Boerenvoorman Wien van den Brink over het plan van de varkenshouders; Minder zeugen en meer vleesvarkens

Landbouwminister Van Aartsen wil dat de varkensboeren hun veestapel met een kwart verminderen. De boeren zijn daar tegen. Ze hebben een eigen plan. 'Een unieke kans', zegt boerenvoorman Wien van den Brink. Een kans om de sector werkelijk structureel te hervormen.

'Het zou dom zijn van Jozias - nee liever: niet wijs - als hij ons plan naast zich neerlegt,” mijmert Wien van den Brink, voorzitter van de Vakgroep Varkenshouderij van de federatie van land- en tuinbouworganisaties LTO Nederland en tevens voorzitter van de Nederlandse Vakbond Varkenshouders. “Hij vergist zich als-ie denkt dat de sector nu zo murw is door de varkenspest dat hij er een 'generieke korting' van 25 procent zo door kan drukken. Natuurlijk zijn de boeren murw, maar niet verslagen. Als Van Aartsen doorzet, dan gaan de hakken in het zand. Als hij die varkens wil hebben, dan komt-ie ze maar halen. En denk erom: dat zal niet meevallen.”

Van den Brink, zelf varkenshouder, melkveehouder en akkerbouwer kent zijn collega's. Daarom hecht hij er zoveel belang aan dat 'zijn' alternatief kans van slagen krijgt: “Als je zoiets als minister aangeboden krijgt en je kunt er samen met het bedrijfsleven voor gáán, is dat toch een unieke kans. Zeker als je je bedenkt dat het vrijwel volledig voldoet aan je eigen wensen. Sterker, op een aantal punten beduidend verder gaat.”

Drie keer heeft minister Van Aartsen (Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) de afgelopen weken gesproken over het alternatief dat LTO Nederland en de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE) in voorbereiding hebben, maar het overleg heeft vooralsnog niets opgeleverd. Garanties zijn er niet, zo stelde de bewindsman en de door de organisaties voorgestelde inkrimping van de varkensstapel zijn 'cosmetica'. De minister blijft dus bij zijn voornemen een generieke korting van 25 procent in de varkenssector door te voeren. Dat komt er in alle eenvoud op neer dat elke varkenshouder een kwart van zijn dieren inlevert. De mestrechten die de boer nu heeft worden dan omgezet in varkensrechten en daar dient de boer een kwart van in te leveren.

Van den Brink: “Iedere boer zou gewoon een kwart van zijn varkens moeten lozen en verder niks. Dat kun je met goed fatsoen natuurlijk geen herstructurering van de sector noemen.”

De minister kondigde eind maart, toen de varkenspest bijna twee maanden woedde rigoreuze maatregelen aan. Vlak voor het zomerreces - op 10 juli - resulteerde dat uiteindelijk in een brief aan de Tweede Kamer, waarin die generieke korting wordt aangekondigd. Voor de sector was de zaak meteen al volstrekt onbespreekbaar, maar de minister wilde in augustus toch overleg. “Wij zagen daar helemaal niks in”, zegt Van den Brink, “maar de achterban drong er op aan toch te gaan. Die vond dat je het niet kon maken een uitnodiging van de minister onbeantwoord te laten.”

In LTO-verband werd in maart al nagedacht over een herstructurering van de varkenssector. “In eerste instantie wilden wij samen met het departement komen tot een gezamenlijk plan, maar de minister weigerde dat categorisch. Waarom weet ik niet, maar ik denk dat het ministerie er behoefte aan heeft zich zelf wat te profileren,” zegt Van den Brink.

De herstructurering zoals LTO en PVE die zien gaat de hele sector aan, van varkenshouder tot en met slachterij. En die sector omvat nogal wat. Volgens schattingen van de Rabobank telt Nederland een kleine 20.000 bedrijven waarop in totaal ruim 15 miljoen varkens worden gehouden. De omzet binnen de keten ligt op ongeveer 7 miljard gulden, de toegevoegde waarde op nog eens 3,5 miljard gulden. De mengvoederindustrie in Nederland levert de helft van haar productie aan de varkenshouderij. Er zijn tussen 400 en 500 handelaren actief op de varkensmarkt. Van de slachtrijpe varkens gaat 40 procent via die handelaren naar de slachterij. Van al die slachterijen zijn er 27 die elk meer dan 25.000 varkens per jaar 'verwerken'. Er worden vanuit Nederland - via zo'n vijftig 'exportverzamelplaatsen' - jaarlijks 3,1 miljoen van de in totaal 5,9 miljoen biggen geëxporteerd. Van de slachtrijpe varkens wordt 14 procent levend geëxporteerd. “Als je plannen maakt om die hele keten te reorganiseren heb je dus wel even tijd nodig. Toen wij op 18 augustus met de minister overlegden was dat plan dus nog niet helemaal gereed, behalve dan wat het gedeelte voor de primaire sector betreft. Dat hebben we hem voorgelegd, op het gevaar af dat hij zou gaan shoppen, die elementen eruit zou halen die hem aanstaan en de rest naast zich neer zou leggen. Het moet echter een totaalplan zijn en daar zijn we - schat ik - rond 20 september mee klaar.”

Wat houden de plannen voor de primaire sector in?

Van den Brink: “De minister wil in de toekomst de omvang van een varkenshouderij koppelen aan varkensrechten in plaats van de huidige mestproductierechten. Dat willen wij al drie jaar, maar hij heeft nu de kans een stap verder te gaan. Je zou een scheiding moeten maken tussen zeugenrechten en vleesvarkensrechten. In dat geval kun je in Nederland tot een behoorlijke balans komen tussen het produceren van biggen èn het afmesten daarvan. Op dit moment is die balans er niet, waardoor er veel te veel biggen worden geproduceerd. Als je zeugenrechten inperkt en vleesvarkensrechten uitbreidt, raak je meteen af van het transport over lange afstand met dieren, dat een doorn is in het oog van de consument. De export van biggen naar vergelegen landen verdwijnt daardoor. Als je je beperkt tot varkensrechten kun je die twee sectoren nooit op elkaar afstemmen, nooit sturen. Op dit moment worden jaarlijks ruim 3 miljoen biggen geboren die we hier zelf niet kunnen afmesten, vandaar dat ze wel geëxporteerd moeten worden. Een gering aantal biggen zou geëxporteerd moeten kunnen worden, maar wel binnen een bepaalde straal. België en een deel van Duitsland zou daarbij betrokken kunnen zijn.”

Maar met die opzet is er nog geen sprake van inperking van de totale varkensstapel.

“Dat is dan een volgende stap. Aan het verkrijgen van die rechten koppel je een aantal eisen op het gebied van milieu, welzijn en gezondheid. Een varkenshouder die daar niet aan voldoet krijgt geen rechten. En het is natuurlijk heel goed denkbaar dat een boer op zijn zestigste denkt: het voldoen aan die eisen vergt een zo grote investering dat ik daar niet meer aan begin. In zo'n geval koopt de minister zijn rechten. Dan is er dus ook sprake van een warme sanering. Als je gewoon domweg 25 procent kort bij iedere ondernemer, dan haal je zijn inkomen weg en dus ook zijn investeringsmogelijkheden, die hij nu juist nodig heeft om tot een betere bedrijfsvoering te komen. Dan zeg je feitelijk dat iemand wel een auto mag hebben, als er maar geen motor in zit. Daar kun je niet mee vooruit.”

Volgens Van den Brink houdt een generieke korting, zoals Van Aartsen die voor zich ziet niets meer en niet minder in dan een koude sanering. “Dan kun je als varkenshouder niets anders meer dan de overige 75 procent van je rechten verkopen, je schulden aflossen en de bijstand ingaan. Dat kun je in mijn ogen geen herstructurering noemen.”

Wat is volgens u de tactiek van de minister?

“Dat heeft hij mij nooit gezegd. Deze maatregel moet de sector zo diep verwonden dat alleen de sterksten overblijven, heb ik van zijn ambtenaren begrepen. Dat vind ik een immorele optie, maar zo heeft hij het zelf in elk geval nooit verwoord. Voor mij is wel duidelijk dat hij de varkenspest aangrijpt om de sector met een generieke korting te confronteren.”

Maar hoe komt de minister aan dat percentage van 25?

“Uit zijn brief begrijp ik dat die 25 procent niet het doel van de herstructurering moet dienen, maar dat daarmee het criterium van de Mineralennota wordt gehaald. Met andere woorden: de totale uitstoot van fosfaten door de varkensmest moet nog met een kwart - 14 miljoen kilo - omlaag, dus dat haal je mooi binnen als je de varkensstapel met een kwart terug brengt. De herstructureringsdoelstelling wordt zo ondergeschikt gemaakt aan de milieudoelstelling. Die volgorde vind ik onjuist, maar het is bovendien nogal simpel geredeneerd, want het ene varken produceert meer mest dan het andere. Dat is ook nogal logisch als je bedenkt dat een fokzeug 225 kilo weegt, een vleesvarken rond de 100 kilo en een big nog geen 20 kilo.

“Maar goed, dan zeg ik op mijn beurt: als 25 procent minder staarten voor niets anders dan een milieudoelstelling dient, kan het ook anders. Die doelstelling houdt in dat er nog eens 14 miljoen kilo minder fosfaat moet worden geproduceerd en er dus voortaan nog maximaal 44 miljoen kilogram op jaarbasis wordt geproduceerd. Die doelstelling kan echter ook worden gehaald met een inkrimping van 15 procent en een aantal eisen op het punt van de bedrijfsvoering dat aan de boer wordt gesteld. Dan moet je wel de totale varkenspopulatie veranderen: minder zeugen, dus minder biggen en meer vleesvarkens.

“Ik zou dus zeggen: iedere varkenshouder krijgt zijn rechten en vervolgens koopt de minister 15 procent van de totale rechten daarvan terug. Maar dan wel van die boeren die hun bedrijven willen beëindigen. En als die inkrimping met vijftien procent eenmaal is geslaagd, staat het varkenshouders vervolgens vrij die rechten onderling te verhandelen. Als je het zo wilt aanpakken heb je dus al een structuurverbetering onder handbereik.”

Hoeveel geld is daarvoor nodig?

“Ik schat tussen de 600 en 700 miljoen. De minister had al 475 miljoen gereserveerd voor het halen van de milieudoelstelling binnen de varkenssector. Nu zou dat bedrag volgens hem moeten worden aangewend voor sanering van de hele keten, maar dat is natuurlijk onzin. Je komt dus al met al nog een dikke honderd miljoen gulden tekort, maar wij - het bedrijfsleven - zijn bereid die bij te dragen. Goed, dan ben je d'r nog niet helemaal, maar misschien zou het een aardige geste zijn als de Rabobank zijn 'coöperatieve gezicht' eens zou laten zien in deze moeilijke periode. Dat zou zo gek nog niet zijn.”

En hoe zou het bedrijfsleven die 100 miljoen moeten opbrengen?

“Die bedrijven die na een krimp met 15 procent met een warme sanering overblijven, zouden daartoe in de vorm van zo'n bijdrage moeten worden aangeslagen. Het woord 'heffing' vermijd ik liever.

“Als je dit plan zo overziet, kun je concluderen dat de milieudoelstelling voor 100 procent wordt gehaald. Daarnaast kun je via de eisen die aan het verkrijgen van rechten worden gesteld bovendien 100 procent van je welzijns- en gezondheidseisen halen. Wat dan overblijft is de inkrimping die Van Aartsen wil. Die is dan weliswaar voor 60 procent gerealiseerd, maar daar staat tegenover dat je dan gezonde bedrijven over hebt en de werkgelegenheid hebt behouden. Dat laatste lijkt me ook niet onbelangrijk.”

Wat zal dan de omvang van een gezond bedrijf zijn?

“Als er in Nederland 15 procent minder varkens zijn moet een gezinsbedrijf het goed kunnen redden. Ik denk dan aan een bedrijf met man, vrouw en twee medewerkers. Hoeveel varkens er idealiter op zijn bedrijf zijn, laat ik even in het midden. Wat wel vaststaat is dat je enorme mammoetbedrijven krijgt als Van Aartsen zijn zin krijgt. Uitsluitend gigantische bio-industriële ondernemingen zullen dan overleven. En zoveel is zeker: dat zal de samenleving niet accepteren.”