Sociale atlas van de vrouw: Alleenstaande ouders worden zeldzamer

ROTTERDAM, 11 SEPT. Het aantal eenoudergezinnen in Nederland neemt gestaag af, dit in tegenstelling tot wat lang is voorspeld. Dat blijkt uit het vierde en laatste deel van de Sociale atlas van de vrouw, een uitgave van het Sociaal en Cultureel Planbureau die vandaag is verschenen.

Toen begin jaren zeventig het aantal echtscheidingen snel toenam, nam het aantal eenoudergezinnen in hoog tempo toe, van iets meer dan 100.000 in 1971 tot ruim 200.000 in 1986. Sinds dat jaar daalt het aantal eenoudergezinnen. Ook dat hangt weer samen met het toegenomen aantal echtscheidingen. Doordat er meer gescheiden mannen beschikbaar zijn, neemt de kans om te hertrouwen toe voor gescheiden moeders en weduwen met kinderen.

In twintig à dertig jaar is er in het dagelijks leven van vrouwen veel veranderd, zo blijkt uit het laatste deel van de atlas. Studeren is voor vrouwen even normaal geworden als voor mannen, een baan in toenemende mate ook, zij het veelal in deeltijd. De standaardlevensloop van verloven, trouwen, kinderen krijgen is ingeruild voor een veelkleurig palet aan mogelijke levenslopen. Daarbij zijn nieuwe verschijnselen ontstaan, zoals alleenwonende twintigers, werkende jonge moeders en eten kokende vaders. In de eerdere atlasdelen stonden respectievelijk gezondheid, arbeid en allochtonen centraal.

De veranderingen in het privé-leven van mensen blijken sneller te gaan dan maatschappelijke instituties kunnen bijbenen. Nederland is slecht ingesteld op gezinnen waarin beide partners werken. Er is veel te weinig kinderopvang en het is bij veel werkgevers lastig om in deeltijd te werken, met name voor mannen. De lange werkweken van mannen belemmeren in belangrijke mate een gelijkere taakverdeling in het huishouden. 'Echte' tweeverdieners die allebei full time werken - dubbelverdieners heten ze in de atlas - hebben doorgaans (nog) geen kinderen.

De atlas bevat weinig gegevens over de vroege socialisatie. Wel blijkt er de afgelopen decennia ook bij twaalfjarigen heel wat veranderd te zijn. Zo werken meisjes van twaalf tot achttien negen uur per week minder in het huishouden dan in 1975. Bij jongens is er in dit opzicht weinig veranderd, die deden al niet zoveel. De tijdwinst besteden meisjes vooral aan onderwijs. De traditionele onderwijsachterstand is ingelopen en meer dan dat: meisjes besteden nu meer tijd aan onderwijs dan jongens.

De gemiddelde leeftijd waarop jongeren het ouderlijk huis verlaten is sinds het begin van de jaren tachtig iets gestegen. Veertig procent van de achttienjarigen heeft een vaste vriend of vriendin, die meestal wel thuis mag blijven slapen. De financiële positie van jongeren is verslechterd, de verhouding met de ouders verbeterd, en door de kleinere gezinnen is er meer ruimte in huis. Maar verhalen van een 'Pamper-generatie' die het in 'Hotel Mama' wel best vindt, acht de auteur van de atlas overdreven.