Voor christenen, tegen christen-democraten

Een kabinet zonder christen-democraten ontpopte zich niet als een kabinet van heidenen. Maar de macht van het CDA werd stilaan gebroken, in diverse geledingen van de maatschappij.

KERKVERVOLGINGEN zijn uitgebleven, de christenen zijn niet voor de leeuwen geworpen. Integendeel, het eerste kabinet sinds 1918 zonder christen-democraten maar mèt hervormde gelovigen als minister Pronk en staatssecretaris Schmitz en doopsgezinden als minister Jorritsma had juist enkele aardige verrassingen in petto voor het christelijk volksdeel.

De premier zelf ontving met veel égards de Bredase bisschop Muskens op het Torentje, nadat de prelaat de schaduwzijden van het poldermodel onder de aandacht had gebracht. Minister Zalm (Financiën) zorgde ervoor dat in 2002, bij de invoering van de nieuwe Europese munt, God niet alleen met ons zal zijn, maar ook met de Europese Unie. En volgende week zal koningin Beatrix opnieuw Gods zegen toewensen aan de Kamers der Staten-Generaal en aan het kabinet.

De priester/kunsthistoricus Antoine Bodar voorspelde het drie jaar geleden al: paars waagt zich niet aan een cultuurstrijd met het christendom. “Ik ga ervan uit dat paarse mensen een plaatsje voor het christendom willen inruimen”, zei hij bij het aantreden van de nieuwe coalitie in 1994. “Misschien dat de christelijke erfenis zelfs in betere handen is bij mensen als Kok en Schmitz dan bij het CDA.”

Drie jaar later zegt Bodar: “Ik hou die uitspraak staande. Door het goede voorbeeld te geven, moeten heidenen - en ik bedoel die term allervriendelijkst - soms christenen bekeren in plaats van andersom.” Paars stelde Bodar daarin niet teleur, al was hij wel onaangenaam verrast toen premier Kok augustus 1994 cameraploegen toeliet om de ontmanteling van het kruisbeeld in zijn werkkamer te registeren dat zijn voorganger Lubbers had opgehangen. “Maar afgezien daarvan: paars heeft een frisse wind door de politiek laten waaien. Het was goed dat de christen-democratie in 1994 uit het centrum van de macht verdween, want ze had daar veel te lang gezeten. Ik hoop van ganser harte dat het CDA volgend jaar weer in de oppositie terechtkomt.”

Waarom was paars aardig voor christelijk Nederland? Om een voorschot te nemen op een eventuele terugkeer van het CDA naar de macht? Of was het juist om de christenen (verder) los te weken van hun politieke representant? Het zijn moeilijk te beantwoorden vragen, maar een enkel ding staat vast.

In de eerste plaats kon de huidige coalitie eigenlijk moeilijk anders, omdat de christen-democratie het land had achtergelaten als de - in zedelijk en medisch-ethisch opzicht - meest libertaire natie op aarde. De relatief vrije abortuspraktijk, het liberale euthanasie-beleid, het gedogen van drugsgebruik, de keurige inrichting van de tippelzones - kon het allemaal nog paarser? Het enige dat de huidige coalitie daaraan had toe te voegen was een liberaal beleid inzake medisch-wetenschappelijk onderzoek, zoals de gen-therapie. Paars was hier paars door eenvoudigweg niets te doen.

Ten tweede kwam de vriendelijkheid voort uit innerlijke politieke zwakte van de coalitie. Paars pretendeerde met een eigen filosofie te komen, het primaat van de politiek. Dat gedachtengoed bleek in 1994 al snel zijn beperkingen te hebben. De coalitie ontdekte dat het land niet louter te besturen valt vanuit Den Haag, maar dat maatschappelijke organisaties daarbij een nuttige rol kunnen vervullen. Christelijke organisaties in het sociaal-economisch middenveld, zoals het CNV, die aanvankelijk bij paars in het verdomhoekje zaten, werden steeds meer geraadpleegd.

Ten slotte was de beleefde benadering van het christelijk volksdeel een kwestie van loutering. In de jaren zeventig waren socialisten als Den Uyl, ex-premier, en Van Kemenade, ex-minister van Onderwijs, met hun polariserende koers stukgelopen op het verzet van christen-democraten en christelijk middenveld. Den Uyl had zich met het schrappen van de bede uit de troonrede de gramschap van zijn christelijke coalitiegenoten KVP en ARP op de hals gehaald. Van Kemenade zag zijn middenschool-revolutie mislukken, onder meer als gevolg van geharnast verzet van de koepels in het bijzonder onderwijs.

De sociaal-democraten van de jaren negentig gooiden het dan ook over een geheel andere boeg. Voormalig staatssecretaris Wallage, die zichzelf als Van Kemenade's leerling beschouwt, ontwikkelde in de voorgaande kabinetsperiode een 'inpak-politiek' waarbij hij het CDA met veel stroop en zoete woorden voor de invoering van de basisvorming wist te winnen. Zijn opvolger, Netelenbos, die zich niet als leerling van Wallage beschouwt maar dat wel een beetje is, koos voor de kousenvoeten-benadering. Waar het om de positie van bijzonder onderwijs ging, nam ze deze kabinetsperiode vooral kleine maatregeltjes: een schaalvergrotinkje hier, een ander financierinkje ten nadele van bijzondere scholen daar; een beetje meer gemeentelijke invloed hier, een beetje minder overleg met het bijzonder onderwijs daar. Allemaal stapjes die voor christelijke schoolbestuurders te klein en te onaanzienlijk zijn om te hoop tegen te lopen, maar die als optelsom misschien toch gevaarlijk kunnen zijn voor het bijzonder onderwijs.

De sluip-strategie viel overigens bijna in duigen toen collega Dijkstal van Binnenlandse Zaken op een middag in 1995 uit de losse pols met enkele uitspraken de discussie over de grondwettelijke verankering van de vrijheid van bijzonder onderwijs heropende. Alsof in een kippenhok het licht werd aangedaan, zo fel waren de reacties op zijn paarse oprisping. Het parlementaire huis was te klein, een spoeddebat volgde, en Netelenbos reageerde binnenskamers zo woedend op Dijkstal dat de minister daarna niet meer op zijn revolutionaire opmerkingen is teruggekomen. “Je kunt echt niet zeggen dat dit eerste kabinet zonder christen-democraten het bijzonder onderwijs aan het afschaffen is”, concludeerde CDA-onderwijswoordvoerder Van de Camp dan ook.

Niet elke paarse bewindspersoon hoefde zo omzichtig te opereren ten opzichte van christelijke bolwerken als Netelenbos. Waar de verdedigingslinies door secularisatie, commercialisering en andere maatschappelijke ontwikkelingen waren verzwakt en christelijke organisaties waren opgegaan in algemene, kon de coalitie veel meer van haar ware, paarse gezicht laten zien.

Minister Wijers had nooit met zijn nieuwe winkeltijdenwet - cause célèbre van paars - kunnen komen als het christelijk middenstandsfront niet was aangetast door fusies en schaalvergroting. De liberale bewindsman van Landbouw, Van Aartsen, kon het zich bij zijn ingrepen in de landbouw en veeteelt veroorloven een politiek van benign neglect te volgen tegenover de christelijke boerenbelangen. De weinige christelijke en katholieke boeren- en tuindersbonden die nog over zijn, hadden te veel hun eigen problemen om uit te groeien tot een tegenstander van formaat.

Ook de verzuilde omroeporganisaties en de zogenoemde medefinancieringsorganisaties in de ontwikkelingshulp voelden een nieuwe, wat kille wind uit Den Haag waaien. Op media-terrein waren het 'de drie paarse dames', zoals de mediawoordvoerders van de coalitie in christelijke kring met een mengeling van vrees en afschuw worden genoemd, die de NCRV en KRO lastig vielen. De Kamerleden Van Zuijlen (PvdA), Van Heemskerck (VVD) en De Koning (D66) verzwakten, samen met staatssecretaris Nuis, de positie de verzuilde omroepen door de instelling van een nieuw onafhankelijk, omroepbestuur met 'netmanagers'. De verplichting voor diezelfde omroepen om meer programma's bij commerciële programmamakers als Joop van den Ende aan te besteden, werd in verzuild Hilversum evenmin met gejuich ontvangen. Bij de NCRV wordt gesproken van “paars revanchisme nu het CDA niet meer meedoet”.

Een ander vrouwelijk trio - de Kamerleden Verspaget (PvdA), Van der Stoel (VVD) en Roethof (D66) - nam de christelijke medefinancieringsorganisaties op de korrel. Organisaties als ICCO en Bilance (voorheen Cebemo) moesten subsidies inleveren ten gunste van het humanistische HIVOS en de neutrale NOVIB.

Een vijfde, laatste front waar paars zijn invloed duidelijk markeerde, betreft de voormalige core business van het CDA: het besturen. De nieuwe machthebbers lijken goed begrepen te hebben dat verkiezingen steeds minder een kwestie zijn van een keuze tussen beleidsalternatieven, en steeds meer een roulatie-moment voor politieke elites. Waar ze in politieke benoemingen konden ingrijpen, greep de huidige coalitie haar kans, zonder dat dit overigens op regelrecht revanchisme uitdraaide. Het huidige aantal CDA'ers op prominente bestuurlijke posities correspondeert aardig met hun status van tweede, en vanaf mei 1998 waarschijnlijk derde politieke stroming van het land.

Sedert 1994 verloor het CDA het vice-presidentschap van de Raad van State aan de PvdA, en het voorzitterschap van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid aan D66. Ambtelijke topposities op de departementen van Algemene Zaken en VWS moest het CDA ook bij paars inleveren. De partij kreunde hoorbaar na het verloren gaan van het burgemeesterschap van Tilburg, waardoor de PvdA de grootste partij werd in burgemeestersland (gemeten naar het aantal inwoners). Later dit jaar zal het CDA de post van commissaris van de koningin in Utrecht nog verliezen.

Al deze verschuivingen betekenen een verdere aantasting van het CDA als bestuurderspartij. Ze scheppen een vacuüm dat vooral door de PvdA is opgevuld. Ze helpen de sociaal-democratie zich verder te nestelen in de belangrijkste bestuurlijke netwerken van Nederland. Mede door het succesvolle premierschap van partijleider Kok heeft de partij daardoor een spilpositie verworven in het politiek bestel die enigszins doet denken aan die van de KVP in de jaren vijftig en van het CDA in de jaren tachtig: in ideologisch opzicht aanmerkelijk bleker dan in machtspolitiek opzicht. Het zou tevens de karakterisering van paars kunnen zijn.