Eerbetoon

Sinds juli klonk de stem van dichter Herman de Coninck op uit het weidegras van Watou, een verwaaid dorp ergens in de zuidwesthoek van Vlaanderen, gedrukt tegen Frankrijk.

De gedichten die uit de in het groen verborgen luidsprekers klonken, waren als een handgemeen met de dood. “De dood heeft mij een aanzoek gedaan,” dichtte De Coninck. En daarna dichtte hij verder over witte rozen, de ascese van het licht, de snelle winter die moet komen als hij ooit dood zal gaan. Want hij leefde nog toen hij het gedicht schreef, natuurlijk. In mei van dit jaar overleed De Coninck plots aan een hartaanval in Portugal. En ineens is hij nu dood en het lijkt alsof hij dit gedicht schreef terwijl hij al aan gene zijde was.

Afgelopen zondag werd Herman de Coninck in Watou herdacht. Het was de laatste dag van de tentoonstelling over poëzie en beeldende kunst. Het was Woodstock in Watou. Honderden auto's vulden de bermen, het dorpsplein en de straten van het grensstadje. In een witte tent op het erf van een voormalig landgoed luisterden meer dan twaalfhonderd mensen naar gedichten, geschreven en voorgelezen door Hugo Claus, Willem van Toorn, Rutger Kopland, Benno Barnard, Rob Schouten. Kristien Hemmerechts las de gedichten van De Coninck voor, zoals hij ze nog voor zijn dood bij zijn uitgever had ingeleverd. Vingerafdrukken op het venster moest de bundel heten, de postume bundel die nu kortweg Vingerafdrukken heet.

Het is een mooie titel, Vingerafdrukken op het venster, nog afgezien van de alliteratie. Het roept een beeld op van vergankelijkheid, van snel uitgewist kunnen worden, eigenlijk van nauwelijks aanwezig geweest zijn.

Twaalfhonderd mensen luisterden in Watou naar gedichten die allemaal over één onderwerp gingen: afscheid en vergankelijkheid. Over het slopende raadsel van de dood. Over hoe de dood iemand zo plots kan treffen. De Coninck vroeg nog in zijn gedicht of de dood, die hem een aanzoek deed, niet even een straatje verderop een kijkje wilde gaan nemen. Maar nee, hij moest juist hèm hebben.

Verzet of berusting, opstandigheid of schouderophalen, vechten of afwachten - het zijn allemaal houdingen die we tegenover de dood kunnen aannemen en die in de poëzie worden uitgedrukt. Kopland schreef zijn gedicht op een Grieks eiland kort nadat hij over het overlijden van zijn mededichter had gehoord. Liever wilde hij een ansichtkaart versturen, met een grapje op de achterzijde. Aan de voorzijde een staalblauwe lucht. Greetings from happy Greece.

Aan Piet Piryns, vriend van De Coninck, belde hij het gedicht uit een lawaaiig Grieks café door, het was bestemd voor bij De Conincks begrafenis. En omdat de emoties Kopland teveel werden, moest hij het voorlezen met interpunctie. Een komma zus, een punt zo, een afgebroken regel weer daar. Die mathematiek is de grootsheid van deze vergankelijkheidspoëzie. We zijn verbijsterd over iemands overlijden, en ons enige houvast is de uiterste helderheid van de taal. En vreemd en wonderlijk en troostgevend, daar in Watou bleek de taal sterker dan de dood. Al was het maar voor een middag.