Een prins die worstelt met zijn 'harnas'

'Hoe stel je het je voor om koning te zijn? Vind je dat leuk?'

Alexander: “Nee. Nee, ik weet niet. Moeilijk. Ik weet niet hoe het is. Maar als ze vragen: wil je nú koning zijn, dan zou ik beslist zeggen: nee. Ik wil eerst tijd om wat te leven en kijken hoe het allemaal in elkaar zit.”

Dat zei prins Willem-Alexander op 17-jarige leeftijd tegen Renate Rubinstein voor haar boekje Alexander. In feite zei hij gisteren tegen Paul Witteman in voorzichtiger bewoordingen nog steeds hetzelfde: “Ik zou liever meer voorbereidingstijd hebben (...) Tien jaar wachten is voor mij geen probleem.”

Eigenlijk had je als koning ook 'een stabiel thuisfront' nodig, vond hij. Trouwen dus maar? Nee! “Nog lang niet”, zei de prins resoluut.

Heeft hij er dan wel écht zin in? Die vraag bleef levensgroot boven dit interview hangen. Witteman vroeg het hem op de man af, en de prins beaamde het. Wat moest hij anders? Maar zijn woordkeus en stroeve lichaamstaal konden de twijfels niet wegnemen.

“Ziet u het als een verplichting of roeping?” vroeg Witteman.

De prins: “Het is historisch bepaald dat ik op deze plek zit. Daar kan ik verder niks aan doen, maar dat wil ik positief oppakken om er het beste van te maken.”

Het klonk alsof het huiswerk voor hem was, in plaats van levenswerk. Maar misschien zijn we te veel geneigd onze eigen gevoelens op de prins te projecteren. We zien hem in zo'n interview worstelen met de spanning, we voelen zijn angst voor de fatale verspreking, we begrijpen, kortom, dat hij zo ongeveer het moeilijkste uur van zijn leven doormaakte waar wij nu nieuwsgierig en koel taxerend naar zitten te kijken.

En of je het nu wilt of niet: er ontstaat, naast sympathie, iets van deernis. Vooral bij uitspraken als: “Ik probeer het, maar ik zal nooit zoals mijn vrienden een privé-leven hebben.” En: “Het harnas heeft zich de afgelopen dertig jaar gevormd, en binnen dat harnas heb ik genoeg mogelijkheden ontdekt om me ook vrij te kunnen voelen. Niettegenstaande het feit dat het harnas er altijd blijft.”

“Hij was nog te waarachtig om in een onnatuurlijke situatie de pose der natuurlijkheid aan te nemen”, schreef Renate Rubinstein dertien jaar geleden over hem, en het pleit eigenlijk voor de prins als persoon dat hij nog steeds moeite heeft met die 'pose der natuurlijkheid'. Hij was in dit interview behoedzaam, maar nooit gelikt. Hij streefde, uiteraard binnen 'zijn harnas', naar zo groot mogelijke openhartigheid. En gedurende twaalf seconden moet hij zelfs enige roekeloosheid aan de dag hebben gelegd, want die sneuvelden na ingrijpen van de RVD op de montagetafel.

Dat alles maakte het tot het interessantste tv-interview met een lid van het Nederlandse koningshuis dat ik me kan herinneren. Doorgaans waren zulke gesprekken weemakende plichtplegingen zonder inhoud. Witteman vond echter na het eerste, wat saaie gedeelte (over de stages) snel de goede, zakelijke toon.

Er moeten voor Willem-Alexander veel lastige vragen bij hebben gezeten, want Witteman spaarde hem niet. Het ging over zijn imago als 'studentikoze losbol', over Emily en het naar haar vernoemde toneelstuk, over de ziekte van zijn vader en, vooral, over zijn moeder.

De gedeelten over zijn moeder vormden voor mij het hoogtepunt van het interview. Vooral daar waar Witteman hem confronteerde met de veelgeprezen eigenschappen van zijn moeder: haar perfectionisme, haar 'enorme belangstelling voor staatszaken'.

“Ik ben Alexander. Ik heb ook al die eigenschappen in mij”, reageerde de prins, voor het eerst een beetje kregelig.

Zijn moeilijkste, maar tegelijk eerlijkste moment moet hij beleefd hebben na de vraag met welke koningin hij de meeste affiniteit voelt. Witteman: “Wilhelmina, de strenge staatsvrouw, Juliana, de sociale moeder, Beatrix, de perfecte manager.” De prins aarzelde, zichtbaar verrast, een seconde of acht. Toen zei hij: “Iets meer met mijn grootmoeder.”

Het siert zijn moeder dat ze die acht seconden plus het antwoord door de vingers heeft gezien.