De fragmentarische muziek van György Kurtág; Mijn moedertaal is Bartók

De Hongaarse componist György Kurtág is een verlegen prater die zich voor niets anders dan muziek lijkt te interesseren - zelfs een boterham krijgt hij nauwelijks naar binnen. Hij werkt jaren aan splinters muziek die soms nog geen minuut duren. Sinds kort woont hij, tijdelijk, in Nederland waar een project aan zijn werk gewijd wordt. Schönberg Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw: 17/9, Concertgebouw Amsterdam; 18/9, Vredenburg Utrecht.

Componist György Kurtág is een Hongaar die door een ongelukkig toeval in 1926 als Roemeen ter wereld kwam. Kurtágs geboorteplaats Lugoj, Transsylvanië, behoorde tot 1920 bij Hongarije, maar kwam als gevolg van het verdrag van Trianon van de ene dag op de andere onder Roemeens gezag. Het onbehaaglijke gevoel gast in eigen land te zijn, dat dit soort politieke beslissingen onvermijdelijk met zich meebrengt, lijkt ook nu nog het klankbeeld van Kurtágs muziek mede te bepalen. Zijn ijzige klankkleuren drukken vervreemding en persoonlijk onbehagen uit. Toch is zijn muziek niet zwaar op hand, daarvoor is de humor te relativerend. Lachen om het lot (in Kurtágs muziek gebeurt dat letterlijk en figuurlijk) kan immers verlichting brengen.

De multiraciale smeltkroes die de geboortestreek van György Kurtágs ooit was - Hongaren leefden er vredig naast Duitsers, Roemenen, Armeniërs, joden en zigeuners - vormt een plechtanker voor wie enig houvast probeert te vinden in de volstrekt unieke muzikale expressie van Kurtág. In de in zichzelf gekeerde composities klinkt menigmaal de treurnis door over de teloorgang van de multiculturele tradities in Midden-Europa. Een nostalgie, die wordt beleden in de klanken van het cymbalom, dat Hongaarse instrument bij uitstek dat in vele werken van Kurtág een zo vitale rol speelt. Kurtág heeft de klank van zijn geboortegrond geassimileerd. Dat betekent echter geenszins dat zijn muziek ook werkelijk 'Hongaars' klinkt. Kurtágs idioom is daarvoor te persoonlijk door de vele 'hommages' en 'in memoriams', en tegelijkertijd te universeel dankzij de vele referenties aan de traditie, aan de muziekgeschiedenis.

“Mijn moedertaal is Bartók, en diens moedertaal was Beethoven”, zo vatte Kurtág zijn inspiratiebronnen ooit samen. Als ik hem confronteer met die uitspraak, na te hebben beredeneerd dat zijn muziek intussen mijlenver verwijderd moet zijn van Bartók, ver van alle hoofd- en zijwegen van de naoorlogse muziekgeschiedenis überhaupt, antwoordt hij vriendelijk: “Daarover kan ik onmogelijk zelf een uitspraak doen; dat laat ik aan anderen over.” Kurtág is een aimabele, maar ongenaakbare gesprekspartner. Tijdens een gemeenschappelijke lunch in de refter van de abdij van Rolduc bij Kerkrade, waar Kurtág tijdens het Orlando Festival een interpretatiecursus voor geselecteerde muziekstudenten-ensembles geeft, blijkt dat hij net terug is uit de Verenigde Staten. Gedurende het Marlboro Music Festival in Vermont heeft hij, behalve werk van zichzelf, ook met enkele musici het Tweede strijkkwartet van Bartók ingestudeerd.

“Die omgeving was zeer stimulerend”, zegt hij. “Geïnspireerd door de muziek van Bartók kwam ik eindelijk weer aan componeren toe.” Zijn toon verraadt de niet geringe triomf die hiermee gepaard gaat. Tegenwoordig verdeelt Kurtág zijn tijd tussen het geven van masterclasses en het componeren. Maar dat laatste valt hem zwaar. Altijd al, trouwens. Zo voltooide hij tussen 1959 en 1969 slechts zes composities. Op zijn briljante liedcyclus Poslanija pokojnoj R.W. Trusovoj (Berichten van wijlen juffrouw R.V. Troesova) - ruim 20 minuten muziek - zwoegde hij meer dan vier jaar.

“Ik moet de rust vinden om te componeren, maar ik kan het niet afdwingen. Soms lukt het. Soms lukt het niet. De inspiratie was er opeens. De echtgenoot van de altvioliste van het kwartet dat Bartók speelde, heet Slava. Op een goed moment dacht ik aan een gedicht van Anna Achmatova dat met de naam Slava begint. Tot mijn niet geringe verbazing bleek ik het hele gedicht uit het hoofd te kennen, en dat ben ik nu aan het componeren. Ook ben ik weer bezig met teksten van Hölderlin en Beckett.”

Achmatova

Het aantal dichters dat Kurtág telkens opnieuw weet te inspireren is klein, maar de namen zijn steeds dezelfde: Achmatova, Beckett, Hölderlin, Kafka, de Hongaren János Pilinszky en Attila József en de Russin Rimma Dalos. Mocht er voor de muziek van Kurtág een talig equivalent bestaan, dan is deze te vinden in de aangrijpende aperçu's van de in Hongarije levende dichteres Rimma Dalos. “In een ruimte van zes bij vier meter, onder een druk van 6000 atmosfeer van eenzaamheid, bij een temperatuur van 40.000 graden koorts van onvervulde verlangens, bevriest een mens.” Deze tekst van Dalos werd door Kurtág gekozen als begin van zijn Troesova-liederen. Dat is veelzeggend, want Kurtág vereenzelvigt zich zozeer met de teksten die hij gebruikt, dat ze als autobiografisch materiaal beschouwd mogen worden.

De aanleiding van ons gesprek is Kurtágs verblijf in Amsterdam, waar hij op uitnodiging van onder meer het Schönberg Ensemble en het Koninklijk Conservatorium in Den Haag gedurende enkele jaren zal wonen, samen met zijn vrouw, de pianiste Martá. Het Koninklijk Conservatorium wijdt dit schooljaar een project van lange adem aan de Hongaarse componist, met af en toe een 'eruptie', zoals directeur Frans de Ruiter het eerder dit jaar omschreef. In het György Kurtág Project zijn uitvoeringen gepland door het symfonieorkest van het conservatorium, evenals openbare masterclasses piano en strijkers, gegeven door de componist en zijn vrouw. Voor het Schönberg Ensemble en het Asko Ensemble is György Kurtág (samen met Louis Andriessen, Elliott Carter, Sofia Goebaidoelina, Mauricio Kagel en Magnus Lindberg) één van de zes 'Tijdgenoten', die tussen nu en het jaar 2000 uitgebreid zullen worden geportretteerd in concerten waarin de balans van een eeuw componeren wordt opgemaakt.

De eerste concerten uit deze serie vinden komende week plaats in het Concertgebouw in Amsterdam (woensdag) en het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg (donderdag). Dirigent Reinbert de Leeuw heeft hiervoor een evenwichtig programma samengesteld, beaamt Kurtág. In deze concerten wordt zijn muziek geschraagd door stukken van Béla Bartók en Anton Webern, componisten die de muziek van Kurtág in een betekenisvol historisch perspectief plaatsen. Bartók is al genoemd. Weberns serialisme en met name ook diens aforistische benadering van de muzikale structuur vinden in de muziek van Kurtág een hedendaagse pendant. Kurtág componeert miniaturen van een overweldigende monumentaliteit. Szálkák - splinters - noemde hij ooit een compositie voor cymbalom solo. Het is een titel die als pars pro toto voor zijn gehele oeuvre zou kunnen gelden. Want hoe uitgestrekt in de tijd zijn muziek soms ook kan zijn, altijd valt zij uiteen in losse splinters. Splinters, die soms slechts seconden duren.

Karnemelk

Tijdens de lunch wordt Kurtág, zoals bijna altijd, streng bewaakt door zijn vrouw Martá. Met lede ogen moet zij aanzien hoe van zijn middagmaal, bestaande uit twee boterhammen, een ei, een tomaat en een glaasje karnemelk, meer dan de helft onaangeroerd teruggaat naar de keuken. In het leven van Kurtág draait alles om muziek. Met de wereld daarbuiten, kan hij slechts met de grootste moeite overweg. Zo gedreven en welbespraakt als hij tijdens zijn masterclass is, zo schuchter gedraagt hij zich tegenover de mensen in de refter. Aan eten en drinken lijkt hij nauwelijks belang te hechten, uiterlijk vertoon is aan hem niet besteed. Altijd lijkt hij gekleed te gaan in hetzelfde pak, hetzelfde overhemd. Zichzelf verkopen? Hij weet waarschijnlijk niet eens wat het is.

Lange tijd stond hij dan ook in de schaduw van die andere Hongaarse György: György Ligeti. De collega-componist en vriend, die op dezelfde dag toelatingsexamen deed aan het conservatorium in Boedapest, zou later in het Westen altijd een lans breken voor het werk van zijn landgenoot. Ligeti ontvluchtte zijn geboorteland toen de Russen in 1956 Hongarije binnenvielen. Kurtág, die inmiddels was genaturaliseerd tot Hongaar, miste de laatste trein naar het vrije Westen. Weliswaar verbleef Kurtág nadien een jaar in Parijs om er lessen te volgen bij Darius Milhaud en Olivier Messiaen. Maar de ontmoeting met de kunstpsychologe Marianne Stein, die hem hielp zijn persoonlijke en artistieke crises te overwinnen, is van meer betekenis geweest. Weer terug in Hongarije, presenteerde Kurtág het eerste werk dat hij een opusnummer waardig achtte: het Strijkkwartet No.1. De pregnante openingsmaten hiervan zou hij later typeren als de expositie tot zijn gehele levenswerk.

Andere kamermuziekstukken volgden. Acht duo's voor viool en cymbalom. De Bornemisza Péter Mondásai, de spreuken van de boetprediker Peter Bornemisza die hij vormgaf in een 'concert' voor sopraan en piano. Een eerste versie van Grabstein für Stephan. Maar Kurtág bleef een componist in de periferie, wiens partituren goeddeels aan het zicht waren onttrokken door een toen nog stevig dichtgetrokken IJzeren Gordijn. Pierre Boulez valt de eer te beurt degene te zijn die hem uit zijn Hongaarse isolement heeft bevrijd, mede door het opdrachtswerk dat Kurtág schreef voor het Ensemble InterContemporain: de genoemde Troesova-liederen.

Kurtágs splinters sloegen in als een fragmentatiebom. Hij was al een halve eeuw oud, maar toen zijn muziek eindelijk haar weg naar het Westen had gevonden, werd de maker onmiddellijk verwelkomd als één van de meest oorspronkelijke naoorlogse componisten. In 1987 was hij de centrale componist van het Holland Festival, in de jaren negentig was hij composer in residence bij de Berliner Philharmoniker, bij de Konzerthausgesellschaft in Wenen en bij het Orlando Festival.

Misnoegd

Kurtágs oeuvre mag dan niet bijster groot zijn, zijn muziek is diepgravend, fijnzinnig en luistert nauw. Dirigent Ed Spanjaard deed tijdens het Holland Festival 1987 daarover een veelzeggende uitspraak: “In vaak niet meer dan veertig seconden moeten de musici de sfeer scheppen waar de componist tien jaar over heeft nagedacht.” De diepgravendheid van de composities begint vaak al met een dubbelzinnige titel. Wat te denken bijvoorbeeld van The answered unanswered question, dat een onmiskenbare referentie is aan het orkestwerk van Charles Ives The unanswered question. Kurtág ontkent de diepzinnigheid van deze titel met een lach. “Ach, het is woordgrapje, daar ben ik dol op.” Tot vermaak van Kurtág trekt Martá een misnoegd gezicht. “Zij vindt het maar niets, deze geintjes. Een vriend van ons, die schilder is, maakt ook steevast gebruik van woordspelingen als hij naar een titel zoekt voor zijn doeken. Hij is een groot bewonderaar van Ives. Vandaar.”

Ik vraag hem naar de betekenis Grabstein für Stephan, één van de stukken die door het Schönberg Ensemble volgende week wordt uitgevoerd. “Toen Stephan, de echtgenoot van Marianne Stein, was overleden, kwam hun zoon eens bij ons op bezoek. Ik vond het passend hem een muzikaal monument voor zijn vader aan te bieden.” Kurtág spreekt de titel nog eens met nadruk uit, opdat de essentie van de woordspeling ten volle tot me doordringt: “GrabSTEIN für STEPHAN.” Over ...Quasi una fantasia..., een compositie voor piano en ruimtelijk opgesteld ensemble die eveneens op het programma staat van het Schönberg Ensemble zegt hij: “Ik moest snel een titel verzinnen voor het werk en dacht aan Beethovens Dertiende pianosonate, die als ondertitel heeft 'Sonata quasi una fantasia'. Toen ik later de noten van Beethoven erbij haalde, zag ik dat het zijn opusnummer 27/1 was. Ik was verbluft, want ...Quasi una fantasia... was ook mijn opusnummer 27/1. Zo zie je weer eens: je kunt veel beredeneren, maar soms is het onderbewuste het normale bewustzijn toch echt te slim af.”