De houten schijven van Brancusi

Tentoonstelling: Brancusi, Tzara en de Roemeense avant-garde. Kunsthal Rotterdam. T/m 16/11. Catalogus (Duitstalig) door Michael Ilk. Prijs ƒ 39,50.

Eenlingen waren het niet, de kunstenaars die begin deze eeuw de Roemeense avant-garde uitmaakten. Dat is tenminste de indruk die je krijgt van foto's uit die tijd zoals die te zien zijn in de tentoonstelling in de Rotterdamse Kunsthal. Ze tonen, telkens in andere samenstellingen, groepjes schilders, beeldhouwers, dichters en schrijvers: geestverwante hemelbestormers - zoveel is duidelijk uit hun saamhorig poseren en hun vastberaden blikken.

Tussen 1900 en 1930 schoten kunstenaarsgroepen in heel Europa als paddestoelen uit de grond. In Duitsland ontstonden de Brücke en de Blaue Reiter, in Milaan organiseerden zich de Futuristen, Nederland had De Stijl en in Zürich werd de Dada-beweging gevormd. Dat het de leden van deze gezelschappen ernst was hun visie op de kunsten uit te dragen, blijkt wel uit hun enthousiaste productie van manifesten, plakkaten en periodieken. De tentoonstelling in Rotterdam concentreert zich op het aandeel van Roemeense kunstenaars in deze ontwikkeling.

Wie dus, op grond van de weidse titel Brancusi, Tzara en de Roemeense avant-garde, een tentoonstelling vol originelen van schilder- en beeldhouwkunst verwacht, komt bedrogen uit. De nadruk op de kleine expositie ligt op gedrukt materiaal: affiches, tijdschriften en boeken waaraan Roemeense kunstenaars hebben bijgedragen.

Daarnaast wordt, door middel van foto's, brieven en andere documenten, een beeld gegeven van de hoofdrolspelers van de Roemeense avant-garde, hun onderlinge contacten en hun relaties met vakbroeders in het buitenland. Het is vooral bij de gratie van die internationale contacten dat de Roemeense avant-garde tegenwoordig enige bekendheid heeft. Zo verbleef de dichter Tristan Tzara tijdens de Eerste Wereldoorlog in Zürich, waar was hij samen met zijn landgenoot de schilder Marcel Janco mede-oprichter was van Dada. Van het Franstalige tijdschrift dat die groep uitgaf, worden enkele exemplaren in de expositie getoond.

Ook de bekendste kunstenaar van Roemeense origine, de beeldhouwer Constantin Brancusi, maakte pas carrière nadat hij zijn vaderland definitief had verlaten. Al in 1904 reisde hij, te voet, van Boekarest naar Parijs. Daar zou hij uitgroeien tot een van de meest vernieuwende beeldhouwers van de twintigste eeuw. Maar afgezien van een wat merkwaardig Lotto-spel van genummerde houten schijven uit 1896, is er van Brancusi geen enkel plastisch werk tentoongesteld. Wèl is er een bijzondere serie van 44 foto's van Brancusi te zien. De meeste daarvan zijn opnamen van enkele van zijn eigen beelden, die hier worden getoond met als rechtvaardiging Brancusi's opmerking 'Waarom over mijn sculpturen schrijven? Waarom er niet eenvoudig foto's van laten zien?'. Maar hoewel foto's misschien beter voldoen dan beschrijvingen, halen ze het in een tentoonstelling toch niet bij originele sculpturen.

Het grootste belang van de expositie ligt bij werk van minder bekende kunstenaars die in Roemenië zelf werkten. Ook daar waren het kunstenaarsgroepen en redacties van tijdschriften die de beeldend kunstenaars en schrijvers bonden. Een van de belangrijkste daarvan was Contimporanul (De Tijdgenoot), opgericht in Bukarest door de dichter Ion Vinea, samen met Marcel Janco die in 1921 in Roemenië was teruggekeerd. Tien jaar lang bleef dit tijdschrift de spreekbuis van de Roemeense avant-garde.

Verschillende omslagen en affiches die door onder anderen Janco en de schilder Max Herman Maxy voor het tijdschrift zijn ontworpen, worden geëxposeerd. Andere periodieken uit de jaren twintig, zoals Punct, geleid door de dichter Scarlat Callimachi en Integral van onder anderen Maxy en de dichter Ilarie Voronca, hielden het minder lang vol. Het lijkt alsof al die tijdschriften elkaar niet zomaar afwisselden, maar deels ook in elkaar overgingen. Onder de ontwerpers van de typografie, de kunstenaars wier werk wordt gereproduceerd en de auteurs van de gedichten en manifesten, kom je vaak dezelfde namen tegen. Daaruit blijken wel de goede onderlinge contacten van de Roemeense kunstenaars.

De compleetheid van het materiaal in de tentoonstelling en de goede staat waarin het verkeert, zijn indrukwekkend - zeker als in aanmerking wordt genomen dat de publicaties maar in kleine hoeveelheden werden verspreid: geldgebrek, de taalbarrière die een internationale verspreiding in de weg stond, en het destijds nationalistisch en anti-intellectueel getinte klimaat in Roemenië, hielden de oplagen beperkt. Toch is het samensteller Michael Ilk gelukt een groot aantal exemplaren van het vrij zeldzame drukwerk bijeen te brengen. Ilks opmerking in de catalogus dat de tentoonstelling en het boek de eerste serieuze studie van het materiaal zouden behelzen, is wel wat voorbarig. In feite gaat het om een rijk geïllustreerde, maar toch al te summier toegelichte inventarisatie van het optreden van de altijd wat vergeten avant-garde in Roemenië.