Wraak

Bertie moet hebben gevoeld dat ik hem afstotelijk vond, want hij nam radicaal en op het juiste moment wraak. Zijn zusje Mientje was mijn vriendinnetje en ze woonden vlak naast ons in de Zwartjanstraat, boven de winkel van hun vader, meneer Burgerhout, een donkere, zwijgzame man die zich in elektrische lampen en aanverwante artikelen had gespecialiseerd.

Aangezien hun huisdeur van 's morgens tot 's avonds op een kier stond - waarschijnlijk voor het geval dat meneer Burgerhout zijn vrouw wilde bereiken, die aan migraine leed en de lampenkappen voor zijn winkel vervaardigde - kon ik er zonder aan te bellen naar boven lopen.

Buiten de uren die ik op de bewaarschool doorbracht, deed ik dit geregeld, omdat ik behoefte had aan het gezelschap van andere kinderen en Mientje slechts een enkele keer bij mij kwam. Ook mocht zij niet op straat spelen, daar zij zich met haar jongere broertje moest bezighouden, dat 'ongelukkig' was en nooit de etage verliet, waar hij met stijve bruinleren kappen om zijn schriele benen onzeker rondstuntelde terwijl zijn hoekige lijf grotesk van rechts naar links zwaaide en zijn armen als stuurloos fladderende vleugels krampachtig op en neer bewogen. Het was een afschuwelijke vertoning, waar ik niet aan kon wennen, evenmin als aan zijn halfopen nattige mond en abnormaal rode wangen, die hem iets van een lilliputachtige clown gaven. In plaats van medelijden met hem te hebben, wat mijn moeder me voorhield, probeerde ik mijn weerzin tegen hem zo goed mogelijk te verbergen. Toch moet hij hebben gemerkt dat ik iedere aanraking met hem vermeed en zijn aanwezigheid negeerde door mijn aandacht uitsluitend op Mientje te richten wanneer we ons in de schaars gemeubelde woonkamer vermaakten, waar een piano stond die nooit werd gebruikt en waar zich het eigenaardige verschijnsel voordeed dat er altijd een aanzienlijke hoeveelheid centen over het vloerkleed verspreid lag.

Bovendien was Bertie helemaal niet aardig. Zo moest hij altijd zijn zin hebben,en kreeg hij die niet, dan had hij de vreemde gewoonte je recht in je gezicht te spuwen. Het heeft me dan ook steeds een zekere voldoening gegeven wanneer Mientje en ik ons spel met hem plotseling afbraken en zonder ons verder om hem te bekommeren opgewonden de trap afrenden bij de nadering van een begrafenisstoet - je hoorde het aan de trage paardehoeven op het plaveisel - die, als we geluk hadden, stilhield bij een huis in de Zwartjanstraat, waar we griezelend bleven wachten tot de doodkist naar buiten kwam en naar een zwart omfloerste koets met zwart bepluimde en beklede paarden werd gedragen; of wanneer er 's zomers een sproeiwagen langsreed waardoor we ons nat lieten spuiten, of de brandweer, angstaanjagend luid bellend en gevolgd door een ratelende kar met ladders die door een stel hijgende en zwetende mannen werd voortgeduwd en waar we, hopend dat de brand in de buurt zou zijn, tot de Burgemeester Roosstraat of de Zegwaardstraat achteraan holden; of wanneer we uit de ijswagen die eens per week de slagerijen in de straat van ijs voorzag de afgebrokkelde stukjes ijs weggristen zodra de man met de jutezak over zijn hoofd en schouders met een lange staaf ijs in de winkel was verdwenen.

Dit alles heeft Bertie ongetwijfeld niet kunnen uitstaan (vooral niet van mij), en doordat Mevrouw Burgerhout, wier weelderige rossige haar in een uitgezakte wrong in haar nek hing, zich zelden in de voorkamer vertoonde en zich de hele dag met haar migraine en haar lampenkappen in het achtervertrek ophield, heeft zij nooit geweten hoe Bertie mij mijn laakbare houding betaald heeft gezet.

Ik was tussen de middag nog even naar Mientje gegaan en we hadden mutsen van krantenpaper gevouwen, die we op ons hoofd zetten. Als eerste beklom Mientje de pianokruk om het resultaat in de grote spiegel boven de schoorsteen te bekijken.

Daarna was ik aan de beurt; maar nauwelijks stond ik tegenover mijn spiegelbeeld of Bertie gaf me een duw, en in een flits zag ik zijn gezicht triomfantelijk oplichten, terwijl ik achteroverviel en de bons hoorde waarmee mijn hoofd op de klep van de piano sloeg. Het geluid resoneerde in het binnenste van het instrument, dat zacht kreunde, en toen ik mijn ogen opende - misschien ben ik een paar tellen buiten bewustzijn geweest - lag ik op de grond met de gekantelde kruk naast me.

Plotseling besefte ik wat Bertie had gedaan en begon ik van pijn en schrik, en alsnog van woede, te brullen; tot mevrouw Burgerhout, met een centimeter als een geelgevlekte slang kronkelend om haar hals, in mijn blikveld verscheen en ik abrupt verstomde. Zonder te informeren wat zich had afgespeeld wees zij met een bezwerend gebaar naar de deur en sprak: “Ga naar je moeder”. Opkrabbelend ontwaarde ik Mientje en Bertie die zich doodstil achter een crapaud bij het raam schuilhielden, en terwijl ik werktuiglijk de richting van mevrouw Burgerhouts gebiedende vinger volgde, liep ik versuft naar beneden.

Bang voor een standje zei ik niets tegen mijn moeder, die, mopperend dat ik weer te lang bij de buren was gebleven, aan een gedeeltelijk gedekte tafel op me zat te wachten, en met een loodzware dofheid in mijn hoofd en een opkomende misselijkheid onderdrukkend, slikte ik gehoorzaam, om mezelf niet te verraden, de met suiker bestrooide partjes brood en de lauwe melk naar binnen. 's Middags gaf ik midden in de klas van de bewaarschool over - een golf gele brij, die zich met geweld een weg naar mijn keel baande en de half afgemaakte figuur van ijzeren ringen op mijn lessenaar bedekte.

Juffrouw Annie, de kwekelinge, dweilde het allemaal op en maakte met een spons mijn jurk schoon, waaruit een zurige lucht opsteeg. Vervolgens bracht ze mij naar huis, waar ze mij in het portaal afleverde en ik, eenmaal boven, mijn moeder wel moest vertellen wat er bij Mientje was voorgevallen. “Dat komt ervan als je altijd bij andere mensen wil zijn! Blijf bij je moeder, daar ben je veilig!”, riep ze verwijtend uit, en ze legde me met een kussen onder mijn kloppend hoofd op twee tegen elkaar geplaatste stoelen, waar ik uren moet hebben gelegen. Achter mijn gesloten oogleden schoof telkens het triomfantelijke gezicht van Bertie voorbij, en wel honderdmaal hoorde ik de klap op de piano, terwijl ik steeds weer opnieuw in een duizelingwekkend zwart gat tuimelde.

De volgende ochtend ging ik met een grote, gloeiende bult onder mijn haar weer gewoon naar school, en het heeft weken geduurd voor ik weer bij Mientje mocht spelen. Van Bertie had ik niets meer te vrezen, want hij is korte tijd later opeens doodgegaan.