De hoekige ontwerpen van architect Daniel Libeskind; Een machtige schotsenberg

Architect Daniel Libeskind probeert een gebouw van zichzelf te karakteriseren en maakt ontploffingsgebaren. Dergelijke gebaren zouden bij al zijn werk gemaakt kunnen worden. Een overzicht van zijn schotsen, scherven en zigzaglijnen wordt tentoongesteld in Rotterdam.

Daniel Libeskind 'Beyond the Wall, 26.36°', overzichtstentoonstelling t/m 23 november in het Nederlands Architectuurinstituut Rotterdam.

Bij de tentoonstelling verschenen twee Engelstalige publikaties bij NAi Uitgevers:

Daniel Libeskind: Fishing from the pavement, geb. 256 blz. Prijs ƒ 39,50.

Daniel Libeskind & Cecil Balmond : Unfolding, een groot formaat doos met acht boekjes en een bouwplaat. Prijs ƒ 99,50.

Middenin een reusachtige tent van wild dansende staalplaten, zegt architect Daniel Libeskind: “Ik vind het jammer dat het op tijd klaar dreigt te komen. Het zou nooit voltooid moeten zijn, het proces is kenmerkend voor architectuur.”

Voor de grote tentoonstellingszaal van het Nederlands Architectuurinstituut in Rotterdam ontwierp Libeskind (Polen, 1946) een installatie die tot in alle uithoeken van de kale, betonnen ruimte reikt. Met behulp van 35 ton door Hoogovens in natura gesponsored staal, heeft Libeskind de oorspronkelijk door Jo Coenen ontworpen expositiehal naar zijn hand gezet. Een week lang zijn drie ploegen 'bouwvakkers' dag en nacht bezig geweest aan de oprichting van het 'ruimte-experiment' dat oogt als een uitzinnig operadecor. Behalve de met multiplex belegde vloer - het enige hout - loopt geen enkel scheidingsvlak recht, niet in horizontale en niet in verticale richting. De diagonale lijn is favoriet. Het lijkt wel of drie blankstalen scheepsboegen elkaar op de top van een oceaangolf gevonden hebben.

Als wij door het labyrinthische bouwsel lopen, komt een medewerker melden dat het hoogste punt van de ogenschijnlijke ravage met een schietlood definitief is vastgesteld op 8 meter 75 en nog wat. In de nok, onder de vloer van de zolderzalen, hangen alpinisten ondersteboven aan het roosterplafond om mooie, industriële staaflampen op te hangen. De gelegenheids-monteurs trekken zichzelf als apen aan lianen vooruit en het is de vraag of hier een show wordt opgevoerd of dat het werkelijk niet anders kan in deze technologisch zo geavanceerde omgeving. Een blik op het gezicht van Libeskind is voldoende om het eerste te geloven.

Hij geniet zichtbaar van het spektakel dat met vonkenregens en oorverdovende slijp- en boorgeluiden gepaard gaat. Zijn ogen tintelen van plezier in een vrolijk rond gezicht en omdat praten en lachen bij hem hetzelfde is, maakt hij de indruk van een intens tevreden mens. Het wonderkind van de internationale avantgarde heeft zich de laatste jaren van begenadigd theoreticus, die heel aanstekelijk filosofische bespiegelingen in opwindende beelden weet om te zetten, ontwikkeld tot een architect met een heuse bouwpraktijk. Het eerste grote werk van zijn hand, het Joods Museum in Berlijn, is bijna voltooid en zal volgend jaar opengaan. Het Felix Nussbaum Museum in Osnabrück is in aanbouw. Het Musicon, een concertgebouw in Bremen, het Imperial War Museum in Manchester en de uitbreiding van het Victoria & Albert Museum in Londen staan op het punt om te worden uitgevoerd. Behalve de plannen voor het oorlogsmuseum in Manchester zijn modellen en tekeningen van al deze projecten op de overzichtstentoonstelling in Rotterdam te zien. Libeskind: “Het Imperial War Museum in Manchester hadden wij hier ook willen tonen, maar dat mocht niet van de opdrachtgever. De eerste beelden van het museum wil men uit Manchester laten komen en niet uit Rotterdam, wat ik begrijpelijk vind. Het wordt een groot, volwassen museumgebouw, heel spectaculair als een enorme explosie.” Bij de laatste woorden gooit Libeskind glunderend zijn handen in de lucht. Het gebaar moet uiteenspattende scherven verbeelden. Toepasselijk, misschien wel té toepasselijk om een oorlogsmuseum deze gelijkenis te geven. Maar wie de ontwerpkunst van Libeskind kent en zijn liefde voor metaforen, zal de schichtige vorm, noch de letterlijke symboliek verbazen.

Bliksemend

Met ontploffingsgebaren zou hij de meeste werken van zijn bliksemende bouwkunst kunnen typeren, of het nu gaat om een concertgebouw, een museum, een stedebouwkundig plan of de uitbreiding van een ministerie. Zijn ontwerpen bestaan uit scherpgehoekte fragmenten, splinters die elkaar doorkruisen of de pas afsnijden en in toom worden gehouden door een meetkundig stelsel van lijnen en nog eens lijnen. Bij Libeskind is alles tot een lijn terug te voeren: de wapening in beton, een weg, een muur, een spoor, maar vooral de geschiedenis. Toen hij een plan voor Alexanderplatz in Berlijn moest maken, zocht hij uiteraard steun bij het boek Berlin Alexanderplatz van Alfred Döblin. Gevraagd om Alexanderplatz te beschrijven, heeft Döblin ooit gezegd dat deze plek leek op de afdruk van de binnenkant van zijn linkerhand. Wat deed Libeskind? Hij nam de afdruk van Döblin's linkerhand en de lijnen van de handpalm bepaalden de toegankelijkheid en de centrering van zijn ontwerp.

Ook bij het Joods Museum in Berlijn liet de joodse Libeskind zich leiden door de lijn van de geschiedenis en een voor de hand liggende metafoor. Voor zijn prijsvraaginzending nam hij de Davidster, vouwde deze open en trok hem uit elkaar waardoor een langgerekte, zigzaggende plattegrond ontstond. Een angstaanjagende bliksem die is ingeslagen pal naast het rustige, classicistische Berlin Museum, waarvan het nieuwe Joods Museum onderdeel is. Een in de lengte door het gebouw snijdende, zichtbare maar ontoegankelijke vide herinnert aan de leegte die de holocaust heeft nagelaten. In een scherp afgesneden hoek staan in de 'holocaust-toren' de namen van alle gedeporteerde en omgekomen Berlijnse joden geschreven. Er is nog een lange 'weg', zoals Libeskind het noemt, waar de religieuze joodse objecten worden tentoongesteld, en boven zijn expositiezalen.

Modellen en foto's van het museum laten een radicaal betonnen bouwwerk zien vol doodlopende hoeken, kale bunkerruimtes waarin een vijandig web van betonbalken hangt en smalle raamstroken die woest uit de gevels zijn gesneden. Helaas werd het museum niet helemaal gebouwd volgens het oorspronkelijke ontwerp. Om economische redenen is een aantal hellend getekende buitengevels rechtgezet, waardoor een deel van de bliksemkracht verloren lijkt te gaan. Toch maakt het gebouw zo'n aangrijpende indruk, dat het de vraag is of het nog met museale objecten moet worden lastig gevallen. De monumentale kracht van de architectuur lijkt zo groot dat de museumfunctie erdoor wordt weggevaagd.

Talloze musea die de laatste jaren vooral om hun spraakmakend uiterlijk zijn gebouwd, blijken een kommervol bestaan te lijden omdat de inhoudelijke aantrekkingskracht ontbreekt. Het Joods Museum in Berlijn toont aan dat de autonome, culturele waarde van de bouwkunst een ontkenning van de dienstbaarheid van architectuur voor één keer kan rechtvaardigen.

Spijkerschrift

Libeskind is een verwoed modelbouwer en een onstuitbare tekenaar. Hij vertoont zijn ontwerpkunst met maquettes die op constructivistische kunstwerken lijken en met tekeningen die het midden houden tussen een uitgevallen boeket van mikado-stokjes en een meetkundig soort spijkerschrift. In de maquettes kunnen de uiteindelijk beoogde bouwwerken of stadsdelen nog wel worden teruggevonden, maar de ontwerptekeningen zijn minder scheutig met het prijsgeven van als architectuur herkenbare beelden. Dat is logisch volgens Libeskind: “Architectuur kan niet worden gesimuleerd met tekeningen”.

Om dat euvel te bestrijden en zijn architectuur ook ruimtelijk te laten beleven, bouwde hij in Rotterdam dus zijn eigen tentoonstellingsontwerp. Het Boilerhouse, zoals de nieuwe vleugel van het Victoria & Albert Museum in Londen wordt genoemd, vormde het uitgangspunt van de installatie. In samenwerking met Cecil Balmond van het constructiebureau Ove Arup & Partners - zonder dit bureau zou de internationale voorhoede onmogelijk kunnen bouwen - ontwierp Libeskind een spiraalvormig paviljoen bestaande uit een schil van vijftien aan elkaar geklonken stalen wanden. Dit bouwwerk vormt de hoogst opdringerige achtergrond van talloze tekeningen en ongeveer vijftig maquettes.

Het is een eigenaardige sensatie om binnen een ruimtelijk miniatuur van het Boilerhouse, de maquettes en tekeningen van hetzelfde gebouw te aanschouwen. Waar de architectuur van het Joods Museum samenvalt met de lijn van de geschiedenis, is de relatie tussen de verschijningsvorm van het Boilerhouse en het Victoria & Albert Museum ver te zoeken. De nieuwe vleugel heeft opwindende etiketten gekregen als 'Labyrinth of discovery' en 'the spiral movement of art and history'. En het Boilerhouse moet de schatten van het museum ontsluiten, de geschiedenis van hun collecties en hun inhoud doorzichtig maken. Het zijn verbale bezweringen om een verkeerde keuze te overschreeuwen. De machtige schotsenberg bekleed met fractiles, een nieuwe techniek die, volgens de deskundigen, de gekleurde tegels van Granada en Isfahan weet te verenigen met de dunne tegelhuid van de space shuttle, past eerder een musicaltheater dan een historisch instituut als het Victoria & Albert Museum. De directeur van het V&A, Alan Borg, beschouwt het ontwerp van Libeskind als een 'spectaculair architectonisch ikoon voor het volgende Millenium'. Daar heb je het al: spectaculair ikoon.

Libeskind's bevroren explosie-bouwkunst gooit vooral hoge ogen bij opdrachtgevers die naar een landmark verlangen en dat zijn er vele in deze tijd. Daarom wint hij de ene architectuurcompetitie na de andere. Het wonderkind is een tovenaarsleerling geworden en die omwenteling ziet men zich voltrekken in het 'spectaculaire', stalen model van het Boilerhouse in Rotterdam. Het heeft inderdaad iets van een opera.