Het uitzicht van Willem Witsen en George Breitner; Ach, ik stond achter de boom

Het Witsenhuis in Amsterdam. Leerbehang, schilderijen op de zolder, en stapels foto's van meestal somber kijkende mannen: Willem Kloos, George Breitner, Jacobus van Looy, en Willem Witsen zelf. Hij en Breitner schilderden uit een raam van het huis het uitzicht op wat nu het Oosterpark is. “Alles lijkt tegelijkertijd wel en niet te kloppen.”

Op het eerste gezicht is er niets aan de hand met het schilderij van George Hendrik Breitner dat sinds kort in de Zuidvleugel van het Rijksmuseum in Amsterdam hangt aan een korte wand op de eerste etage. De aanwinst - met financiële steun van een Maastrichtse kunsthandelaar verworven uit particulier bezit - ademt de witte kalmte van een namiddag in de winter; de koude lijkt zich blijvend te hebben genesteld tussen jonge aanplant links op de voorgrond en strekt zich uit over een open veld tot aan een breed complex van lage bebouwing, sneeuwrandjes bekronen in snelle vegen de daklijsten. Grauwgrijs drukt de lucht op een rossige huizenrij die vanuit de rechterbovenkant het schilderij afbakent in een flauwe diagonaal tot ver over het midden, waar ze verdwijnt achter onscherp geboomte.

Het moet al wat dieper in het winterseizoen zijn, maar het zal al een tijd niet meer hebben gesneeuwd. De weg parallel aan de huizen ziet er schoongeveegd uit; ook de bomen aan de rechtervoorzijde van het doek binnen een hortende omheining van een tuin hebben het dek al afgeschud, lijken voorzichtig uit te botten en op de krappe oever van het bevroren slootje langs het perceel schemert aarde.

Zo mooi, stil en sfeervol als het schilderij bij deze eerste aanblik aankomt, zoveel verwarring sticht het direct na lezing van het bordje dat er naast hangt: 'Gezicht op het Oosterpark te Amsterdam in de sneeuw, ca. 1890'. Alles lijkt tegelijkertijd wel en niet te kloppen, alsof verleden en werkelijkheid in elkaar schuiven voor de duur van een onrustige droom. Wanneer je - zoals ik -je jeugd hebt doorgebracht in het Witsenhuis, dan meen je aanspraak te kunnen maken op eenzelfde blikveld als Breitner heeft gehad - en Willem Witsen, en Isaac Israëls en hun schrijvende vrienden uit de Beweging van Tachtig.

Het perspectief past weliswaar, maar het beeld wringt. Een boerderij op de plek van de wijde vijver? Een houten schutting in plaats van het hoge getande hek - waar, zo ontdekte je later, Nescio zijn jongens 'heele zomernachten' tegenaan liet leunen? Redelijke verklaringen verdrijven de argwaan. Allicht dat de torens van het kasteel in de verte met zijn koele gangen, uitgesleten marmeren treden en de vage geur van specerijen niet boven de bomen uitkomen: het Koloniaal Instituut voor de Tropen werd pas in 1926 voltooid, drie jaar na Breitners dood.

G.H. Breitner, zijn handtekening prijkt als negentiende-eeuwse graffiti rechtsonder op de schutting, heeft vast naar het leven geschilderd, misschien zelfs wel naar een foto, zoals hij dikwijls deed. Om de voorstelling te scheiden van de eigen herinnering en om de informatie die het schilderij geeft alsnog te kunnen herkennen, is het zaak de feiten te bestuderen.

Wanneer Breitner het schilderij heeft verkocht, is niet meer na te gaan. Wel aan wie. Aan de uitgever Paul Nijhoff. Na zijn overlijden kwam het schilderij te hangen bij zijn dochter, die was getrouwd met de latere Amsterdamse burgemeester Gijs van Hall en daarna bij de actrice Loudi Nijhoff. Al die jaren koesterde de familie het uitzicht en de bijbehorende anekdote: Paul Nijhoff had het schilderij rond de eeuwwisseling rechtstreeks van George Breitner gekocht en zou er ter betaling een fiets voor hebben gegeven. De schilder zat weer eens op zwart zaad. Papieren of andere gegevens ontbreken, zo vertelde een kleinzoon van de uitgever, die het schilderij onlangs aan het Rijksmuseum heeft verkocht.

Schulden

Een jaartal ontbreekt op het doek. Toch zal de datering die het Rijksmuseum vermeldt niet slecht geschat zijn. In 1890 houdt Breitner immers al drie jaar atelier in het nieuwe huis van zijn vriend Willem Witsen in Amsterdam-oost. Zou Breitner zijn blik uit het venster van dit atelier hebben vastgelegd toen hij er nog werkte, dus vóór maart 1891, toen hij er weer wegging met achterlating van diverse schulden, aldus bronnen uit zijn tijd?

Het lijkt in elk geval logisch om vanuit die plek als het ware in het doek te stappen en de schilder te volgen, zoals Maria Poppins zich op haar uitgaansdag liet meevoeren de stoeptekening in van Bert, de lucifersman. Eenmaal in de afbeelding terechtgekomen ontdekt ze details die haar voorheen waren ontgaan. ' “Maar ik heb u niet op de tekening gezien,” zei Maria Poppins. “Ach, ik stond achter de boom”, legde de kelner uit.'

De vertrouwde locatie is niet veranderd. Het monumentale pand uit 1885 met de twee boogvormige ingangen op Oosterpark 82, zo'n zestig stappen - vroeger waren het er meer - van de hoek van de Linnaeusstraat, werd na de dood van Witsens tweede vrouw bekend als het Witsenhuis. Twintig jaar, op de dag af, overleefde Maria Witsen-Schorr haar echtgenoot, die korte tijd voor zijn vriend Breitner was overleden. Bij opening van haar testament bleek de weduwe het huis te hebben vermaakt aan de Staat der Nederlanden. Een van haar vele excentrieke bepalingen luidde dat de eerste etage, waar Willem Witsen, telg uit een voorname, welgestelde Amsterdamse familie zijn atelier had en zijn vrienden ontving, in dezelfde staat moest blijven.

'De bomen dorren in het laat seizoen/ En wachten roerloos den nabijen winter./ Wat is dat alles stil, doodstil. Ik vind er/ Mijn eigen leven in, dat heen gaat spoên.//' schreef Willem Kloos in 1888 in De Nieuwe Gids. Begin jaren negentig woonde de dichter praktisch bij Witsen in, op wat toen nog Eerste Parkstraat 438 heette. Het is er stil, alsof Maria Schorr in haar testament kon laten vastleggen, dat ook het authentieke stadsgedruis intact zou worden gelaten. Verkeersgeluiden dringen er nauwelijks door, hooguit het remmen en het optrekken van de tram bij de halte, die nu tot tegenover het huis reikt, voorbij de bocht van het slootje op Breitners schilderij.

Het ruikt er nog altijd naar vroeger. Naar het vroeger van leerbehang en donker meubilair, gemorste sigarenas en verspilde drank, vrouwenbezoek, verfspatten en vlammende verzen tot diep in de nacht. En naar het vroeger van 'theedrinken in de Witsenkamer' op zondagmiddag voor het raam aan de zware tafel met het Perzisch kleed erover. De wanden zijn nu nog steeds bezaaid met het oeuvre van de overleden schilders - al heeft men mettertijd de topstukken er tussenuit gehaald. Ook de enorme vliering, waar schilderijen in gouden krullijsten in dikke rijen tegen de onderkant van de houten balken leunden, werd geruimd toen uiteindelijk de tijd was gekomen voor de herwaardering van Israëls, Witsen en vooral Breitner. Donkere koppen, paarden met ruiters, dansende vrouwengestalten, mistige landschappen, straattaferelen daalden de trappen af en verlieten definitief het huis waar ze waren ontstaan.

Geheimzinnig

Waarschijnlijk verdwenen met hen de geheimzinnige voorvallen. Een deur die zonder tochtvlaag dichtsloeg. De greep van een koele hand op je enkel als je de trappen oprende, langs de voormalige ateliers van Breitner op de beletage, Witsen daarboven en Israëls op de tweede. Het opduiken van een artefact uit het verleden, zoals het miniscule boekje met visitekaartjes dat pardoes op de grond naast een 'Witsenstoel' lag of het vergeelde reçu van 'verf en linnen' dat uit het oude bureau viel.

De werken van de overleden schrijvers en hun grote buitenlandse voorbeelden staan nog altijd in de lage boekenkasten aan weerszijden van het raam in het atelier. Ook het zelfportret van Witsen op de ezel is niet van zijn plaats gegaan. Het leek alsof zijn grote donkere ogen je in de gaten hielden, wanneer je de glanzend houten necessaire met de kristallen karaffen en glaasjes openklapte en als je in de laden van de commodes en de secretaire keek. Een handvol knijpbrilletjes met vensterglas, die op je neusbrug een moet achterlieten. Stapels foto's van meestal somber kijkende mannen wier namen hoorden bij snorren, baarden, warrige dossen en pokdalige koppen, soms getooid met dandyachtige lavallière's of hoofddeksels. Willem Kloos, Hein Boeken, Frans Erens, Herman Gorter, Alphons Diepenbrock, Jacobus van Looy, Jan Toorop, Isaac Israëls en Witsen zelf. Een enkele keer verrijkt een vrouw het gezelschap: Witsens eerste vrouw Betsy van Vloten en haar zuster Martha, getrouwd met Frederik van Eeden. Annette Versluys-Poelman, de krachtdadige echtgenote van de uitgever van de Tachtigers, Willem Versluys. Ze waren buurtgenoten, want hun zaak annex woonhuis was gevestigd in de Tweede Oosterparkstraat tussen Kastanje- en Eikeplein op nummer 223, in het pand huist nu een kinderdagverblijf. En natuurlijk foto's van George Breitner en zijn vrouw Marie Jordan.

De foto's zorgden voor een tijdmachine-effect, omdat de negentiende-eeuwse entourage was gebleven, tot en met de stoelen waarin ze zaten en de schilderijen die op de achtergrond hingen. En de tafel, waar nu het gastenboek van het museumpje op ligt. Dezelfde tafel waaraan Witsen, met zijn verloofde Betsy en enige vrienden onder wie Kloos, op maandag 7 november 1892 Paul Verlaine te eten had, de vereerde dichter die uit Parijs was gekomen voor lezingen in Den Haag en Amsterdam. Drie nachten logeerde hij in het kleine vertrek aan de tuinkant, dat sindsdien het Verlainekamertje heette.

Verlaine is door Witsen die paar dagen in november 1892 vele malen gefotografeerd, steeds in het atelier aan de voorzijde, soms zittend aan de tafel bij het raam waar hij zijn lezing voorbereidde. Helaas is het venster niet in beeld. Maar de Franse dichter heeft toen, het kan niet anders, een ander uitzicht gehad dan Breitner schilderde. Anderhalve maand na het hoge bezoek zou de Muiderkerk aan de Linnaeusstraat hoek Eerste Van Swindenstraat in gebruik worden genomen, ongeveer op de onbebouwde plek die na enig zoeken achter de top van Breitners linker hoge boom kan worden vastgesteld. Op 1 april 1892 had dominee Vos de eerste steen gelegd. Vanzelfsprekend was de hervormde kerk van architect Vixseboxse - een van de vele grote projecten in de nieuwe buurt uit die bouwrijpe jaren - dus bijna opgeleverd in november van dat jaar.

Vlaggen en wimpels

Beter dan op Breitners schilderij laat de bewuste locatie zich aanwijzen op een aquarel van Witsen, ook aanwezig in de collectie van het Rijksmuseum (bewaard in het Rijksprentenkabinet). De gevelrij met de verspringende daklijsten aan de oneven kant van de Eerste Van Swindenstraat heeft hij getrouw geregistreerd, zo bewijst een foto die Jacob Olie op vrijdag 1 april 1892 nam. De boogramen op de begane grond van het grote pand op de hoek gaan op de foto bijna schuil achter het met vlaggen en wimpels versierde bouwterrein - de omlijsting van het kerkportaal er tegenover staat reeds overeind. Bij Witsen is het hoekpand beter te zien, met daarnaast de huisnummers 1 tot en met 11 en de huizen aan de Linnaeusstraat keurig tot in de details van de gordijntjes weergegeven. Breitner heeft dit blok precies zo vastgelegd - zij het met lossere hand.

Al is zijn uitzicht nu vrijwel niet meer te herkennen, Breitner koos zijn standpunt in het atelier op de eerste etage. Hij besloot alleen iets meer naar rechts te gaan staan dan Witsen. Hun opvattingen bieden daardoor samen een breder panorama van wat is geweest, ruim een eeuw geleden, toen het stadsuitbreidingsplan van de directeur Publieke Werken J. Kalff de voltooiing naderde.

Een van de karakteristieke eigenschappen van het grensgebied over de Singelgracht (vanaf 1878 de Mauritskade) waren de pleziertuinen geweest, waar men al naar gelang de grootte van het gezelschap 'personen thee' kon bestellen of naarmate de middag vorderde iets hartigers. Ze moesten wijken voor Amsterdam-oost. De eerste die verdween was de eeuwenoude herberg De Roomtuintjes op steenworpafstand van de Muiderpoort waar de tram nu om het plantsoen rijdt (de naam is bewaard gebleven in de grauwe blokkendozen aan het spoor achter de Dapperbuurt). De laatste heette Nieuw Vliedzorg of De Nieuwe Roomtuintjes. Willem Witsen vereeuwigde de erker ervan op zijn aquarel. Pas in 1896, nadat de gemeente de eigenaar een stuk land elders in de stad had aangeboden, werd deze theetuin afgebroken.

Dankzij de voortvarendheid van het toenmalige bouwlustige gemeentebestuur en Witsens zorgvuldigheid kan Breitners schilderij nauwkeurig gedateerd worden. Het gaat namelijk om anderhalf huis, waarvan de achterkant te zien is, omdat de kerk er nog niet staat: Eerste Van Swindenstraat nummer 6 en 8. De bouwvergunning van de panden 6 tot en met 12 zijn afgegeven op 21 maart 1891, twee dagen nadat Breitner wegging uit het atelier aan de Eerste Parkstraat. Zijn schilderij kan hij dus onmogelijk vóór die tijd voltooid hebben.

Maar er blijkt nog een aanwijzing. Witsen plaatst een aantal groengekleurde gebouwtjes op de hoek van de Linnaeusstraat en de Eerste Van Swindenstraat. Foto's van Olie geven de suggestie dat het hier gaat om bouwketen. De archieven bevestigen dit vermoeden. Reeds in het najaar van 1891 werd er een aanleg gemaakt met de aanleg van de fundering van de Muiderkerk.

Het kan niet anders: Breitner en Witsen hebben het uitzicht in de winter van 1891 op 1892 vastgelegd, op z'n vroegst in oktober, november, maar waarschijnlijker - gezien de uitbottende bomen en het wegtrekkende sneeuwdek - in januari of februari.

Uit de dagelijkse rubriek Stadsnieuws van het Algemeen Handelsblad blijkt dat het in Amsterdam die winter pas begon te sneeuwen op de avond van donderdag 8 januari 1892: “Te acht uur begonnen de vlokken te vallen en te halfnegen was de wintertooi der stad voltooid. Een grootschen blik leverden de grachten en pleinen op. Het licht der lantaarns scheen helderder dan ooit te zijn en werd schitterend weerkaatst door de miljoenen kristallen.” Het verkeer ondervond hinder van de sneeuwval, zo beschrijft de verslaggever. Weliswaar zet men bij de trams dubbelspans in die worden voorafgegaan door pekel- en bezemwagens, maar 'waar zooveel meer paarden nodig waren, was er natuurlijk van een geregelde dienst geen sprake'. Van gemeentewege wordt onmiddellijk aangevangen met het opruimen van losse sneeuw, waardoor de Dam kort na middernacht 'van de mest hindelrijke sneeuwlaag' was ontdaan. Een dag later blijkt 'veel arbeid nutteloos verricht' want het was opnieuw gaan sneeuwen.

De vorst maakte de bruggen die maand vaak onbegaanbaar, met allerlei akelige ongevallen vandien en op de helft van de maand gispt de krant veel stadsbewoners die 'egoïstisch' te werk gaan door alleen voor hun eigen deur te strooien. Op 29 januari kan de krant melden, dat het ijs in de grachten 'binnen en om Amsterdam' reeds gedeeltelijk verdwenen is en dat het kwik blijft stijgen. De vorstperiode is voorbij en er valt geen sneeuw meer.

Het is duidelijk. Breinter en Witsen legden het uitzicht vast van januari 1892.

Kinderrijk

Was Breitner meer geïnteresseerd in de nieuwe tijd dan Witsen? Hij schoof genoeg naar rechts om theetuin Nieuw Vliedzorg te kunnen vermijden. Maar om de oude bouwsels in de verte kon hij niet heen en daardoor heeft hij wel een historisch juiste toevoeging aan de linkerkant van Witsens aquarel gegeven.

Foto's uit 1893 - de Muiderkerk staat er al - tonen de bouwsels van dichtbij. Vanuit het atelier bekeken eerst de kleine boerderij met het hooischuurtje, daarachter verscholen een laag bakstenen daglonershuisje en tenslotte, gelegen aan het opengebleven stuk Molenwetering, de langgerekte boerderij. Jacob Olie fotografeerde een armoedig geklede, kinderrijke familie met een enkele keurig uitziende heer met bolhoed ernaast. Achter de boerderij zien we de bomen van de Oosterbegraafplaats die het jaar daarna gesloten zou worden, om precies te zijn in het voorjaar van 1894, vlak voordat het Oosterpark werd geopend, met de vijver op de plek van de boerderij.

Strikt gesproken hebben Breitners schilderij noch Witsens aquarel dus het Oosterpark tot onderwerp. Want hoewel het plan voor een park in de nieuwe wijk dateert uit 1883, werd pas in september 1891 het ontwerp van L.A. Springer gekozen. De grondwerkzaamheden begonnen in de loop van 1893 en duurden alles bij elkaar een jaar. Was de naam al in het spraakgebruik van de buurt opgenomen?

Een paar vragen blijven onopgelost. Baseerde Breitner zich op zijn eigen blikveld? Kwam hij terug in het Witsenhuis of heeft hij een foto van zichzelf gebruikt of van Witsen? Het is bekend dat de vrienden regelmatig foto's uitwisselden. Waarom ontbreekt de jonge aanplant bij Witsen? Er bestaat een foto die hij van zijn aquarel maakte, blijkbaar in een eerder stadium. Over het pad van voetstappen in de januarisneeuw, dat met een curve naar de Linnaeusstraat gaat, lopen twee figuurtjes, zo te zien een man met een kind. Zou hij zich hebben laten inspireren door de stilte en roerloosheid van zijn vrienden Breitner en Kloos en de anekdotiek hebben vervangen door sneeuw? Misschien is Breitner de aanleg van het Oosterpark voor geweest.

De huidige bouwijver in Amsterdam-oost zou iets weg kunnen hebben van toen: opnieuw wordt het oude vervangen. Maar Breitner en Witsen zijn nu bijna geheel uit het stadsdeel verdwenen. Alleen het standbeeld van Jan Wolkers, een fiere stalen vlam in de vijver van het Oosterpark, hemelsbreed zo'n 150 meter van het Witsenhuis verwijderd, herinnert aan het elan van de Tachtigers.

Met dank aan: Erik Schmitz, Gemeentearchief Amsterdam; R.W. Asser, Amstelveen; Paul Hefting, Haarlem; Wiepke Loos, Rijksmuseum Amsterdam