De Noorse kiezer verkeert in verwarring

In Noorwegen worden maandag verkiezingen gehouden. Maar veel Noren hebben nog geen idee op welke partij ze hun stem zullen uitbrengen.

OSLO, 12 SEPT. “Laatst zag ik een cartoon waarop de Noorse kiezer stond afgebeeld als een dikke man, die behaaglijk achteroverleunt en zegt: 'Ik ben zo tevreden, ik geloof dat ik maar eens boos word'.” Erik Solheim, oud-leider van Socialistisch Links, is verbaasd over het ongenoegen van zoveel Noorse kiezers, dat hen er kennelijk toe brengt steun te zoeken bij de progressieven, een partij met een paar lelijke extreem-rechtse trekjes. “Er lijkt een merkwaardige tegenstelling te bestaan tussen het economische succes van dit land en de ongekende welvaart door de enorme oliereserves aan de ene kant, en de ontevredenheid aan de andere kant”, zegt Solheim en hij heeft er maar één verklaring voor: Carl Hagen, de populistische leider van de Progressieve Partij.

“De progressieven zijn geen partij”, zegt Solheim, “maar een persoon. Niemand weet zo handig gebruik te maken van de media als Hagen. In een land waar zoveel politieke partijen om aandacht in de media staan te springen, is iemand die in krantenkoppen spreekt sterk in het voordeel.”

Noorse kiezers zijn inderdaad zelden zo in verwarring geweest. Maandag gaan ze naar de stembus. Zoals ze dat eens in de vier jaar op de tweede maandag van september doen, in dit land waar de wet tussentijdse verkiezingen uitsluit. Maar veel Noren hebben nog geen idee op welke partij ze hun stem zullen uitbrengen.

Carl Hagen weet precies waar de onvrede vandaan komt. Net als Solheim sprak hij dinsdag op een bijeenkomst voor buitenlandse journalisten in Oslo. “Noorwegen is een van de rijkste landen ter wereld, maar we gedragen ons als een van de armste van Europa”, aldus Hagen. “De regering geeft handenvol geld aan ontwikkelingshulp, met als argument dat we zo rijk zijn. Maar als het gaat om extra geld voor gezondheidszorg, dan moeten we ineens zuinig zijn om te sparen voor de toekomst.”

Hagen maakt zich ook druk over de in zijn ogen veel te hoge benzineprijs in een land dat tot de grootste olieproducenten ter wereld behoort. Dat lagere benzineprijzen slecht zouden zijn voor het milieu betwijfelt hij: “Er is geen enkel bewijs voor de dramatische gevolgen van de CO2 uitstoot. Als je het computermodel een fractie verandert, worden alle cijfers over de gevolgen weer anders.”

Hagen wil nog veel meer, zoals een fonds om operatiecapaciteit te kopen in het buitenland, om de wachtlijsten in ziekenhuizen te verkleinen. Ook wil hij criminelen harder aanpakken. En hij heeft duidelijke ideeën over immigratiepolitiek. Maar daarvan heeft hij deze verkiezingscampagne niet zo'n groot punt gemaakt.

Hij begrijpt dan ook niet waar iedereen zich zo druk over maakt. “Intellectuelen in dit land zien het bestrijden van Carl Hagen als een belangrijke taak”, zegt hij. “Ze schilderen me af als een soort Hitler.” Hij weigert zichzelf te vergelijken met mensen als Jean-Marie Le Pen in Frankrijk of Jörg Haider in Oostenrijk. Wat hij wil, zegt hij, is een immigratiepolitiek die is gebaseerd op integratie. Mensen die zo nodig in Noorwegen willen wonen, zullen de taal moeten leren. Ze moeten zorgen dat hun kinderen Noors spreken op het moment dat ze naar school gaan. Dat geldt trouwens niet alleen voor buitenlanders. Als het aan Hagen ligt moeten ook de Lappen in de noordelijke provincie Finmark, die een eigen taal hebben, Noors spreken. “Wat ze thuis doen, moeten ze zelf maar weten”, zegt Hagen.

Volgens Bernt Aardal, verbonden aan het Instituut voor Sociologische Studies in Oslo, biedt Carl Hagen al vele jaren met zijn krachtige taal en schijnbaar eenvoudige oplossingen voor ingewikkelde problemen politiek onderdak aan degenen in Noorwegen die ontevreden zijn.

“Hagen voelt de stemming van veel Noren goed aan en maakt daar handig gebruik van”, zegt Aardal. “De andere partijen, met name de sociaal-democraten, hebben nauwelijks op signalen van onvrede gereageerd. Ook over de immigratieproblematiek hebben ze altijd angstvallig hun mond gehouden. In de hoop dat het vanzelf zou overgaan.”

De kiezer zit intussen met de vraag aan wie hij zijn stem moet geven. Toch maar weer aan de sociaal-democraten? Premier Thorbjn Jagland waarschuwt keer op keer dat hij weigert te regeren als zijn partij niet ten minste evenveel stemmen haalt als bij de vorige verkiezingen - 36,9 procent. En een alternatief is er nauwelijks, want minderheidsregeringen van rechts hebben het de afgelopen vijfentwintig jaar nooit langer dan een jaar volgehouden, waarna de sociaal-democraten het steeds alsnog van ze moesten overnemen. Daar staat echter tegenover dat Jagland in zijn eerste regeringsjaar, nadat hij de populaire Gro Harlem Brundtland in oktober 1996 tussentijds was opgevolgd, geen al te goede indruk heeft gemaakt.

De christen-democraten zouden wel eens onverwacht hoge ogen kunnen gooien. De partij behoort met ongeveer 8 procent van de stemmen tot de kleinere in Noorwegen, maar heeft met de charismatische dominee Kjell-Magne Bondevik, die al bijna een kwart eeuw in het parlement zit, een ijzersterke troef in handen. Velen zien hem als een betere kandidaat voor het premierschap dan de onervaren en regelmatig blunderende Jagland. Maar van welke regering zou Bondevik premier moeten zijn?

De Noorse politiek lijdt in feite nog steeds aan een Europa-syndroom. Dat vindt ook Aardal. “Politiek heeft zich in Noorwegen nooit gehouden aan een simpele verdeling tussen links en rechts”, zegt hij. “Maatschappelijke groeperingen hebben in de loop der jaren een eigen partij gevonden. Alleen in verkiezingstijd polariseerden de verschillen tussen links en rechts. Het debat over toetreding tot de Europese Unie, dat al decennialang steeds weer de kop opsteekt, heeft het politieke landschap veranderd.” De vroegere coalitiegenoten van rechts zijn daardoor ernstig verdeeld geraakt (vooral de conservatieven en de steeds meer naar links opgeschoven Centrum Partij), wat vrijwel iedere mogelijkheid voor een levensvatbare coalitie uitsluit.

Carl Hagen lijkt de lachende derde te worden. “Niemand wil met ons regeren”, zegt hij, “maar ze willen allemaal onze steun.” Dat is een aangename positie in een land waar regeringen kunnen vallen, maar een parlement hoe dan ook vier jaar moet volmaken.