Nomen est women

Onlangs las ik in een stuk van iemand die een onaangename ervaring probeerde te omschrijven, het was alsof hij ontdekte dat hij twee schoonmoeders had. Het duurde enige tijd voor tot mij doordrong wat de schrijver hiermee bedoelde. Zozeer is de schoonmoeder kennelijk uit mijn - en ik denk uit veler - wereldbeeld verdwenen. Vroeger was zij een legendarische figuur, die in geen enkele humoristische schets of komische revue mocht ontbreken.

Ook in de literatuur was de schoonmoeder prominent aanwezig. Beroemd is mevrouw Dorre, de schoonmoeder van Godfried Bomans' schepping Pieter Bas, die na diens huwelijk met de lieftallige Catharina enige tijd bij de jonggetrouwden intrekt om hun huis op orde te brengen. Het wordt geen succes, want het huishouden loopt niet zoals het volgens mevrouw Dorre behoort te lopen. De jonggetrouwden verliezen door haar aanwezigheid al snel alle vreugde in hun nieuwe bestaan en er is ten slotte geen andere oplossing dan dat Rob Delsing, Pieter Bas' oude vriend, een ernstig gesprek met haar heeft. “Zij vertrok dienzelfde avond nog. Catharina kreeg een zoen, ik een knikje, de voordeur een geweldige slag”, aldus Pieter Bas' verslag van de episode.

De schoonmoeder was een algemeen gevreesd verschijnsel. Alleen Italië, zo lezen wij bij de onvergetelijke Van Egeraat, was in dit opzicht een uitzondering. “Grappen op schoonmoeders zijn zeldzaam”, zo liet hij niet na in zijn reisgids te vermelden, hetgeen waarschijnlijk meer dan wat ook bewijst hoe gebruikelijk zij elders waren. Wie immers zou nu nog aan zo'n waarschuwing voor de toerist denken?

De schoonmoeder moge de meest gevreesde der vrouwen zijn geweest, er waren er meer. De wereldliteratuur staat vol met vrouwonvriendelijke frasen. “Frailty, thy name is woman”, zegt Hamlet in het gelijknamige, zeer vrouwvijandige stuk van Shakespeare. “Ga dan niet ver van huis / en weer vooral ook het gespuis van vrouwen / buiten uw hart, weer het al uit uw kamer”, dichtte Marsman in 'De grijsaard en de jongeling'. “Eén vrouw is duizend mannen te erg”, zei Vondel al. En zo kan men doorgaan.

Interessanter is wellicht te bedenken dat dit niet slechts incidentele uitingen van mauvaise humeur of literaire vrijheden zijn, maar dat er een hele intellectuele en culturele traditie aan ten grondslag ligt. Iedere gymnasiast leerde reeds vroeg het bekende woord van Vergilius over de grilligheid en veranderlijkheid van de vrouw: “Varium et mutabile semper femina”. Gevorderden kenden ook Aristoteles' Historia animalium, waarin deze denker over de vrouw opmerkt dat zij afgunstiger en onbetrouwbaarder is dan de man en meer geneigd tot klagen, schelden en wanhopen. De wijsgeer vermeldt overigens ook enkele positieve eigenschappen van de vrouw. Van Plato is de uitspraak bekend dat hij blij was niet als slaaf en niet als vrouw te zijn geboren.

Ook de kerkvaders wisten er raad mee. Misschien heeft Simone de Beauvoir in Le deuxième sexe hun uitspraken ietwat overdreven en bij de interpretatie ervan een aantal fouten gemaakt, maar de strekking van hun uitspraken is onmiskenbaar. Wie als bezwaar tegen de islam aanvoert dat deze vrouwonvriendelijk is, dient wel te bedenken dat ook in de christelijke traditie genoeg voorbeelden van dit gedachtengoed zijn te vinden.

Hetzelfde geldt voor de literatuur, vooral de Engelse. Ook de Franse literatuur kent veel aardige uitspraken over vrouwen. Sommige Duitse schrijvers verheerlijkten de vrouw. De Engelse literatuur daarentegen, reflectie van een typische mannenmaatschappij, is rijk aan voorbeelden van vrouwonvriendelijkheden en vooral ook van uitingen van angst voor de vrouw. Dr. Johnson zei: “nature has given women so much power that the law has very wisely given them little”. Het vreemde aan deze uitspraak is dat hij werd gedaan in een tijd dat de vrouw nu juist geen enkele macht had en op geen enkele manier een bedreiging voor de man vormde. De positie van de man was onaantastbaar, in economie en maatschappij, cultuur en politiek. De rechten van de vrouw waren minimaal. De getrouwde vrouw was volledig ondergeschikt aan de man. In 1815 verkocht een man zijn vrouw, die met haar kind in een werkhuis verbleef, op de markt in Croydon voor één shilling. Van deze transactie werd keurig een gezegelde kwitantie gemaakt: “Received of John Earl the sum of one shilling, in full, for my lawful wife, by me Henry Cook”. Dit document werd, al even keurig, in het parochiearchief opgeborgen.

Nu is alles anders. Vrouwen zijn gelijk aan mannen en ze zijn zelfs een bedreiging voor de mannen geworden, althans voor de mannelijke machtspositie. Mannen weten met dit nieuwe rolpatroon geen raad en schijnen er zelfs fysieke problemen van te krijgen. Voor vrouwen is het kennelijk ook niet eenvoudig, getuige de vele series en beschouwingen over het probleem van de succesvolle vrouw: “ik heb alles, maar alleen geen man”.

Tegenwoordig wordt ook veel kritiek op de man geleverd. In vroeger eeuwen moge een uitvoerige literatuur over het thema van de vrouw en haar gebreken hebben bestaan, op dit moment is eerder het omgekeerde het geval. Vrouwen houden zich meer bezig met de frailty van mannen dan andersom.

Hun kritiek is echter rationeler, gebaseerd op serieus onderzoek en niet op intuïties en gevoelens. De feiten wijzen namelijk uit dat mannen voor meer problemen zorgen dan vrouwen. Bijna alle misdaden worden begaan door mannen. In Amerika bestaat 94 procent van de gevangenisbevolking uit mannen en zijn 80 procent van de moordenaars mannen. Aangezien de misdaad de Amerikanen zo'n vierhonderd miljard dollar per jaar kost, jagen de mannen door hun wangedrag de samenleving op hoge kosten. Vandaar dat een Amerikaanse psychologe, Jane Stephenson, in een recent boek, Men are not cost-effective, heeft betoogd dat mannen een onevenredig beslag op de samenleving leggen. Daarom zou een speciale mannenbelasting moeten worden ingevoerd.

Er zitten wel wat haken en ogen aan dit voorstel, maar het is serieus te overwegen, temeer waar onderzoek heeft aangetoond dat het gewelddadige gedrag van mannen genetisch bepaald is. Volgens een artikel in Nature (12 juni 1997) is hun wangedrag toe te schrijven aan een van de twee geslachts-chromosomen, het x-chromosoom. Gelukkig is hier wel wat aan te doen, namelijk door jongens meer opvoeding te geven, maar dat kost ook geld. Of het nu om misdaad of opvoeding gaat, de man is kennelijk duurder dan de vrouw. Mannenbelasting is daarom zo gek nog niet. Er bestaat tenslotte ook een hondenbelasting.

In het licht van dit alles is duidelijk, dat het tijdvak van mannelijke superioriteit en misogynie voorbij is. Dat is cultuurhistorisch gezien een verlies. Wij hebben in Nederland verenigingen tot behoud van ongeveer alles wat bestaat: het volkslied, de dorsvlegel, de Waddenzee, de knotwilg, het kievitsei, de latijnse mis en ga maar door. Wij hebben ook vrijwel voor alles een museum: de pijp, de speeldoos, de priktol, de leesplank et cetera. Het wordt daarom hoog tijd dat er een Museum voor Misogynie komt en een Vereniging van Vrienden van Vrouwonvriendelijkheden. Een subsidieaanvraag bij OC&W moet succes kunnen hebben.