'Anderhalfverdieners' vormen het nieuwe standaardgezin; Vrouw worstelt met nieuwe rol

In de Nederlandse huishoudens heeft zich de afgelopen decennia een revolutie voltrokken. Het klassieke gezin is een minderheid geworden en het leven van vrouwen is drastisch veranderd.

ROTTERDAM, 12 SEPT. Wie plotseling zou worden gedropt in de wereld van Star Trek zou nauwelijks minder verbaasd zijn dan een moeder uit 1960 in de schoenen van haar hedendaagse evenknie. Er wacht haar een baan naast alle beslommeringen thuis, de kinderen luisteren nauwelijks meer, zitten zomaar aan de televisie, en dan begint manlief ineens te stofzuigen!

Het emancipatieproces heeft heel wat teweeggebracht en doet dat nog elke dag.

De veranderingen beginnen al op jonge leeftijd, zo valt te lezen in het laatste deel van de Sociale atlas van de vrouw van het Sociaal en Cultureel Planbureau dat deze week verscheen.

Meisjes en jongens raken eerder in elkaar geïnteresseerd, en die interesse krijgt eerder consequenties. Bij lager opgeleide meisjes, die niet zo veel uitzicht hebben op een prettige carrière, krijgen de eerste liefdesschermutselingen al snel het karakter van de speurtocht naar de ware Jacob. In het algemeen gaan meisjes jonger het ouderlijk huis uit dan jongens, en gaan ze vaak alleen wonen. Het alleen wonen van twintigers is een nieuw maatschappelijk verschijnsel, dertig jaar geleden kwam het vrijwel niet voor.

Vrouwen zijn tegenwoordig in even groten getale in het hoger onderwijs aanwezig als mannen. Mede daardoor is opleidingsniveau een belangrijker rol gaan spelen in de partnerkeuze. Soort zoekt soort - dat is altijd zo geweest, maar bij het bepalen van wat 'soort' is, speelt opleidingsniveau nu een dominante rol. Partners selecteren elkaar op zaken als culturele belangstelling, communicatievaardigheid en waardenoriëntaties. Al die zaken blijken nauw samen te hangen met het opleidingsniveau.

Daarnaast speelt de omgeving een rol. Lager opgeleiden verkeren in een 'gezelligheidscultuur', waarin de groep en met name de familie een belangrijke rol speelt. Het is belangrijk dat een vriendje daarin past, want hij moet veel tijd in die groep doorbrengen. Als hij niet goed valt in de groep, raakt het meestal uit. Hoger opgeleiden verlaten vaker op jonge leeftijd het huis, meestal om te gaan studeren. Zij leiden emotioneel maar vaak ook fysiek een veel individueler leven. Hun relaties zijn individueler van karakter. Onderlinge communicatie staat centraal. Jongens moeten kunnen praten, en liefst niet alleen maar over zichzelf.

'Definitieve' relaties worden steeds later gevormd, vooral bij hoger opgeleiden, en vooral in die maatschappelijke categorie worden kinderen steeds later geboren. Wie moeder wordt is gemiddeld 29 in Nederland, ouder dan waar ook ter wereld, maar hoger opgeleiden worden gemiddeld pas ruim na de dertigste verjaardag moeder. Dat hoger opgeleiden later kinderen krijgen dan lager opgeleiden doet zich in veel landen voor en het is doorgaans geheel verklaarbaar uit het verschil in opleidingsduur.

In Nederland is die verklaring echter niet toereikend: hoger opgeleiden wachten nog langer, en dat heeft alles te maken met de moeite die het kost om werk, huishouden en kind in één leven te verenigen. Institutioneel is Nederland nog altijd slecht ingesteld op werkende moeders.

Het klassieke Hollandse gezin van werkende man, huisvrouw en kinderen is een minderheid geworden, vooral doordat vrouwen blijven werken nadat ze zijn gaan samenwonen en/of getrouwd zijn (7 procent in 1960, 49 procent in 1992) en in toenemende mate ook nadat ze een kind hebben gekregen (negen procent eind jaren zeventig, nu meer dan veertig procent).

Het gaat hierbij vooral om hoger opgeleide vrouwen die in deeltijd gaan werken. Slechts drie procent van de moeders van jonge kinderen werkt fulltime. Voor zover er nog sprake is van een standaardgezin, is dat het gezin van de 'anderhalfverdieners': hij werkt fulltime, zij in deeltijd. Maar de standaard is minder dwingend dan die ooit geweest is, de variatie is groot.

Steeds meer vrouwen zien helemaal af van het krijgen van kinderen. Ook dit verschijnsel doet zich vooral voor onder hoger opgeleiden: een kwart van de hoger opgeleide vrouwen die nu in de dertig zijn, blijft kinderloos.

Hoewel mannen meer in het huishouden zijn gaan doen, nemen vrouwen nog altijd het leeuwendeel van klussen thuis voor hun rekening. Jonge moeders werken gemiddeld 58 uur per week, waarvan 8,5 uur in hun baan en de rest in het huishouden; jonge vaders werken 60 uur per week, waarvan 39,5 in hun baan. Gezien die belasting van vaders ligt het voor de hand dat een verdergaande herverdeling van het werk binnenshuis niet opschiet als er geen herverdeling van betaald werk komt.

Mannen en vrouwen verschillen niet alleen in de mate waarin zij in het huishouden iets doen, maar ook in wat ze doen. Mannen steken hun extra uren thuis met name in boodschappen doen, eten koken en dingen doen met de kinderen. Schoonmaken, wassen en kleren herstellen blijkt nog steeds vrouwenwerk te zijn. Voor zover mannen schoonmaken, doen ze dat vooral met de stofzuiger. Poetsen is beneden hun stand.

Opmerkelijk is dat ook in oudere huishoudens de taakverdeling is veranderd. Bij hedendaagse bejaarden doen mannen ook meer in huis dan twintig of dertig jaar geleden. Mannen 'mogen' ook meer in huis doen, van zichzelf - het beeld van wat een man nog kan doen zonder zijn mannelijkheid aan te tasten is veranderd - maar ook van hun vrouw.

De veranderingen die het emancipatieproces met zich meebrengen, hebben dus niet alleen invloed op het leven van nieuwe generaties, maar ook op degenen die al volwassen zijn. Dat proces is overigens nog in volle gang.

Uit enquêtes blijkt dat veel mensen een gelijkere taakverdeling in huis en in werk zouden willen dan ze kunnen realiseren. Dat dit nog niet lukt, hangt deels van de kracht van hun wensen af, maar ook van maatschappelijke omstandigheden als aanwezigheid van kinderopvang en de mogelijkheid om in deeltijd te werken.

Alles wijst erop dat de veranderingen op die fronten de komende decennia zullen doorgaan.