Doordrenkt van vergankelijkheid

Karin Arink: Inlet. Stichting Artimo, Breda, 68 blz. zwart/wit illustraties. ƒ 29,95

In de door Stichting Artimo uitgegeven serie kunstenaarsboeken is nu Inlet van de beeldhouwster Karin Arink verschenen. Het is het vierde deel in de serie. Boeken over Liza May Post, Dora Garcia en Pieter Laurens Mol gingen hieraan vooraf. Arink schreef zelf een heldere introductie: 'Ik wil u de woorden en beelden in mijn hoofd tonen, die mij hebben geïnspireerd en die mijn visie op kunst hebben beïnvloed en gevormd.' Haar boek is een verzameling van notities, herinneringen, citaten van anderen en veel illustraties. De illustraties zijn niet alleen reproducties van haar eigen werk, maar van allerlei uiteenlopende dingen: 'De kop van een denker' van Wilhelm Lehmbruck bijvoorbeeld, een krantenfoto van Deng Xiaoping die op de wang wordt gekust door zijn kleinzoon, de Pietá van Michelangelo, een hedendaagse tekening van Henri Jacobs. Het mooie van het boek is dat al deze uiteenlopende beelden en teksten toch een sterke samenhang vertonen.

Arink maakt beelden die eruit zien als lichamen die door de bezitter zijn 'afgelegd': schamele, deerniswekkende omhulsels, losse stukken huid waar de afdruk van spieren en ribben nog inzit. Soms zijn het kledingstukken, los op de grond of hangend aan de muur, vol van herinnering aan het lichaam. 'Beim Aussiehen ihrer Bluse bemerkte sie, dass die an einigen Stellen festklebte', zo citeert Arink de kunstenares Via Lewandowsky. Een heel mooi beeldrijm levert de combinatie van Arinks 'Niké' met een foto van een mannequin in een reclame voor spijkerbroeken. De beweging van de beroemde hellenistische Niké, godin van de overwinning, is bij Arink duidelijk herkenbaar, de armen naar achteren gespreid en de boezem naar voren gericht. Maar bij Arink zijn de armen en de romp, van textiel, vastgenageld aan de muur, zodat het lichaam belet wordt om in overwinningsroes vooruit te stormen. Het contrast met het fotomodel in haar superstrakke mini-jurkje kan nauwelijks groter zijn: de blonde vrouw heft haar armen op in triomf, haar lichaam welft zich extatisch, zij is de perfecte hedendaagse belichaming van een Niké.

Een detail van Bernini's beeld van de nimf Dafne toont Dafne's gracieuze voet op het moment van haar metamorfose, er groeien tanige wortels uit haar tenen. Dergelijke wortels komen veel voor bij Arink. Vaak zijn het ook spierbundels, of vezels. Maar terwijl Bernini de schoonheid van Dafne bezingt, heeft bij Arink de metamorfose al lang geleden plaatsgevonden en is de boom, of het lichaam, oud en dor geworden. Arink: 'Hier lig ik / staketsel van botten; / de stutten, onbuigzaam en scherp gekant / die zich krommen tot kooi, / en zich stapelen tot graat / die de schedelschelp / met de kom van de heupen verbindt. / '

Arink omschrijft haar werk als een zoektocht naar 'de verschijningsvorm die het best aangeeft wie ik ben' en naar het 'onderhuidse lichaam'; een zoektocht kortom 'naar een domein dat ik het mijne kan noemen'. De voorlopige uitkomst van dit zoeken zijn beelden, gruwelijk en teder tegelijk, die doordrenkt zijn van vergankelijkheid.