De literatuur als maîtresse; Anton Tsjechov (1860 - 1904)

Donald Rayfield: Anton Chekhov. A Life. Harper Collins/Flamingo, 674 blz. ƒ 98,-/ƒ 37,75 (pbk)

Naast het Nieuwe Maagdenklooster in Moskou ligt een beroemde begraafplaats waar de groten begraven zijn, vaak onder hun borstbeeld. Gogol ligt er en de eerste ruimtevaarder Gagarin. In juni 1904 werd Anton Tsjechov er begraven, op 44-jarige leeftijd gesloopt door de longtuberculose. Zijn vrouw, de actrice Olga Knipper, die hem een halve eeuw overleefde, ligt naast hem in een eenvoudig graf. Er liggen, ook in de sneeuw, vaak rozen.

Tsjechov is niet vergeten. Zijn stukken worden overal en regelmatig gespeeld. Zijn verhalen worden verfilmd en gelezen waar zijn voorgangers als Dostojevski en Tolstoj worden bewonderd maar niet zo vitaal blijken. Ook de biografen zijn Tsjechov niet vergeten, al blijkt hij een moeilijk onderwerp. De Frans-Russische schrijver Henri Troyat schreef in 1985 een leesbare biografie die in vele vertalingen verscheen en in 1988 kwam er een levensbeschrijving uit van de Engelse meesterschrijver van korte verhalen, V.S. Pritchett, vooral gericht op het werk. De nieuwe biografie van Rayfield, zeshonderd pagina's tekst, is veruit de uitvoerigste. Als hoogleraar Russisch in Londen heeft hij Rusland bereisd na de glasnost, er vrijwel alle plekken bezocht waar Tsjechov verbleef, alle archieven, brieven en memoires bestudeerd. Tsjechov was een vlijtig briefschrijver en ruim vijfduizend brieven zijn bewaard gebleven. Rayfield vond ook de correspondentie van vrienden, familie en geldgevers omdat hij een onbeperkte toegang tot documenten had, die eerder gecensureerd of achtergehouden werden.

Deze nieuwe biografie is grondig en beschrijft van jaar tot jaar het korte leven van Tsjechov en de tallozen die er een rol in hebben gespeeld. Het werk zelf komt maar kort ter sprake want de auteur vindt de biografie geen literaire kritiek. Ook het historisch decor van tsaristisch Rusland met zijn bureaucratie, censuur, gistende opstandigheid en armoede komt nauwelijks in beeld hoewel Tsjechovs toneelstukken en verhalen niet ongeschonden de censuur zijn gepasseerd. Wat overblijft is een haarscherp, gedetailleerd en volledig portret van de man. Het is een wat andere Tsjechov dan de toegewijde armendokter, de steun van zijn familie en de eenzame schepper van een melancholieke Russische wereld aan de vooravond van de revolutie.

Rayfield beschrijft hem als de stichter van het moderne toneel waar de schrijver en niet de acteur koning is. Dat koningschap wordt echter moeilijk veroverd als de regisseurs, waaronder de befaamde Stanislavski van het Moskouse Kunsttheater, de stukken anders opvoeren en de bedoeling verdraaien. Voor Tsjechov is De kersentuin een komedie met een wrange ondertoon, voor Stanislavski een sociaal drama omdat het voorname leven op het land ten onder gaat in de vulgariteit van de massa en de stad.

Tsjechov had geen boodschap, hij was naar aard en medische opleiding een waarnemer, een paradox van afstandelijke betrokkenheid. Op het eind van zijn leven schreef hij zijn vrouw Olga: 'Je vraagt me wat leven is. Dat is als de vraag wat een wortel is. Een wortel is een wortel en meer is er niet te weten.' Wat boven en buiten die waarneming viel was onkenbaar en hij wantrouwde de grote boodschappers als Tolstoj en Dostojevski ondanks bewondering voor hun werk of persoon. Zijn populariteit buiten Rusland heeft ook te maken met zijn toegankelijkheid, want hij laat in zijn verhalen vol dubbelzinnigheld, ironie en melancholie de conclusie aan de goede verstaander over.

Rayfields boek laat vooral zien hoezeer dat leven de bron voor het werk was. Familie en vrienden worden met hun slechte en absurde kanten herkenbaar afgebeeld in verhalen en toneelstukken, zo goed als zijn doktersfiguren in De Meeuw, De drie zusters en Het duel zelfportretten zijn.

Tuberculose

Dat leven van Anton Tsjechov begint met een miserabele jeugd. Het gezin Tsjechov bestaat uit een bigotte tiran als vader, een slovende moeder en zes kinderen in Taganrog, een zuidelijke en kosmopolitische havenstad aan de zee van Azov. De kruidenierswinkel voorziet in een uiterst armoedig bestaan. De vader ranselt zijn kinderen af en laat ze sloven voor de winkel en het kerkkoor. Anton met zijn twee broers maken met moeite het gymnasium af, met financiële steun van beter geslaagde familieleden. De zestienjarige Anton wordt in 1876 in Taganrog achtergelaten na het faillissement van zijn vader, om voor zijn moeder, zusje en twee jongere broers te zorgen. De vader trekt naar Moskou, waar de twee oudsten studeerden, om er werk te vinden. Voor Anton blijft de zorg voor het gezin, de studie in de stadsbibliotheek en na het eindexamen een beurs van de stad om medicijnen in Moskou te studeren. Hij schrijft al snel korte bijdragen en verhalen voor tijdschriften, ook vanwege de bijverdiensten. Zijn medische studie verloopt vlot, hij krijgt het artsdiploma in 1884 uitgereikt en begint zijn doktersbestaan. 'De geneeskunde', zal hij vaak uitleggen, 'is mijn wettige echtgenote, de literatuur mijn maîtresse. Als de een mij verveelt houd ik mij met de ander bezig.'

Tsjechov begint als waarnemer, heeft een stadspraktijk met slecht betalende patiënten, assisteert bij epidemieën van cholera en tyfus, doktert voor familie en vrienden maar is te onrustig om zich te vestigen. Hij zal in 1890, bijna in een impuls, het schrijversbestaan loslaten en naar het eiland Sachalin gaan, de Siberische strafkolonie in het uiterste oosten, om er onderzoek te doen. Hij heeft gesprekken met dwangarbeiders en bannelingen en noteert hun ervaringen op tienduizend kaarten, over eten, drinken, ziekten, geweld en straf in kampen van de tsaar. Als hij anderhalf jaar later terugkomt, helpt hij bij hongersnood en cholera, zet scholen en ziekenbarakken op en sticht een kolonie voor alcoholisten. Hij zal de bibliotheek van Taganrog jarenlang boeken sturen en ieder die hem hulp vraagt medisch advies, geld of goed geven. Die behulpzaamheid maakt dat hij tot het einde zijn familie moet steunen met geld, onderdak en goede raad. De vader blijft een werkeloze nietsnut, de moeder een sloof en de oudste broers, de één talentvol schrijver, de ander schilder, gaan ten onder aan drank, morfine en andere avonturen. De tweede broer sterft jong aan tuberculose. Anton verpleegt hem.

In het jaar van zijn artsdiploma geeft hij voor het eerst bloed op en meent dat het, gezien zijn goede conditie, geen tuberculose zal zijn. De bloedingen zullen zich herhalen maar, zoals veel dokters, ontkent hij zijn kwaal. Hij wil genieten van het volle leven en vooral geen patiënt zijn. Hij reist door Europa, verblijft in badplaatsen aan de Franse Rivièra en Jalta. Zeven jaar voor zijn dood heeft hij hevige longbloedingen en krijgt zijn vonnis van een collega te horen. Hij zal die laatste jaren als een halve invalide slijten in kuuroorden, vermagerd en kortademig, met moeite schrijvend, afgewisseld door oplevingen en reizen naar Moskou waar hij een gevierd schrijver is geworden.

Liefdeleven

Tsjechovs erkenning als schrijver komt geleidelijk want hij publiceert zijn verhalen onder pseudoniem en vaak in tweederangsbladen. Dokter en schrijver blijven gescheiden totdat in Sint-Petersburg de uitgever Suvorin en de oudere romanschrijver Grigorovich zijn talent zien, hem ruimte bieden in een belangrijke krant, zijn stukken bundelen en helpen zijn eerste toneelstukken opgevoerd te krijgen. De ontvangst is meestal slecht in het begin, maar wordt gevolgd door grote populariteit. Hij ontmoet andere schrijvers, onder wie Tolstoj en krijgt een eigen naam en faam. Als de stad, zoals Moskou of de culturele hoofdstad Petersburg, hem verveelt, zoekt hij het landleven bij familie of vrienden en koopt een klein landgoed buiten Moskou.

Er is veel gespeculeerd over het liefdesleven van Tsjechov en zijn onwil om zich aan een vrouw te binden. Pas in 1901 trouwt hij een befaamde actrice, Olga Knipper, als hij zich een oude man voelt die verzorging nodig heeft. Zij speelt in Moskou, hij kuurt in Rusland of Duitsland, maar zij zorgt aan zijn sterfbed. Het 24-uurs geluk zou hem te veel zijn. Op hun beider graf staat een meeuw, symbool van het stuk waarin schrijver en actrice schitterden. Rayfield laat zien dat Tsjechov talloze affaires had, met vriendinnen van zijn altijd zorgzame zuster, met vrouwen van vrienden, met Moskouse hoeren en met 'losse contacten'. Hij vreest zich te moeten binden en zijn vrijheid kwijt te raken om die andere maîtresse, het schrijven, te kunnen volgen. Hij heeft de afzondering, het reizen en het observeren van mensen nodig als bron van inspiratie en als verzet tegen alle autoriteit die hem aan banden wilde leggen. Hij koos zich geen standpunt, hield zich ver van de politiek en polemiek al nam hij het op voor Dreyfus en tegen het antisemitisme en rapporteerde hij over de onmenselijkheid van de strafkolonie. Daarbij was hij een vriendelijke, hulpvaardige maar ook sceptische beschouwer, een agnosticus met een hekel aan pretenties, boodschappen en zendingsdrang. Hij schreef zijn eigen verhalen.

Het einde

Tsjechov was een man zonder illusies maar niet zonder tederheid. Zijn figuren, in verhalen en toneelstukken, vormen een comédie humaine waar hij mild en ironisch het menselijk tekort beschrijft en de onbereikbaarheid van het happy end. Dat geldt ook voor zijn laatste jaren, als met zijn toneelstukken en verhalen succes heeft. Zijn voortschrijdende tuberculose en een darmaandoening maken het schrijven vrijwel onmogelijk. Met bedrust, dieet en opiaten wordt het bestaan dragelijk gemaakt, eerst in Jalta, dan in Badenweiler in het Zwarte Woud, in een hotel waar een Duitse dokter hem behandelt. Als een hittegolf en koorts hem in de war maken legt Olga een blok ijs op zijn hart en bestelt de haastig geroepen arts zuurstof.

Tsjechov zegt dat zijn lege hart geen ijs nodig heeft en dat hij zal sterven voordat de zuurstof er is. Als dokters niets meer voor een collega konden doen schreef de toenmalige Russische en Duitse etiquette voor een glas champagne aan te bieden. Dat gebeurt ook hier. Tsjechov zegt luid: 'Ik sterf', drinkt het glas leeg en mompelt dat hij lang geen champagne had geproefd.

Hij wordt begraven in Moskou waar de stoet van station naar het kloosterkerkhof tot enkele duizenden mensen aanzwelt die in bomen en hekken klommen om maar niets te missen. Zijn lichaam moet in een koelwagen worden vervoerd, waarop 'transport voor oesters' stond geschreven. De kapel op het station zet rouwmuziek in maar dat blijkt niet voor de schrijver maar voor een gevallen generaal wiens lichaam werd gerepatrieerd.

Tsjechovs vriend, de befaamde operazanger Sjaliapin, bromt dat hij voor die bastaards had geleefd, gewerkt, onderricht had gegeven en voor ze was opgekomen. Het is het enige dat er bij dit einde, een Tsjechov verhaal waardig, wordt gezegd.

Rayfield heeft een biografie geschreven die een aardsere, rustelozer Tsjechov laat zien in een kluwen van betrekkingen waarvan hij zich steeds meer losmaakte om met subtiliteit en zonder illusies, maar ook met humor en poëzie te schrijven over de wereld waarin hij leefde.

Het kenmerk van een goede biografie - en dat geldt ook voor deze gedetailleerde Russische microkosmos - is dat ze tot herlezen van het werk uitnodigt, zeker waar leven en werk zozeer verbonden zijn.