Lichtgewicht voor een postbode; Orthopedisch instrumentmaker

Wie bij Bob Wester in de paskamer belandt moet, zoals dat heet, protheserijp zijn. Dat wil zeggen dat de wond van de amputatie grotendeels is genezen en de stomp en de spieren zo sterk zijn dat ze een koker met een kunstarm of -been verdragen. Wester en zijn staf van orthopedische instrumentmakers beginnen met de fabicage van een stompkoker die zo goed mogelijk past, waarna ze er modulair de overige delen aan vastbouwen.

Zesentwintig jaar geleden freesde hij nog protheses uit één stuk hout, eventueel voorzien van scharnierpunten. Tegenwoordig zijn de werkplaats en het magazijn van het Centrum voor Orthopedietechniek te Amsterdam en Utrecht ruim voorzien van diverse materialen, onderdelen en kant-en-klare gewrichten. De instrumentmakers houden inmiddels rekening met de mannelijke of vrouwelijke stand van heupen en bekken en de prothese kan worden aangepast aan het gebruik: “Lichtgewicht voor een postbode in de stad of roestvrijstaal voor een boer die door vochtige weilanden loopt.”

Niet dat ze nu alles kunnen fabriceren om de geamputeerde mens weer compleet te maken. De techniek is nog niet zover, maar wat zwaarder weegt: hoe functioneel een prothese uiteindelijk is hangt vooral af van de gebruiker. Toch is iemand die een been moet missen vaak teleurgesteld over de mobiliteit die hij met zijn prothese bereikt: hoe zit het dan met die voormalige atleet die notabene met twéé kunstbenen weer hordes neemt? Het zijn de sterke verhalen van anderen die frustraties veroorzaken. Niet alleen bij beginnende prothesedragers, maar soms ook bij de instrumentmakers zelf.

“Het is niet dat we de mensen niet het beste gunnen, maar hét beste bestaat gewoon niet. De oorzaak van de amputatie, het niveau, de conditie en ambitie, dat zijn de bepalende factoren voor wat iemand met zijn prothese kan doen”, aldus Wester.

Desalniettemin is het een feit dat de prothesetechniek sterk achterloopt vergeleken bij die in een gerobotiseerde fabriek: de doelgroep is klein en er valt niet veel geld mee te verdienen. Innovaties zijn meestal afkomstig uit economisch interessantere branches als de auto-industrie, waarna de orthopedische instrumentmakerij er de vruchten van plukt. Overal een chip inbouwen is niet zaligmakend, vertelt de instrumentmaker nuchter: “Veiligheid en functionaliteit zijn belangrijker dan hightech snufjes. Een ingebouwd kniemotortje dat door blijft lopen nadat de drager is gestruikeld, geeft te veel risico's. Iemand die na amputatie van twee benen weer wil lopen, is uitsluitend op zijn eigen spierkracht aangewezen.” Armprotheses die wel met behulp van motortjes en elektroden iets vast kunnen pakken, vergen een intensieve training van de drager. Deze moet leren zijn spieren zo te gebruiken dat ze de elektroden aansturen. “Niet alleen gaat het om spierbewegingen die soms tegengesteld zijn aan wat je vroeger automatisch deed, je moet ook leren wat wel en niet kan. Een fles optillen? Een plastic bekertje met koffie pakken zonder het fijn te knijpen?”

Het opmeten en het maken van een stompkoker - een onderdeel waarmee een prothese letterlijk staat of valt - en het gieten en bijwerken van een gipsen mal zijn ambachtelijke handelingen die de directeur voorlopig in ere houdt. Een scanner of computer signaleert een onregelmatig kuiltje of uitstekend botpuntje niet dat zijn vingers wel voelen, noch hoe de stomp verandert als er druk op komt te staan. Het is Westers doel de mensen iets te geven dat hen eigen wordt, zelfs al betekent het dat hij een ouderwets houten been moet frezen: “Als iemand daar al vijftig jaar aan gewend is, zal ik hem niets opdringen.”

Een interessante ontwikkeling vindt hij de knieën met ingebouwd pneumatisch of hydraulisch systeem, gekoppeld aan een kleine computer. Binnen één stap past de knie zich aan de loopsnelheid aan, zodat de gebruiker van een slentergang over kan gaan in lichte draf.

Dat iemand zodanig protheserijp is dat er veel mogelijkheden zijn, wil helaas niet zeggen dat alle voorzieningen er komen. De verzekeraar moet het ook nog eens willen betalen en die denkt niet altijd in dezelfde termen als de orthopedisch instrumentmakers. Zoals bij die cliënt van 1.99 meter die altijd z'n prothese uit moest doen als hij in zijn auto met automatische versnelling wilde rijden. Wester stelde voor hem een kniescharnier onder z'n stompkoker geven, zodat hij het hele been in één keer naar achter kon buigen en zo in de auto zou passen. De verzekeringsmaatschappij wilde niet betalen, maar wel een - veel duurdere - aanpassing van de auto. Pas na langdurige correspondentie zag de tegenpartij in dat Wester gelijk had met zijn stelling dat de cliënt met het kniescharnier ook makkelijk in andermans auto kan stappen, terwijl een aangepaste automaat z'n nut verliest op het moment dat de chauffeur het portier achter zich dichtslaat.