Een kijkbijbel

Verdeel het blikveld in gelijke oppervlakte-eenheden: cirkels, vierkanten, of iets anders, zolang het geen punten zijn. Kijk naar de blauwe hemel. Daar zijn alle eenheden aan elkaar gelijk. De intensiteit van het licht en de zon laat ik buiten beschouwing. Kijk uit het treinraam naar het land- of stadschap. Daar is al veel meer te zien dat de moeite van het kijken waard is; het vult zich met hoe langer hoe meer verscheidenheid.

Mijn theorie is dat er het blikveld op deze manier zijn maximum heeft, verzadigd is van bestanddelen die bekeken kunnen worden. Een: meer kan er niet zijn. Dit maximum wordt bereikt in de stad New York. Daar zijn je ogen altijd op avontuur. Of het nu een willekeurig geveloppervlak is, of een vogel- of kikvorsperspectief, of je wachtend om over te steken een paar vierkante meter asfalt bekijkt, of je in een parkje bent of langs Rockefeller Centre loopt, of onder het afdak van de Meat Market aan de veertiende straat, of zelfs op zondagochtend door een keurige straat aan de Upper Eastside wandelt, het is meer dan ergens anders. Behalve wat er verder gebeurt en wat dat betekent, is New York de grootste kijkdoos ter wereld. Daarom is het ook een loopstad. Zo is het in alle jaargetijden, in ieder weer. En dan: New York is geen stad voor mensen die niets te doen willen hebben. De energie komt uit de muren en de straat. Wie er is gaat vanzelf aan het werk. Vandaar dat de stad niet alleen de fotogeniekste ter wereld is, maar ook telkens weer plaatjesboeken veroorzaakt.

Daarin staat altijd New York. Maar het is altijd een ander New York. De stad is voor tekenaars en fotografen een niet eindigende projektietest. Bijvoorbeeld: het New York van Saul Steinberg, met liefdevolle nauwkeurigheid getekend, is een complex van mierenheuvels, absurde buisconstructies, watertorentjes, opgravingen, rijdende kadetjes, kloven in een door de mens gemaakt gebergte. Het New York van Rem Koolhaas is het wonder van de wolkenkrabber met het zich dagelijks vernieuwende mysterie van de eeuwigdurende congestie. New York is een van de meest ouderwetse steden, zoals te zien is op de schilderijen van de Ashcan School, schilders die voor de Eerste Wereldoorlog een stad hebben geschilderd die nog altijd is terug te vinden en die Down Town soms aanwezig is alsof 1912 vandaag naar 1997 was overgebracht.

Nu, zojuist verschenen: de kijkbijbel van Nicolaas Biegman, Mainly Manhattan (*), 233 foto's verdeeld over 16 hoofdstukken waaronder de zeer belangrijke Subway, Dogs en Phones. Deze verzameling geeft, althans voor mij, het best weer wat iemand overkomt als hij (kijken vrouwen anders? Ik denk het niet) of zij door de stad loopt, zonder topografische bestemmming, met maar één doel: te kijken naar wat het blikveld schaft. Met een variant op Hueting, kijken naar alles wat beweegt of stilstaat. Daardoor ontstaat uit dit geheel, naarmate je er langer naar kijkt, in terugbladert (zoals je even terug loopt om het een of ander beter te bekijken) het geheel van Mainly Manhattan op den duur een merkwaardige illusie. Je bent niet bezig aan de bezichtiging van de bezienswaardigheden zoals die door de fotograaf zijn uitgezocht; je kijkt zoals je dat gewend bent als je er zelf op straat loopt. Het doet soms denken aan in Manhattan opgenomen films. Daarin gaat het om de handeling, maar plotseling zie je alleen het décor van de stad en de handeling vervaagt tot een verre bijkomstigheid. 'Het grootste theater van New York is het theater van de straat,' heeft de historicus Robert W. Snyder geschreven. Ieder uur, iedere dag een ander stuk. Er wordt nooit een reprise gegeven. Je kijkt naar een film die is opgenomen in New York, opeens niet meer naar de spelers in dit drama, maar naar het drama van de stad.

Kijkers hebben beelden van hun voorkeur; in deze verzameling Mainly Manhattan voor mij de conducteur van de Subway die het perron langs kijkt nadat hij de deuren heeft laten dichtschuiven; Adam Street met het uitzicht op Manhattan Bridge, op een mistige ochtend in april. De fotograaf heeft het gezien; ik heb het gezien. Het staat in mijn geheugen, het staat in dit boek. Zo gaat het 233 keer. Biegman, de lopende fotograaf, heeft het met zijn Leica vastgelegd - maar je hoeft geen fotograaf te zijn om de plaatjes in je hoofd te bewaren. Met lopen en kijken kom je ook al een heel eind. De bevestiging daarvan ligt in deze kijkbijbel.

(*) Nicolaas Biegman, Mainly Manhattan, Goose Press, Amsterdam 1997