Gedichten van Edward Thomas (1878-1917) vertaald; Een toevluchtsoord boven de modder

Edward Thomas: Maar deze dingen ook. Gedichten. Vertaald en ingeleid door J. Eijkelboom. Wagner & Van Santen, 96 blz. ƒ 34,50

Ten noordwesten van Oxford, aan de spoorlijn naar Worcester, ligt een klein plaatsje: Adlestrop. Er valt niet veel over te vertellen, behalve dan dat er ooit eens, in het begin van deze eeuw, op een hete zomerdag een sneltrein stilhield voor een niet in de dienstregeling opgenomen korte stop. In de trein zat de Engelse dichter Edward Thomas. Hij beleefde er een wonderlijk stille minuut, die hij later zou vereeuwigen in zijn wonderlijk eenvoudige gedicht 'Adlestrop'.

Daarin herinnert hij zich weer hoe het was: de stoomtrein siste, ergens werd nog gehoest, maar verder was het stil. Niemand stapte uit, niemand stapte in. Hij keek naar buiten, zag de onbekende plaatsnaam - en daarna nam zijn blik een vlucht, weg van het perron, over de wilgen en de wilgenroosjes, de weilanden met de weidebloemen en de hooioppers. Ze stonden er allemaal stil en eenzaam te staan, even stil en eenzaam als de wolken hoog in de lucht. Het was een eeuwigheidservaring die hem daar overviel, aanvankelijk begeleid door het fluiten van een enkele merel dichtbij, maar in de verbeelding al snel aangevuld met de geluiden van 'verder en verder weg', van 'alle vogels van Oxfordshire en Gloucestershire'.

'Adlestrop' is denk ik het bekendste gedicht van een dichter die verder niet erg bekend is, ook niet in Engeland. Als men Edward Thomas (1878-1917) al kent, dan nog eerder wegens zijn curieuze dichtersloopbaan. Na een studie geschiedenis in Oxford voorzag hij als broodschrijver in zijn onderhoud: een leven van hard werken, maar weinig verdienen, naar het schijnt. Hij schreef artikelen en recensies voor een krant, enkele biografieën en boeken over de natuur, met streekbeschrijvingen, verslagen van wandeltochten en dergelijke.

Het was Robert Frost die de dichter in hem ontdekte. Frost wees hem erop dat hij dichter moest worden, waarvoor hij om te beginnen alleen maar zijn met veel liefde en aandacht geschreven passages over de natuur hoefde om te zetten in poëzie. In december 1914 schreef Thomas zijn eerste gedichten. Twee productieve jaren volgden. Intussen had hij zich gemeld als vrijwilliger voor de oorlog overzee. Begin 1917 vertrok hij naar Frankrijk, waar hij al na twee maanden sneuvelde, bij de slag om Arras. Hij liet een oeuvre na van zo'n 150 gedichten, geschreven in twee jaar tijd.

Thomas had op grond van zijn omstandigheden een zogenaamde War Poet kunnen zijn, maar over de oorlog gaat het in zijn gedichten nauwelijks. Op grond van zijn belangrijkste onderwerp, de natuur, ligt het voor de hand hem te rekenen tot de Georgians, de pastorale dichters van vlak voor de Eerste Wereldoorlog, maar daarvoor is hij een veel te goed waarnemer: niet uit op verheerlijking van het lieflijke landleven, maar op precisie en aanschouwelijkheid. Vaak wordt Thomas dan maar gekarakteriseerd als een somber of melancholiek dichter, en dat dan weer op grond van het biografische gegeven dat hij van tijd tot tijd door depressies werd bezocht.

Zwarte regels zijn in zijn gedichten inderdaad wel te vinden. Ergens spreekt hij van zijn 'liefde voor de dood' als van een liefde 'voor wat volmaakt is en niet kan tegenvallen'. In een ander gedicht staat te lezen dat het allemaal zal eindigen met 'een mondvol aarde', geschikt 'om alle spijt en wensen te genezen', en gratis bovendien. Het is een innerlijke stem die dat zegt, in gesprek met een andere, veel levenslustiger innerlijke stem. En zo gaat het vaak bij Thomas. Voor een depressieve dichter laat hij toch te vaak ook de tegenhanger van zijn somberheid zien. 'Melancholie' is een bijna analytische verhandeling over een dag vol zwaarmoedigheid en wanhoop, maar daarin wijst hij er toch ook op dat er een positieve werking van uit kan gaan: 'toch deed wanhoop niets dan een vreemde zoetheid nog verzoeten'.

Thomas kan, bij al zijn traditionele uiterlijkheden, dan ook maar het best gekarakteriseerd worden als een dichter met een moderne geest. Hij vlucht niet in natuurclichés, zoekt geen troost in religie of in algemene wijsheden, maar kijkt nieuwsgierig, kritisch en onbevangen om zich heen, of het nu om zijn eigen stemmingen gaat of om schurftkruid, meerwortel en gaspeldoorn, vlasvink, groenling, wulp of relmuis. Hij is, zoals alle grote dichters, een meester in de tussenstemmingen en de gemengde gevoelens. Het gedicht 'Maar deze dingen ook', tevens de titel die vertaler J. Eijkelboom aan zijn keuze van 39 gedichten gaf, is er een voorbeeld van. Het is een verkenning, op de grens van winter en lente, van wat er allemaal nog aan de dood herinnert als het voorjaar zich al aandient. Maar daar staat weer de treklijster tegenover die in een somber herfstgedicht 'droevige liedjes van najaarsvrolijkheid blijft fluiten.'

Er lijkt bij Thomas voortdurend iets te trekken aan zijn ziel, zowel omhoog als omlaag. En liever dan eraan toe te geven lijkt hij deze zielsbewegingen in kaart te willen brengen. Er valt in zijn aandacht voor de natuur vast veel te duiden, maar ik vraag me af of dat nodig is. Er is een duidelijk verlangen naar onthechting, verzaking van de wereld en eeuwigheid: naar een dag lang liggen dromen in een bootje op het water of naar 'een toevluchtsoord boven de modder, in het zuivere zicht/ van het wolkenloze hemellicht'. Maar deze lof van de schoonheid van novemberluchten kan ook gelezen worden zonder verdere gedachten aan zoiets als 'projectie'. Zie ook het plezier waarmee deze dichter zich overgeeft aan een soort 'mooiste lucht van het jaar'-competitie: hij geeft toe dat er weliswaar ook andere maanden met schone luchten zijn, maar dan toch niet met 'schone luchten die schoner zijn' dan die van november.

Bovendien staat tegenover deze vlucht in 'de sublieme leegte/ van hemel en wei en bos en mijn eigen hart' een grote liefde en aandacht voor het aardse, ook letterlijk: voor modder, een opengelegde knollenkuil, tot aan steensplinters, kruimeltjes kalk en 'het kleinste vogelpoepje/ in spetters wit op z'n zuiverst' toe. Ook daarom lijkt Edward Thomas mij niet zozeer een sombermans, maar eerder een veelstemmige en in al zijn stemmingen hoogst sensibele dichter.Een dichter die zich graag door het moment liet overrompelen, zoals toen op het station in Adlestrop, maar die ook wist dat schoonheid overal gezocht kan worden, zelfs in de hoge brandnetels uit het gelijknamige gedicht. Met een sublieme, en toch echt wat je noemt optimistische slotregel:

Brandnetels overdekken, zoals ze al zo menig

voorjaar deden, de roestige eg, de lang versleten

ploeg en de van steen gemaakte wals; alleen

de tronk van de olm is hoger dan de netels.

Ik hou het meest van deze hoek van het erf:

zo goed als de gloed op een bloem wil ik

het stof op de netels prijzen, nooit weg

behalve om het frisse van een buitje te bewijzen.