Marktwerking kan ook zonder privatisering

De ervaringen in Engeland met de privatisering in de watersector hebben W. Hulsink en E. Wubben doen verzuchten: mag het in Nederland een druppel marktwerking minder zijn? (NRC Handelsblad, 9 augustus). Zij suggereren daarmee dat het rapport Mogelijkheden tot marktwerking in de Nederlandse watersector de watersector volledig in Engelse richting wil reorganiseren.

Dat is niet zo. Op de korte termijn stelt dit rapport voor een Controlerend Orgaan Nederlandse Watersector in te stellen. Dit zou er voor moeten zorgen dat de informatieverzameling van de Nederlandse drinkwater- en afvalwaterbedrijven beter wordt. Tevens zou het 'maatstafconcurrentie' moeten toepassen. Dit houdt in dat de bedrijven met elkaar worden vergeleken en dat de duurste bedrijven onder druk worden gezet goedkoper te produceren. Met de beurs heeft dat niets te maken. De bedrijfsstructuur van de watersector wordt niet veranderd; de bedrijven blijven publiek.

Op de middellange termijn stelt het rapport wel experimenten met openbare aanbesteding voor. Maar ook daar heeft de beurs niets mee te maken. De ingrijpende hervormingen die het op de lange termijn in het vooruitzicht stelt,komen alleen aan de orde als de prestaties van de watersector zo niet voldoende verbeteren. Die komen er op neer dat het eigendom van de waterleidingen en installaties in handen komen van, bijvoorbeeld, een of meer maatschappijen en dat de operationele taken worden aanbesteed.

Van de ervaringen van de Engelse watersector kan Nederland wel iets leren. Hulsink en Wubben geven al aan dat privatisering van de Engelse waterbedrijven voortkomt uit motieven die niet op Nederland toepasbaar zijn. Juist daarom stelt Mogelijkheden tot marktwerking ook geen privatisering voor volgens Engels model. Wat we van de Engelse situatie kunnen leren is dat de prestaties in de watersector er sterk verbeterd zijn, niet vanwege de privatisering maar door de gelijktijdige instelling van een Office of Water Services. Dit orgaan verzamelt informatie over de watersector, analyseert deze en past er vervolgens 'maatstafconcurrentie' op toe.

Het Office of Water Services is hèt succes van de Engelse watersector. Het heeft de sector open gemaakt en de service verbeterd. Ook bindt het de strijd aan met de waterbedrijven waar het gaat om kruissubsidies door branchevreemde activiteiten.

Tot slot een punt waarop Hulsink en Wubben het Nederlandse rapport verkeerd lezen: de berekeningen van de kostenbesparingen. Die zijn niet, zoals zij denken, gebaseerd op winstmaximalisatie. Ten onrechte stellen zij ook dat een bedrijf dat toevallig gunstige factoren kent en dus goedkoop is, voor de rest model zou staan. Het feit dat het rapport zoveel aandacht besteedt aan de schattingen van 'kosteninefficiëntie' wordt juist veroorzaakt doordat gunstige factoren die tot goedkopere produktie zouden kunnen leiden, worden verrekend. De kosten van de bedrijven worden niet klakkeloos met elkaar vergeleken. Kostenverschillen tussen drinkwaterbedrijven worden gecorrigeerd voor factoren die niet door het management zijn te beïnvloeden: gebruik van grondwater of oppervlaktewater als grondstof voor drinkwater, het percentage kleinverbruik en het aantal aansluitingen per kubieke meter. We sluiten ook niet uit dat er nog andere factoren van invloed kunnen zijn op de kosten. Om deze te kunnen 'meenemen' is er echter meer informatie nodig en juist daarom is de verbetering van de informatievoorziening een cruciaal onderdeel van de plannen.

Bedrijven in de watersector werken op dit moment niet efficiënt, hoewel er een stijging is waar te nemen van de winst. In 1994 en 1995 bedroeg deze meer dan vijf procent van de omzet. Dit is hoog als bedacht wordt dat de drinkwaterbedrijven geacht worden geen winst te maken. Het argument daarvoor is dat deze winsten nodig zijn. Waterbedrijven zouden meer eigen vermogen moeten hebben voor investeringen omdat de kapitaalmarkt dit eist.

Dat laatste zou misschien reëel zijn als statistisch onderzoek liet zien dat bedrijven die al een (relatief) hoog eigen vermogen hebben nu minder winst maken dan bedrijven met een laag eigen vermogen. Dat is niet zo. Winst maken is niet per definitie onterecht, maar het is wel vreemd dat er nu geen controle op deze ontwikkeling plaatsvindt.