De mooie vrouw is als een scherp mes; Het literaire evangelie van Meir Shalev

Meir Shalev: Vooral over de liefde. Vertaald uit het Ivriet door Ruben Verhasselt. Vassallucci, 204 blz. ƒ 39,90

Ontspannen vertellend leidt de gids ons rond in zijn literaire Hof van Eden. Schijnbaar moeiteloos toont hij taferelen uit meer dan drieduizend jaar literatuurgeschiedenis: de Bijbelse Jakob naast de zo begeerlijke Lolita, de wonderschone nimf Callisto in gezelschap van de weergaloos mooie Tadzio uit De dood in Venetië van Thomas Mann. Zijn literaire helden en heldinnen zijn de spiegel van zijn eigen ziel. Het grote vakmanschap van de gids, de Israëlische schrijver Meir Shalev, zorgt ervoor dat bij het opdiepen van de eeuwige verhalen over liefde, wellust, verlangen, haat en wrok, nergens een spoor van zweet is te bekennen. Vooral bij literatuurwetenschappers druipt dat nogal eens, in de vorm van moeizame zinnen en gezochte pseudo-intellectuele gedachteconstructies, langs de bladzijden af. De boodschap van het boek is simpel en helder, maar tegelijkertijd verstrekkend: wie niet in zijn eigen lezersparadijs gelooft, gelooft nergens meer in.

Het boek, getiteld Vooral over de liefde is de neerslag van zes gastcolleges, die Shalev in 1994 hield op de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. In zijn inleiding schrijft hij dat de colleges de weergave behandelden van liefde, noodlot, natuur, landschap, schoonheid en herinnering in een aantal boeken, die niets anders met elkaar gemeen hadden dan zijn eigen voorliefde. Het eerste college behandelt de twee thema's die in de romans van Shalev altijd terugkeren: zijn fascinatie door de natuur en de bepalende invloed van de kindertijd: 'Naar waarheid is gezegd dat een mens slechts één maal ziet en bevat: in zijn kindertijd,' zo citeert hij Israëls nationale dichter Chaim Bialik. 'De eerste beelden, nog maagdelijk als op de dag dat ze onder de handen van de Schepper vandaan kwamen, zijn het wezen der dingen, hun diepste essentie. De daaropvolgende zijn niet meer dan hun tweede, gebrekkige versies.' Shalev vergelijkt de herinneringen van Bialik aan de natuur uit zijn kindertijd in de Oekraïne met die van de Amerikaanse schrijfster Willa Cather aan de uitgestrekte vlakten van het Midden-Westen tijdens de Grote Trek naar het Westen omstreeks 1880, en ontdekt dat er een frappante gelijkenis bestaat tussen de jeugdherinneringen over de natuur in twee totaal verschillende werelddelen van twee auteurs, die elkaars werk nooit gekend hebben. Dat inzicht vormt een van de fundamenten van Shalevs wereldbeeld: onafhankelijk van welke plaats en tijd dan ook zijn de verhalen over de diepste menselijke drijfveren en lotgevallen door de schrijvers die hij liefkoost in wezen identiek.

In het tweede college werkt hij die visie uit in zijn beschrijvingen van de levensloop van een aantal nimfen aan de hand van uitvoerige citaten uit de Metamorfosen van Ovidius. Shalev bewondert hen om hun drang naar vrijheid, zelfstandigheid en hun weigering zich ooit door een man te laten veroveren. Neem bijvoorbeeld Callisto. Zeus, die haar begeerde, nam de gedaante aan van Artemis, de godin van de jacht en aanvoerster van de nimfen. Zo won hij Callisto's vertrouwen, maar toonde vlak bij haar weer zijn ware gedaante en verkrachtte en bezwangerde haar. Voor straf verstootte Artemis haar voor eeuwig uit de kring der nimfen. Dat was nog niet genoeg. Hera, de vrouw van Zeus, koelde haar jaloezie op de nimf door Callisto in een berin te veranderen en haar in het noorden aan het hemelgewelf vast te zetten. Sindsdien zien we daar de Grote Beer staan, een sterrenbeeld dat nooit achter de horizon verdwijnt. Volgens Ovidius is dat de echte straf voor Callisto: nooit zal ze zich kunnen reinigen van haar zonde door een bad in de zee. Zo vindt de metamorfose plaats van een levenslustige nimf in een voor altijd verstard sterrenbeeld aan de hemel.

Bijna tweeduizend jaar later schrijft Nabokov de roman Lolita. Jonger dan een Griekse nimf, onthoudt ze zich weliswaar niet van seks, maar haar zwangerschap zal haar tenslotte, net als Callisto, het leven kosten. Om geen enkel misverstand te laten bestaan over de verbinding met het verhaal van Ovidius noemt Nabokov Lolita in het boek een nymphet, een nimfje. (Waarmee de entomoloog en vlinderfanaat Nabokov tevens refereert aan het Engelse woord nymph, oftewel 'pop', het laatste stadium van de rups voor de metamorfose tot vlinder.) Shalev vervolgt daarop zijn schets van het sombere nimfenlot met de levensloop van twee mannelijke nimfen, de Bijbelse Adam en de door Gustav von Aschenbach zo hevig begeerde Tadzio in het pestilente Venetië.

Vervolgens komt de vrouwelijke schoonheid aan de orde. Een thema dat Shalev hevig beroert: 'Soms zie ik een mooie vrouw op straat lopen en denk dat de Hebreeuwse uitdrukking 'aan zijn rechterhand vallen er duizend en aan zijn linkerhand tienduizend' ter ere van haar zou moeten worden omgezet in het vrouwelijk: 'aan haar rechterhand vallen er duizend en aan haar linkerhand vallen er tienduizend.' De mooie vrouw doorklieft de straat als een scherp mes. Ze laat een doorzichtige ploegvore achter in de lucht, een snee die niet wil dichtgroeien, een rusteloze snijwond, die niet gemakkelijk heelt. Mensen met een scherp oog kunnen die nog uren later zien, als de mooie vrouw zelf allang uit het zicht is verdwenen.' Vrouwelijk schoon is in de meeste gevallen verbonden met gevaar, dat niet zelden met de dood eindigt. Shalev voert een stoet van mooie vrouwen op: de Bijbelse Sara, Rachel en Bathseba, Bathseba Everdene uit Far from the Madding Crowd van Thomas Hardy, de schone Helena om wie de Trojaanse oorlog uitbrak, Remedios de Schone uit Honderd jaar eenzaamheid van Márquez en de weduwe uit Zorba de Griek van Nikos Kazantzakis. Of de schonen zelf komen aan een gruwelijk einde of ze laten een spoor van veelal door zelfmoord omgekomen aanbidders na.

Het volgende thema dat Shalev aanvat is het verschil tussen het blinde en het ziende lot. Anders gezegd: is het noodlot toevallig of steekt er een bedoeling achter? Hier komt hij onvermijdelijk uit bij zijn meestgeliefde Opponent: de God van Israël. Met het onversneden plezier van de niet-gelovige, maar altijd gefascineerde jood, slaat Shalev God om de oren met een overvloed aan, elkaar tegensprekende, citaten uit Zijn eigen Werk. Is God de vorm van 'het bekende menselijke verlangen naar een geruststellende logica achter het lotsbestel, achter het schudden van de kaarten?' Of rotzooit Hij maar wat aan? Shalevs niet-religieuze exegese van de Bijbel laat weer eens zien dat het een veel te mooi en intrigerend boek is om alleen maar aan de gelovigen over te laten. Zijn God krijgt in joodse en christelijke ogen bijna de trekken van een heidense God. Niet meer alleen het vertrouwde beroep van de Eeuwige Gelijkhebber, maar een God van seizoenen, jaloers en wispelturig, met ironische en wrede luimen, in het boek Job zelfs een Valsspeler. Iemand die zich niet verwaardigt Zijn eigen Boek te schrijven, maar dat uitbesteedt aan een aantal sterfelijke schrijvers, onder wie aldus Shalev, heel wat van bedenkelijke kwaliteit.

Welke thema's daarna ook nog aan de orde komen, het reizen en de herinnering, het is altijd opgeschreven in de onvervreemdbare stijl van Shalev: transparant en met een superbe lichtheid vertelt hij over de pracht én de gruwelijkheid van de menselijke drijfveren. Het gezochte is ver te zoeken. Net als in zijn romans is het verhaal er nooit bijgehaald als illustratie van een intellectuele exercitie, maar hanteert hij juist de omgekeerde werkwijze. In 1995 omschreef hij het in een interview met deze krant als volgt: “Ik begin nooit met een idee over de wereld of de menselijke soort om er vervolgens een verhaal bij te zoeken. Eerst begin ik met het verhaal en dan moet het verhaal me de vruchten geven, de ideeën.” Wellicht is dat de reden dat er in het hele boek welgeteld één keer een literatuurwetenschapper wordt geciteerd.