Een spreekwoordelijke lobby in crisis

J.J. Goldberg: Jewish Power. Inside the American Jewish Establishment. Addison Wesley, 422 blz. ƒ 58,75

In september 1991 beging president Bush een blunder die hem nog lang zou heugen. Uit ergernis over het te verwachten succes van een lobby voor het verstrekken van garanties op leningen aan Israel ter waarde van 10 miljard dollar vertelde hij op een persconferentie, gewijd aan het Midden-Oosten, dat hij 'machtige politieke krachten' tegenover zich had, waarbij hij aan zichzelf refereerde als 'one lonely little guy down here'. Met de 'machtige politieke krachten' verwees Bush naar de joodse lobby die op dat moment, tegen zijn zin, bezig was het Congres te bewerken om voor de leengaranties te stemmen.

De uitspraak raakte de Amerikaans-joodse gemeenschap op zijn gevoeligste plek: angst voor antisemitisme. Het was de eerste keer dat een Amerikaanse president in het openbaar zinspeelde op de veronderstelde macht van joden in zijn land.

De ironie wilde, dat de reactie van de joodse gemeenschap in de VS op de uitspraak van de president bewees dat joden in dit land inderdaad een vuist kunnen maken als zij dat willen. Bij tussentijdse verkiezingen voor een zetel in de Senaat, die kort na het incident plaatsvonden, won tegen alle verwachtingen een obscure Democratische kandidaat van zijn populaire Republikeinse tegenstander, mede door de stroom van donaties afkomstig van joden. Bush had dus gelijk, maar de fout die hij maakte was het hardop te zeggen en dan nog wel op een manier die het uitoefenen van burgerrechten door de joodse lobby voorstelde als duistere machinaties.

Joden vormen een klein percentage (drie procent) van de Amerikaanse bevolking, maar hebben door een aantal factoren meer invloed op de politiek dan hun aantal aannemelijk zou maken. In de eerste plaats woont de meerderheid van de joden in een aantal grote staten die samen bijna het halve electorale college beheersen. Daarnaast is de joodse gemeenschap de best georganiseerde van alle bevolkingsgroepen en heeft ze een meer dan gemiddelde belangstelling voor actualiteit en politiek. Bovendien verdienen joden gemiddeld iets meer dan het gemiddelde en zijn zij genereus in hun giften aan goede doelen, eigen organisaties en verkiezingfondsen.

De opstelling van joden is zowel bij verkiezingen als bij stellingname in sociale kwesties overwegend progressief. Of zoals de socioloog Milton Himmelfarb het formuleerde: 'Jews earn like Episcopalians, but they vote like Puerto Ricans.' Zij zijn de enige groep in de Amerikaanse samenleving die met het toenemen van de eigen welvaart niet en masse is overgestapt naar de Republikeinse partij.

Behalve de strijd voor gelijke burgerrechten en humanere immigratiewetgeving, zijn joden de felste verdedigers van een strikte scheiding tussen kerk en staat, een onderwerp dat de laatste jaren door de toegenomen kracht van rechtse christelijke organisaties weer regelmatig op de nationale agenda staat. 'Joden zijn niet alleen progressief,' stelt de journalist J.J. Goldberg in zijn studie van joodse macht in Amerika, 'ze zijn essentieel voor de progressieve beweging in Amerika en zijn dat al gedurende een eeuw.'

De krachtige joodse lobby is een verschijnsel van de laatste 25 jaar. Hij is mogelijk gemaakt door het sedert het einde van de Tweede Wereldoorlog drastisch afgenomen antisemitisme en wordt gestimuleerd door de enorme uitbreiding van de financiële en politieke hulp aan Israel die onder president Nixon op gang kwam.

Een interessant en moeilijk te verklaren verschijnsel is dat Amerikaanse joden zichzelf nog steeds zien als een kwetsbare en relatief machteloze minderheid. Behalve de aloude angst voor antisemitisme, is een mogelijke verklaring hiervoor het trauma van 1967, toen Israel aan de vooravond van de zesdaagse oorlog op de rand van de ondergang leek te staan. De joodse gemeenschap in de VS heeft aan die angstige periode, ondanks de daarop volgende klinkende overwinning van Israel op de Arabische landen, een blijvend gevoel van kwetsbaarheid en isolatie overgehouden. Dat werd er niet beter op toen een groot deel van de niet-joodse progressieve wereld Israel ineens niet meer als underdog, maar als imperialistische mogendheid ging zien.

In Jewish Power laat Goldberg zien dat de joodse gemeenschap 'meer macht heeft dan zij denkt, maar niet half zo veel als haar vijanden haar toeschrijven.' Ten overvloede toont Goldberg aan dat het Amerikaanse beleid ten aanzien van Israel zo nu en dan wel beïnvloed wordt door de joodse lobby, maar in grote lijnen bepaald wordt door welbegrepen eigenbelang. Goldbergs heldere beschrijving van de (ontstaansgeschiedenis van de) invloedrijkste joodse organisaties - zoals B'nai B'rith, AIPAC, (American Israel Public Affairs Committee), United Jewish Appeal en de Anti-Defamation League - illustreert dat hun macht vooral steunt op de grote betrokkenheid van veel Amerikaanse joden bij alles wat met Israel te maken heeft en de coalities die zij hebben weten te sluiten met verschillende groepen in de VS, waarvan de zwarte organisaties nog steeds de belangrijkste zijn. Hij demystificeert daarmee het begrip 'joodse macht'. De niet-joodse wereld, zowel in Amerika als daarbuiten, neemt de joden als machtsfactor in de Amerikaanse politiek serieuzer dan zij zichzelf nemen, aldus Goldberg.

Dat neemt niet weg dat zijn centrale stelling is dat de joodse gemeenschap in de VS aan het einde van de twintigste eeuw in een crisis verkeert. Die crisis wordt veroorzaakt door een gecompliceerd geheel van factoren. De toegenomen algemene apathie ten opzichte van de politiek is er één van. Een andere factor is dat het leiderschap van de joodse organisaties sinds het einde van de jaren tachtig, mede door intriges van de toenmalige Likoed-regering in Israel, vrijwel geheel uit neoconservatieven en Likoed-aanhangers bestaat. Daardoor is een diepe kloof ontstaan met de nog steeds overwegend gematigd progressieve joodse gemeenschap die zich niet meer herkent in haar leiders. Zo is de grote meerderheid van de Amerikaanse joden een warm voorstander van het vredesproces in het Midden-Oosten, terwijl de grote organisaties sedert het tekenen van het vredesakkoord tussen Rabin en Arafat op het bordes van het Witte Huis in 1993 tegen Amerikaanse medewerking aan het vredesbeleid van de regeringen Rabin en Peres gelobbyd hebben, daarmee tevens het eigen adagium van onvoorwaardelijke steun aan Israel, onafhankelijk van welke partij het land regeert, overboord zettend. Een intern zeker zo belangrijk element in de crisis is de inmiddels onoverbrugbare verdeeldheid tussen de verschillende religieuze stromingen. Amerikaanse joden zijn in grote meerderheid niet-orthodox. Ruim negentig procent van de joden die überhaupt nog een religieuze binding hebben, kiest voor een 'Reform' of 'Conservative' synagoge. De orthodoxe minderheid is echter in het afgelopen decennium sterk geradicaliseerd. Daardoor zijn inmiddels niet alleen de bestaande religieuze samenwerkingsverbanden wegens hooglopende conflicten opgeheven, maar hebben ook zionistische en sociale organisaties met regelmatig terugkerende conflicten te kampen gekregen.

In het op een na laatste hoofdstuk laat Goldberg zien hoe de lauwe reactie van de leiders van joodse en zwarte organisaties op de radicalisering van nationalistische randgroeperingen in beide bevolkingsgroepen geleid heeft tot angst en spanningen bij zowel joden als zwarten, gebaseerd op een vertekend beeld van de racistische en/of antisemitische gevoelens bij de ander. Het feit dat op het niveau van kerk en synagoge alsmede buurt- en culturele organisaties de contacten en samenwerking zich nog steeds uitbreiden, heeft de vervreemding tussen leiders en basis versterkt, maar tot nu toe niet geleid tot een hernieuwde liefde tussen de landelijke joodse en zwarte organisaties.

Het is jammer dat het hoofdstuk over joden en de media - altijd het pièce de resistance van antisemitische propaganda - zo oppervlakkig blijft. Misschien valt er ook niet veel meer over te zeggen dan dat ook joodse journalisten in de eerste plaats journalisten zijn en dat joodse eigenaren van kranten evenmin invloed op de inhoud van hun media hebben als niet-joodse eigenaren.

Hoewel Goldberg zich hier en daar verliest in minder relevante details, bieden zijn bevrijdend nuchtere beschrijving en analyse een scherp beeld, niet alleen van de joodse organisaties in Amerika en de crisis waarin zij op dit moment verkeren maar tevens van het functioneren van het Amerikaanse democratische systeem.