Antillen onder één noemer

Leo Dalhuizen (red.): Geschiedenis van de Antillen. De Walburg Pers, 176 blz. ƒ 39,50

In de tijd dat Nederland noch Curaçao zich had neergelegd bij de optie dat Aruba een zelfstandige positie binnen het Koninkrijk zou gaan innemen, stelde de Antilliaanse premier Evertsz dat zes minus één nul zou zijn. Met andere woorden, wanneer Aruba de Nederlandse Antillen zou verlaten, zou het uiteenvallen van deze staatkundige constructie onvermijdelijk zijn. Dit argument legde echter onvoldoende gewicht in de schaal.

In 1986 verwierf Aruba, alle tegenwerking ten spijt, de felbegeerde status aparte, die uiteindelijk niet zou leiden tot de door Nederland bedongen onafhankelijkheid van het eiland, maar tot bevestiging van Aruba als zelfstandig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden. De overige vijf eilanden vormen samen nog immer de Nederlandse Antillen. Het is echter allerminst duidelijk of dit heterogene vijf-eilanden-land het op den duur zal houden. Er is nog altijd een gerede kans dat Evertsz' voorspelling zal uitkomen.

De achtergrond van Evertsz' rekensom was het idee, dat de eilanden zich veel minder met elkaar verbonden voelden dan men, vooral in Nederland, graag dacht. De stelling dat de Nederlandse Antillen slechts een fictieve eenheid vormen heeft inmiddels bijna de status van gemeenplaats bereikt. Wat de vijf, of vòòr 1986 zes, eilanden deelden, was voornamelijk een koloniale erfenis, resulterend in nog immer sterke, zij het niet altijd innige banden met Nederland. Overigens behoren zij, zo luidt de redenering, primair tot een Caraïbische cultuursfeer waarin zij vaak meer met andere (ei)landen in hun onmiddellijke omgeving gemeen hebben dan met elkaar.

Migratiestromen

Zo extreem ligt het in feite niet. Vooral de twintigste-eeuwse, nog steeds voortdurende, migratiestromen over en weer hebben de Antillianen nader tot elkaar gebracht. Toch kan niet worden ontkend dat de onderlinge verschillen groot zijn. De Bovenwindse Antillen (Sint-Maarten, Sint-Eustatius en Saba) liggen zo'n zeshonderd kilometer af van de Benedenwinden (Aruba, Bonaire en Curaçao). Er wordt Engels in plaats van Papiaments gesproken, de dominante religieuze tradities zijn er protestants in plaats van katholiek zoals op de Benedenwinden, men oriënteert zich op de Engelstalige omgeving, niet op Latijns-Amerika, en nog minder op Nederland. Het door de huidige Antilliaanse regering ter hand genomen project om de natievorming en het saamhorigheidsgevoel van de vijf eilanden te versterken, lijkt dan ook te stuiten op een grote mate van onverschilligheid, zoal niet regelrechte afwijzing.

Nog minder zijn Aruba en de overgebleven Antillen op één lijn te krijgen, als men dat al zou nastreven. De Benedenwinden zijn onderling niet slechts in staatkundige zin verdeeld; aan de afscheiding van Aruba lagen behalve politieke grieven ook vrij fundamentele etnische en culturele verschillen met Curaçao en Bonaire ten grondslag.

Hoe kan een omvattende geschiedenis worden geschreven van een groep eilanden die ieder een uniek verleden hebben en zichzelf nauwelijks als eenheid ervaren? Het kan haast niet anders of zo'n geschiedenis krijgt als rode draad de koloniale geschiedenis, waarbij dan steeds uitstapjes worden gemaakt naar de verschillende eilanden. Onvermijdelijk ligt daarbij de nadruk op Curaçao, op afstand gevolgd door Aruba en Sint-Maarten. Zo ook in Geschiedenis van de Antillen. Aan de andere eilanden wordt in dit boek minder, en vaak op niet geheel voor de hand liggende plaatsen aparte aandacht besteed. Ook de historiografie ontsnapt niet aan de in de loop der eeuwen door de onderhorigheden zo vaak verfoeide bevoordeling van de grote eilanden, Curaçao voorop.

Neutraal

De indeling van Geschiedenis van de Antillen is duidelijk. Na een aardige inleiding over bronnen en bronnengebruik volgen hoofdstukken over ecologie, indianen, slavenhandel en slavernij, blanke immigranten, het koloniale bestuur en de verhouding tot de directe omgeving. Daarna wordt de opzet wat verrassender, met hoofdstukken waarin het karakter van de Antillen, de Curaçaose opstand van mei 1969 en de onderlinge relaties tussen de eilanden aan de orde worden gesteld. Verrassende conclusies komen niet voor. Hete hangijzers als de hedendaagse bestuurlijke problematiek of de moeizame natievorming krijgen een neutrale behandeling, eerder wat besmuikt dan kritisch, maar de belangrijkste thema's komen goed naar voren.

Het laatste hoofdstuk, over de migratie naar Nederland, is weer beschrijvend van aard. Een zekere mate van overlapping en herhaling is bij deze indeling onvermijdelijk, maar bleef binnen de perken. Ook enkele storende omissies moeten waarschijnlijk worden verklaard uit de keuze voor een noch strikt chronologische, noch strikt thematische indeling. Zo worden veelvuldig bevolkingscijfers gegeven van de verschillende eilanden in uiteenlopende periodes, maar nergens is te vinden hoeveel inwoners Curaçao vandaag heeft. Als naslagwerk schiet het boek her en der tekort, temeer daar ook het register te wensen overlaat.

Geschiedenis van de Antillen is het werk van niet minder dan vier redacteuren, waarvan er drie tevens als auteur optreden. Bovendien werkten er nog eens elf andere auteurs aan mee. Dat uit het boek geen duidelijke visie op de Antilliaanse geschiedenis spreekt, en dat het niet erg prikkelt, laat staan provoceert, is gezien deze overvloed aan medewerkers geen wonder. Het is al bijzonder dat het boek goed leesbaar en gelijkmatig van stijl en toonzetting is; de redacteuren hebben hun werk serieus genomen. Geschiedenis van de Antillen is niet verrassend of vernieuwend, maar in algemene zin wel informatief, betrouwbaar, goed leesbaar en mooi geïllustreerd.