Opkomst van de eliminatiegeneratie

Jongeren van vandaag hebben maatschappelijke waarden ingeruild voor materiële waarden. Ze zijn van egocentrisch meer egoïstisch geworden en conformeren zich minder aan 'aangeharkt' Nederland. Een moeder: “Een aussi is zo gek nog niet. Mijn zoon heeft maar één set kleren nodig.”

ALMERE/AMSTERDAM, 11 SEPT. Twee frisgewassen jongetjes sjezen op hun mountainbikes de Kruidenwijk in Almere door. De wipkippen langs, de brug over en voorbij een haveloze container op een veld vol distels en hondendrollen. Het gevaarte is maandag door het stadhuis aangewezen als 'jongeren ontmoetingsplaats' (jop), bedoeld voor rondlummelende kinderen die de wijk overlast bezorgen.

Maar jongeren zijn er niet te bekennen. “Een junkenhol”, snuift Jacco (11) op zijn fiets. “Wat valt daar nou te lachen?” Ook een clubje zestien-jarigen verkiest een verderop gelegen viaduct boven de opengewerkte donkerrode zeecontainer. “Die container is zo sloom”, vindt Gregory (16, Mavo 3), zuigend aan zijn blow. Niks te gluren, niemand te vinden. En vooral: alsof je lol kunt maken op bevel van de gemeente. “Wat een duffe sufkutten.”

'Jongeren op afstand' heet de generatie 1997 in een vandaag gepresenteerd tweejaarlijks onderzoek onder 3.155 jongeren van 6 tot en met 24 jaar van bureau Inter/View. Jongeren zijn in 1997 moeilijker te bereiken voor bedrijven, politici, leraren èn ouders dan in 1995, 1993 en 1991. Ze zijn van egocentrisch meer egoïstisch geworden en conformeren zich steeds minder aan het 'aangeharkte' Nederland. Hun leven draait om lol maken, van niemand afhankelijk zijn en geld verdienen - in die volgorde. Niet als hebberige yuppies, maar als calculerende hedonisten met een opmerkelijke hang naar een gelukkig gezinsleven, mogelijk omdat ze vaker opgroeien in incomplete gezinnen. Of zoals de onderzoekers Paul Sikkema en en Bart van Kuijk zeggen: “Dit is een eliminatie-generatie die zich afsluit van wat in hun ogen rubbish is. Ze zien hun leven steeds meer als een lolletje.”

Hun bevindingen ilustreren de verwijdering tussen de jongeren en de rest van Nederland. Studie en een leidinggevende baan raken uit - te inspannend. De bereidheid om hard te werken neemt af, evenals de maatschappelijke inzet voor een schoon milieu en een samenleving waarin iedereen kan meebelissen. Anders dan hun ouders hebben de ondervraagden van informatiestress geen last. Zo weet acht op de tien kinderen tussen de zes en twaalf jaar niet wat Internet is en kijkt negen procent van de twaalf tot twintig-jarigen naar tv-reclame (tegen 48 procent in 1991). De roep om strengere regels voor tabaksreclame zwelt aan: 61 procent van de jongeren van dertien tot en met negentien jaar wil een beperking of verbod.

Intussen bereikt de belangstelling voor politiek een dieptepunt. Van de vijftien- tot twintig-jarigen is 18 procent in politiek geïnteresseerd. En als er per se moet worden gestemd, prefereert een meerderheid de VVD - een partij die in 1995 nog voorbij werd gestreefd door PvdA (eerste plaats) en CDA (tweede). Redenen: de liberalen stellen zich het meest op als consumentenplatform met duidelijke en herkenbare thema's. Ook de jongeren vinden Nederland vol en onveiligheid beperkt hen maar hinderlijk op straat.

Het meest in het oog springende voorbeeld van de groeiende afstand tussen jongeren en de rest van Nederland in het onderzoek is de 'gabber'. Liefst 27 procent van de ondervraagden afficheert zich zo. Gabbers hebben daarmee niet alleen na zes jaar de onder jongeren favoriete Top 40-muziek van de troon gestoten, ook hun leefwijze is erop afgestemd. Extreme muziek met tenminste 180 beats per minuut, extreme haardracht, extreem drugsgebruik en weekeinden lang non stop feesten. De gabber-cultuur is sterker dan ooit een jeugdcultuur met een eigen karakter, analyseert veldwerker Van Kuijk. Geen recycled maar een origineel product dat ver van ouders, leraren, bedrijven en politiek afstaat. “Die afstand is voor buitenstaanders bijzonder moeilijk te overbruggen. Pas nu krijgen platenmaatschappijen er met 'Gabber Piet' een beetje grip op. En daarmee lijkt direct het einde ingeluid van een eigenzinnige jeugdcultuur.”

Verklaringen voor het ontstaan van het jeugdige hedonisme en materialisme liggen voor de hand, menen de onderzoekers. Dat zie je wel vaker in een tijd van economische welvaart en dalende werkloosheid. In 1995, bijvoorbeeld, vonden jongeren moeilijker een baan. Nu beseffen jongeren dat er om hen gevochten gaat worden, vertelt Sikkema, waardoor enerzijds hun verwachtingen hoger worden en anderzijds hun bereidheid zich in te spannen afneemt. Het meest onthullend vond de onderzoeker in dit verband zijn gesprek met Danny en Danny, twee laagopgeleide jongens van vijftien uit Amsterdam. Danny I had zijn schooltijd “ingekort” in ruil voor extra uurtjes in de coffeeshop - “dat was pas echt leven”. En Danny II ging helemaal niet meer naar school, want hij verdiende zijn geld op de wietplantage van zijn broer. Sikkema: “Hun ouders interesseerde het geen snars. Die maakten vrij baan voor het adagium van jongeren: 'werken moet, thuiszitten is slecht'. Tenzij anderen voor jou werken en de belastingdienst je met rust laat.”

Opvallend is ook dat ouders zelf met een calculerende houding kunnen bijdragen aan de afstand tot hun kinderen. Zo vertelt een moeder dat ze haar zoon in eerste instantie verbood een aussie te dragen. Wie betaalt er nou 300 gulden voor een trainingspak? Maar omdat hij bleef zeuren, draagt de jongen nu toch een aussie, dag in dag uit. Zijn moeder: “En 't is zo gek nog niet. Een keer per week wast hij hem 's avonds zodat het pak de volgende morgen weer droog is. Zo heeft hij maar één set kleren nodig! Hij draagt er een gouden ketting op. Althans dat denkt hij. Ik heb het ding voor 49 gulden bij de Konmar gekocht.”

De vraag rijst hoe de groeiende kloof te overbruggen is. De onderzoekers zuchten. Een moeilijke opgave, erkennen ze. Ouders kunnen niet anders dan een nieuwe, meer herkenbare jeugdcultuur afwachten, denkt veldwerker Van Kuijk. Nu vindt een meerderheid hun ouders “behoorlijk anders”, al kun je thuis prima wonen en ouders goed advies vragen én geven (liefst 45 procent beslist mee over de aankoop van een personal computer, 17 procent over het type auto). Bedrijven en beleidsmakers dienen in de ogen van Sikkema niet meer op de me too-emotie spelen, maar levendige produkten te bieden waaruit direct blijkt: what's in it for me. En leraren kunnen de motivatie van leerlingen stimuleren door meer nadruk te leggen op actualiteit en meer oog te krijgen voor de korte concentratieboog van jongeren en variëteit in onderwijsvormen. Sikkema: “Jongeren vertellen ons dat ze best op school willen leren, maar vooral niet erbuiten. Dus geen huiswerk. Omgekeerd vinden ze wel dat een school een zieke leraar direct moet vervangen.”

Nog één ding. Gloort er hoop voor het verloren jop in Almere? Ja. De ervaringen op het Joubertplein in Amsterdam-Oost stemmen hoopvol. Het pleintje, ooit een geliefde plek voor rondlummelende jongeren, werd geadopteerd door Nike in het kader van een uit Amerika overgewaaid project met het motto participate in the lifes of american youth en is omgetoverd tot een gekooid multifunctioneel sportveld annex hangplek. Vorig jaar werd het onder grote belangstelling 'geopend' door AC Milan-speler Edgar Davids die er zelf leerde voetballen. “Een gouden zet”, zegt het hoofd sportzaken Adriaen de Haer. “Met sport voorkom je een groot deel van de overlast door jongeren.”

Het is even na zessen als veertig jongens op het plein vechtend achter een voetbal aanrennen. Heen en weer over de rood-wit-blauwe sportvloer met twee basketbalvelden en een voetbalveld. Op de baskets prijkt net als de vloer het Nike-vignet. “Nike” wijst Bianca (15). Alsof ze willen zeggen: kijk, zo 'ok' ben ik. Dan blaast ze op haar fluit. “Zwart heeft gewonnen, bruin verloren.” De jongens stuiven uiteen, weg van het plein. “Kom op, opschieten. We moeten thuis eten. Anders wordt mijn moeder kwaad.”