Ozonlaag boven Nederland herstelt zich nog niet

ROTTERDAM, 11 SEPT. Van een feitelijk herstel van de ozonlaag boven Nederland en België is nog geen sprake, al is op theoretische grond aannemelijk dat de ozonlaag zich zal herstellen. Dit schrijven het Nederlandse KNMI en RIVM en het Belgische KMI in een vandaag uitgebracht onderzoek.

De afgelopen twee jaar werden in het voorjaar hoeveelheden ozon boven Nederland en België gemeten, die uitzonderlijk laag waren voor de tijd van het jaar. Op grond van deze ongunstige trend nemen de onderzoekers aan dat de menselijke belasting met ultraviolette straling de afgelopen vijftien jaar met circa 10 à 15 procent is toegenomen.

De onverwacht lage ozonwaarden in het voorjaar worden voor een belangrijk deel toegeschreven aan de versterkte afbraak van ozon boven de noordpool. Deze zou samenhangen met de extreem lage temperaturen die daar de afgelopen jaren in de lagere stratosfeer (de plaats waar de ozonlaag zich bevindt) in de winter worden bereikt - lager dan voorheen. Wanneer in het voorjaar de ozonarme lucht naar lagere breedten stroomt, daalt ook daar het ozongehalte.

De concentratie van enkele cfk's, die de ozon aantasten, begint in de troposfeer inmiddels meetbaar te dalen. Als deze cfk's - die tot voor kort als koel- en blaasmiddel werden gebruikt - in overeenstemming met internationale afspraken uit productie gaan, kan de ozonlaag zich herstellen. De troposfeer is de onderste luchtlaag in de atmosfeer die zich uitstrekt tot 10 à 20 kilometer hoogte en daar overgaat in de stratosfeer. Naar verwachting zullen binnen een paar jaar ook de cfk-concentraties in de stratosfeer teruglopen. Volledig herstel van de ozonlaag kan dan nog wel een halve tot een hele eeuw uitblijven.

Op dit moment is van een herstel weinig te merken. Na 1991 is juist een versnelde teruggang in de dikte van de ozonlaag boven de gematigde breedte op het noordelijk halfrond waargenomen. Deze teruggang wordt grotendeels toegeschreven aan de uitbarsting van de Filippijnse vulkaan Pinatubo in de zomer van 1991. Deze bracht veel sulfaatdruppels in de stratosfeer waaraan versnelde ozonafbraak plaatsvindt. Toen in 1994 het vulkaanstof was verdwenen, leek weer een normale 'ozonsituatie' op te treden. Maar daarna trad onverwacht een sterk verlies aan ozon in het voorjaar op, waarschijnlijk samenhangend met ozonafbraak boven de noordpool. De laatste jaren ontstaan daar in de stratosfeer gedurende de winters condities, vergelijkbaar met de omstandigheden die boven de zuidpool het berucht 'ozongat' hebben doen ontstaan.