Hij bezoekt bijna nooit een tentoonstelling en leest weinig over beeldende kunst. Tòch greep hij in die tijd ook al naar het gedrukte woord. Boeken werden een voor een kapotgemaakt. Verknipt, gevouwen en geplakt keerden de pagina's terug in geometrische schema's, in elkaar toedekkende randen die - als bij een genaaide quilt - cirkels, vierkanten of achthoeken vormden.

Klinische karweitjes, die in hun esthetische vormgeving een oppervlakkige inhoud verbergen. En de schilderijen die hij daarna ging maken - we hebben het over de jaren zeventig - moesten er net zo koel en beheerst uitzien, in een Mondriaan-achtige vlakverdeling, versierd met zwarte, grafische lijnstelsels. Technisch mankeerde er niets aan, want op de LTS en de MTS had de kunstenaar genoeg technieken onder de knie gekregen.

Het duurde even, maar uiteindelijk liep Ossip met zijn geometrische variaties vast. Hij werd er 'raar' van, zegt hij. En toen is hij maar eens wat gaan krabbelen op de kaften van al die boekjes die hij verscheurd had. Poppetjes, Miró-achtige figuurtjes, letters; terug naar het rebusachtig spelen op papier. “Ik ben alleen maar voor mezelf geschikt” had hij destijds al bij het verlaten van school tegen zijn ouders gezegd.

Poppetjes

“Ik liet die poppetjes destijds aan mijn vader zien. Ik geneerde me een beetje en ik dekte me bij voorbaat in: 'Het is geen kunst, hoor', zei ik tegen hem. 'Maar wat maakt dat nou uit!', antwoordde hij. 'Als jij poppetjes wilt tekenen, dan doe je dat toch.' Door die stimulans heb ik kaft na kaft als in een roes onder handen genomen.”

Het zijn baldadige, dada-achtige collages, die even aan details uit de meer introverte, poëtische, jaren dertig-collages van Hannah Höch doen denken. Een spel met fotofragmenten, getekende schedeltjes, geraamten, opgeplakte neuzen en oren, met veel kleur en gekkigheid, zoals pruikjes van borstelharen en nopjes van lijmproppen. Sommige kaftjes liet Ossip manshoog uitvergroten, om ze met verf en wat dies meer zij meer allure te geven. Andere zijn in drie dimensies op Haagse kinderspeelplaatsen verschenen.

Die baldadigheid is weggeëbd; de fotografie en een ingehouden speelsheid zijn gebleven. Het wie, wat en waarom van zo'n foto wil men, net als Ossip, niet meer weten. Het beeld vertelt in zijn nieuwe gedaante veel meer dan het in zijn tijd feitelijk betekend moet hebben. Zonder ranzig sentiment en dankzij een summiere metamorfose kan het nu 'grote emoties' overbrengen, als afscheid, mededogen, afschuw, dood, eenzaamheid en onschuld. Andere werken onthullen waar we bijna universeel bij oude foto's aan denken. En het is de ondoorgrondelijkheid van die materiële ingreep, de uitkomst van een intuïtief proces, dat Ossip noch anderen in woorden kunnen vatten.

Neem nu die twee onbekende jongemannen, 19de-eeuws en op zijn zondags gekleed, die ernstig voor god-mag-weten-wie hebben geposeerd. Ze staan daar op bijna ware grootte, vergeten doden, alsmaar verder weg getikt door de tijd. Tussen hen in heeft Ossip een net zo hoog kruis aangebracht van melkwitte, transparante stippen. Hun dood is definitiever èn, door die kruisvorm, gemeenschappelijker dan hij ooit geweest is.

Samen kijken we nog naar een piepklein meisje dat op haar tenen wiebelt. Ze wil zichzelf in een klassieke, staande spiegel bekijken en ze heeft haar handjes langs haar oren opgeheven, alsof ze haar haar wil gladstrijken of in een hoge C kan uitbarsten. Een juweel uit een anoniem familiealbum, en nu een meter hoog opgeblazen. Maar dwars over het beeld loopt een verdacht wit raster van verticale en horizontale, brokkelige lijnen. Iemand versnipperde die opname blijkbaar, kreeg er spijt van en herstelde de herinnering.

“Nee, hoor”, lacht Ossip, “het was een maar heel klein plaatje en dat heb ik hier gedachtenloos aan tafel zitten opvouwen. Toen ik het weer uitvouwde, zag ik pas de werking die ervan uitgaat.” Op de uitvergroting is elk vierkantje met bruine vernis toegedekt, de lijnen moesten wit blijven. En zo deed het meisje nog een volgende stap terug in de tijd, in een waas van dunne sepia, onbereikbaar in haar aandoenlijkheid.

“Ja, het is een mooie pop”, zegt de kunstenaar. Hij corrigeert zichzelf snel, “ik bedoel een mooi kind.” Ongewild onderstreept hij zijn 'chirurgische' manier van kijken, of zoals hij zelf ooit zei, dat noodzakelijke 'gevoel van twintig graden onder nul', die onaangename, psychische temperatuur, die weinigen aan hem zullen merken, maar die blijkbaar vereist is om anderen via het vergeten beeld onder te dompelen in het diepe water van onbewuste associaties.

“Ik heb een vrouw en een klein zoontje en ik ben met hen heel gelukkig”, zegt Ossip bij de deur. “Toch voel ik me vaak een kind dat staat weg te dromen. Begrijpt u dat?” Naast ons hangt alweer een nieuwe, langgerekte foto van een naakt jongetje. Dit keer een mooi knaapje, met alleen maar sokken, schoenen en een zonnebril aan het lijf. Even drukt Ossip op zijn piemel en ineens horen we 'mamma' en ander mechanisch gebabbel dat de speelpoppen van tegenwoordig produceren. “Dit trucje wordt het dus niet”, zegt Ossip beslist. “Hoewel”, weifelt hij, “ik moet er nog heel goed over nadenken.”