Herfstliederen

De mannen waaruit ik besta kwamen vriendschappelijk bijeen. Een van hen wreef zich in de handen en zei: “Hout voor het vuur, een boek en een glas wijn, / Dit zijn de dingen van het latere leven”, en hij werd uitgelachen.

“Daar zijn we nog lang niet aan toe”, zeiden wij. “Aan dat latere leven zijn we toe, vooruit, aan dat boek, aan dat glas wijn. Hout voor het vuur! Het raam staat wijd open, heerlijk. Het is trouwens gek om je voor te stellen, dat dikke heertje Jacques Bloem bezig hout in een open haard te leggen. Nee, jongen, het is herfst.”

“Guillaume van der Graft”, zei een van ons, “de dichter, vorige maand in de hitte zevenenzeventig geworden, wat gaat de tijd toch snel, heeft in zijn jeugd eens gezegd of geschreven dat de herfst zijn poëtische seizoen was. Wij waren het daar toen mee eens. Zouden jonge dichters vandaag de dag speciaal in dit seizoen geïnspireerd worden? Er moet maar eens onderzoek naar worden gedaan.”

“Het zijn gevaarlijke maanden”, zei een ander. “Herinneren jullie je de kroeg waar we zo graag kwamen? De bazin trapte bijna iedere avond vechtende dronkemannen de deur uit. 'Als de bladeren vallen worden ze gek', zei ze, minzaam naar ons glimlachend. Ik heb een keer geantwoord: 'Wer jetzt kein Haus hat baut sich keines mehr', dat werd op prijs gesteld.”

“Ach, dat gedicht van Rilke”, zei een van ons. “We kenden het zo'n beetje uit ons hoofd nadat we het twee, drie keer gelezen hadden. Hij begint God mee te delen dat het tijd is, en dat Hij schaduw op de zonnewijzers moet leggen en de laatste zoetheid in de zware wijn moet jagen. Wonderlijk om God opdrachten te geven. En dan komt de man ter sprake die geen huis heeft gebouwd. Die gaat waken, lezen, lange brieven schrijven en onrustig door de alleeën heen en weer dwalen als de bladeren op drift zijn. Prachtig, wat vonden we dat vroeger prachtig. Wer jetzt allein ist wird es lange bleiben.”

“Ach ja, wat was het heerlijk om dat na te voelen”, zei een van ons, “we hadden nog niet zo de pest aan de seizoenen. Herinneren jullie je dat we zelf een 'Herfstlied' hebben geschreven? Daarin wordt een trompet toegesproken. De zomer heeft er een geweldige stoot op geblazen, hem achteloos van de lippen gezet, is in de nacht weggeslopen en wat is overgebleven? Een orkest van klachten. Mooi gedicht, ter ere van de zomer. Het is op muziek gezet, voor jongenskoor, maar dat stuk hebben we helaas nooit gehoord.”

“J.C. Bloem houdt van de herfst”, zei een ander. “De paarlen sfeer van een gelaten lucht. En verderop: Herfst, land en mensen in een stil verband, / Waarboven in berusting uitgerezen, Een overal gelijke hemel spant.”

“Daar heeft hij het vaker over, over die mooie grijze hemel”, zei een van ons, “maar je vergeet: “Het regent en het is november: / Weer keert het najaar en belaagt / Het hart, dat droef, maar steeds gewender, / Zijn heimelijke pijnen draagt.”

“O ja”, zei een ander lachend, “altijd november, altijd regen, / Altijd dit lege hart, altijd.”

“Daar zijn we nog niet aan toe”, zei de eerste, “dat is al haast bij hout voor het vuur.”

“En het mag dreigender”, zei een ander. “De herfst een melancholiek paradijs, met die hemel van Bloem? Ik word betoverd door Maurice Gilliams met zijn raadselgedicht: Het is een land van grijsaards na de zomer, / hier geeuwt de heide in haar gal van zonde; / het bruin der eiken heeft de geur der honden, / het dorp gloeit in zijn klokken van oktober. Volgens dat gedicht staat het kasteel in zijn grachten te verrotten en blinken sterfbedden van het goud der vaderen. De zonen zien het wonder, staat er, omdat het geboortehuis in nevel onderdompelt en jeugd, lief en 't àl niet te naderen zijn. Ik begrijp eigenlijk niets van dat gedicht, maar ik vind het erg mooi. Het bruin der eiken heeft de geur der honden. Je ziet het en je ruikt het, dat is poëzie, verdomme.”

“Jammer dat je in beschaafd gezelschap niets aardigs meer over A. Roland Holst mag zeggen”, zei een van ons. “Wij zijn nu echt te oud om hem nog te verloochenen. Lege retoriek? Al bijna vergeten? Dat 'Najaar' van hem is toch magnifiek? “De nacht vaart door de roepende kruinen heen / zwaar en onheuchlijk; ik loop beneden. / Sinds gisteren is het een leven geleden / dat de zomer verdween.” En dan komt het allemaal, echt naar onze zin, al die mooie woorden: wervelend, uiteengedwereld, de woestheid en de moeheid dezer wereld, eeuwen, wind, koningen die uit een westwaarts vluchten, puinen, de wilde maan, teloorgaan, droombevlogen volken, der werelden eind. Jongens, wat was dat toch mooi toen we het voor het eerst lazen. Hij heeft later verteld dat hij iets te veel had gedronken in de dorpskroeg en op weg naar zijn huis, in Bergen, componeerde hij dat lange gedicht. Ik denk dat je Roland Holst gelezen moet hebben in de jaren van oorlogsdreiging. Miezerige, gedeprimeerde jaren, en wij waren vijftien, zestien, zeventien. “In aantocht blinkende voorvlagen / van einde's dageraad' - doodgewoon vonden wij dat, aantrekkelijke lectuur, passend voor “ons allen op het noodlot meegenomen / van de sombere planeet”, zoals het gedicht eindigt. Dat was nog eens een najaar. Zo zie je ze niet meer tegenwoordig.”

“Wat is het prettig om vriendschappelijk bij elkaar te zitten en terug te kijken”, zei een van ons. “We treffen het met het weer. De waanzin van de herfst komt ook nog, dat moeten we aannemen. “Kreunend trekken over / de kammen van de bergen / de opgejaagde wolken”. Dat hebben we in 1944 gedicht, toen we als dwangarbeider op het emplacement van Heidelberg steentjes onder bielzen stonden te slaan. Ach ja, de dichter liet wolken kreunen, armzalige beeldspraak, jammer.”

“Géén weemoed, géén bangigheid!” zei een ander. “Als binnenkort de bladeren op drift gaan, de kastelen in hun grachten verrotten, de wilde maan dwerelt, dan zeggen wij drie regels op van Herman van den Bergh. Totaal vergeten, in het begin van de eeuw een belangrijke vernieuwer die in zijn late jaren zijn goede naam verpestte door plagiaat te plegen. Dit is het begin van een 'Liedje' van hem: Eens was de wereld loof aan 't schreien en boven zon en daken zat de wind- en flapte. We zijn eens wakker geworden in de herfst door een storm, hand op ons hart, en dachten iets als: En wat dan nog? Daar zit de wind en flapt. Het zijn de mooiste regels van vanavond, vinden jullie niet?”